Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0426

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
AWB 07/27416
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / minderjarige kinderen / persoonlijke interventie Staatssecretaris

Eiseres is [..] in het asielzoekerscentrum te [plaatsnaam] staandegehouden en, tezamen met haar minderjarige dochters, overgebracht naar het politiebureau te Heerlen, alwaar eiseres om 10:30 uur in vreemdelingenbewaring is gesteld op grond van het bepaalde in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Om 11:00 uur is eiseres met haar kinderen overgebracht naar het uitzetcentrum Zestienhoven te Rotterdam, alwaar zij om 14:00 uur is aangekomen. Naar aanleiding van de inbewaringstelling van eiseres heeft haar gemachtigde nog dezelfde dag contact opgenomen met drs. F. Halsema, fractievoorzitter van GroenLinks in de Tweede Kamer. Mevrouw Halsema heeft de zaak onder de aandacht gebracht van de Staatssecretaris van Justitie, mr. N. Albayrak. Tevens heeft de gemachtigde op 5 juli 2007 een gemotiveerd beroep op grond van artikel 94 van de Vw 2000 ingesteld. In overleg met de Staatssecretaris voornoemd is de bewaring vervolgens op 6 juli 2007 opgeheven en is eiseres met haar kinderen overgebracht naar [plaatsnaam]. Eiseres en haar kinderen zijn op 11 juli 2007 (vervroegd) overgedragen aan de Belgische autoriteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 94 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

Proc.nr.: AWB 07/27416

Inzake:

[eiseres],

volgens haar verklaring geboren op [geboortedatum] 1979 en burger van Burundi,

mede ten behoeve van haar minderjarige dochters [dochter 1], geboren op [geboortedatum] 2004 en [dochter 2], geboren op [geboortedatum] 2006,

hierna te noemen: eiseres,

gemachtigde mr. M.M.G. Crompvoets, advocaat te Maastricht,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie te ’s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 5 juli 2007 is eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 5 juli 2007 is namens eiseres beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 behelst dit beroep tevens een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder is op 6 juli 2007 overgegaan tot opheffing van de bewaring.

Bij faxbericht van 13 juli 2007 heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank laten weten het beroep te willen voortzetten met het oog op schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2007, alwaar eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer A. van Rheenen.

II. OVERWEGINGEN

Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan eiseres een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Gelet op het verzoek tot schadevergoeding dient thans te worden vastgesteld of de maatregel van bewaring reeds op enig moment voor de opheffing ervan door verweerder onrechtmatig was en, zo ja, of aanleiding bestaat tot toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 28 september 2006 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een asielvergunning voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 30 maart 2007 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Bij uitspraak van 14 mei 2007 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het tegen voornoemde besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard ( AWB 07/14229) en het hangende dit beroep ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen (AWB 07/14231).

Op 3 juli 2007 heeft het Bureau Dublin te Zevenaar schriftelijk medegedeeld dat de Belgische autoriteiten de ten behoeve van eiseres gelegde claim op basis van de Dublinverordening hebben gehonoreerd. Teneinde de geplande overdracht van eiseres op 16 juli 2007 te kunnen effectueren, wordt de 24e Divisie van de Regionale Vreemdelingenrecherche (vreemdelingendienst Heerlen) verzocht eiseres in vreemdelingenbewaring te stellen.

Eiseres is vervolgens op 5 juli 2007 om 7:40 uur in het asielzoekerscentrum te [plaatsnaam] staandegehouden en, tezamen met haar minderjarige dochters, overgebracht naar het politiebureau te Heerlen, alwaar eiseres om 10:30 uur in vreemdelingenbewaring is gesteld op grond van het bepaalde in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Om 11:00 uur is eiseres met haar kinderen overgebracht naar het uitzetcentrum Zestienhoven te Rotterdam, alwaar zij om 14:00 uur is aangekomen.

Naar aanleiding van de inbewaringstelling van eiseres heeft haar gemachtigde nog dezelfde dag contact opgenomen met drs. F. Halsema, fractievoorzitter van GroenLinks in de Tweede Kamer. Mevrouw Halsema heeft de zaak onder de aandacht gebracht van de Staatssecretaris van Justitie, mr. N. Albayrak. Tevens heeft de gemachtigde op 5 juli 2007 een gemotiveerd beroep op grond van artikel 94 van de Vw 2000 ingesteld.

In overleg met de Staatssecretaris voornoemd is de bewaring vervolgens op 6 juli 2007 opgeheven en is eiseres met haar kinderen overgebracht naar [plaatsnaam].

Eiseres en haar kinderen zijn op 11 juli 2007 (vervroegd) overgedragen aan de Belgische autoriteiten.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

De rechtbank gaat verder uit van de ter zitting door de gemachtigde van eiseres gestelde en niet door de gemachtigde van verweerder weersproken omstandigheid dat de bewaring van eiseres reeds op 5 juli 2007 opgeheven zou zijn, indien onmiddellijke opvang voor eiseres aanwezig geweest zou zijn.

Verweerder heeft voorts desgevraagd ter zitting niet kunnen aangeven wat de Staatssecretaris ten grondslag heeft gelegd aan de persoonlijke interventie resulterend in de opheffing van de opgelegde maatregel.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de Staatssecretaris het opleggen van de maatregel kennelijk van meet af aan niet geboden achtte en zal het beroep wegens het ontbreken van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling dan ook gegrond verklaren.

De grieven van eiseres behoeven voor het overige mitsdien geen nadere beschouwing en beoordeling.

Eiseres komt aldus over de periode van 5 juli 2007 tot 6 juli 2007 schadevergoeding toe. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 70,= voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht. In totaal bedraagt de schadevergoeding derhalve € 70,=.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 644,= voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand welk bedrag is opgebouwd uit:

* 1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt € 322,=;

* wegingsfactor 1.

Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 70,=;

bepaalt dat de uitbetaling geschiedt door de griffier van de rechtbank;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,=, te vergoeden door de Staat der Nederlanden, te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. M.I.J. Hegeman in tegenwoordigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 70,= (ZEGGE; ZEVENTIG EURO).

Aldus gedaan op 24 juli 2007 door mr. Hegeman voornoemd.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 24 juli 2007.