Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0295

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
09/611665-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Door aanmerkelijk onvoorzichtig verkeersgedrag heeft verdachte een verkeersongeval veroorzaakt met als gevolg dat de chauffeur van het busje waarmee zij met haar auto in botsing kwam, is overleden en andere inzittenden lichamelijk letsel hebben opgelopen. Het ongeval heeft groot leed en verdriet veroorzaakt bij de nabestaanden van het dodelijk getroffen slachtoffer en de direct betrokkenen.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 'aanmerkelijk onvoorzichtig' heeft gereden en dat zij zich 'zodanig heeft gedragen' dat een aan haar schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden.

De toepasselijke wetsartikelen: - 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht; - 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2007/78

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/611665-06

's-Gravenhage, 24 juli 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1975 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 03 oktober 2006 en na tussenvonnis van 17 oktober 2006 voortgezet ter terechtzitting van 10 juli 2007.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr. H.M.L. Brands, advocaat te Alphen a/d Rijn, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich geen benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. Th. Berger heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar bij dagvaarding primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De telastlegging

Aan de verdachte is telastgelegd - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan haar primair telastgelegde feit nu het busje, waarmee zij in botsing is gekomen, met zeer hoge snelheid aan kwam rijden en het onder die omstandigheden niet aannemelijk is dat zij aanmerkelijk onoplettend of onachtzaam is geweest, zodat met andere woorden haar schuld niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Voorts heeft de raadsman van verdachte betoogd dat het causaal verband tussen de verweten gedraging (verkeer van rechts geen voorrang verlenen) en het verkeersongeluk afwezig is, nu zij niet de reële gelegenheid heeft gehad om waar te nemen dat er verkeer van rechts aan kwam rijden en dat het haar derhalve redelijkerwijs niet kan worden toegerekend dat zij verkeer van rechts geen voorrang heeft verleend.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verdachte heeft bij haar verhoor door de politie op 24 oktober 2005, derhalve kort na het verkeersongeval, verklaard dat zij, toen zij het kruispunt opreed, wel naar links had gekeken doch dat zij, voordat zij naar rechts kon kijken een enorme klap hoorde en voelde. Ter terechtzitting (zowel op 03 oktober 2006 als op 10 juli 2007) heeft verdachte verklaard dat zij met een snelheid van zo’n 40 km/h het kruispunt opreed en pas op het kruispunt zelf een goed zicht had op mogelijk verkeer dat van rechts kwam, aangezien het zicht, voordat zij het kruispunt opreed, belemmerd werd door een huis en een boom.

Uit deze verklaringen blijkt dat verdachte niet de gelegenheid heeft genomen om vast te stellen of er verkeer van rechts kwam, bijvoorbeeld door haar auto tot stilstand te brengen voordat zij het kruispunt opreed. Gelet op de plaats van de aanrijding lijkt geen andere conclusie mogelijk dan dat verdachte al het kruispunt was opgereden. Aldus heeft verdachte geen voorrang verleend aan een van rechts komend busje waarmee zij vervolgens in botsing is geraakt.

Het door de raadsman gevoerde betoog dat het busje met zeer hoge snelheid op de kruising afreed, gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. In het dossier zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor het standpunt dat het busje met zeer hoge snelheid zou hebben gereden. Het Nederlands Forensisch Instituut concludeert in haar rapport d.d. 29 mei 2007 ten aanzien van de botssnelheid, dat er een kans van (slechts) 1% is dat de botssnelheid van het busje meer dan 54 km/h bedroeg. Nu er geen remsporen zijn waargenomen van het busje lijkt het erop dat het busje niet met een hogere snelheid reed. Voorts blijkt uit het in het proces-verbaal opgenomen fotomateriaal (fotomap) dat het zicht op van rechts komend verkeer, enkele meters voor de kruising, onbelemmerd is. Ook indien het busje met een hogere snelheid dan 54 km/h zou hebben gereden had verdachte dit busje van verre kunnen zien aankomen indien zij stapvoets rijdend naar rechts zou hebben gekeken.

De rechtbank verwerpt beide door de raadsman gevoerde verweren.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 'aanmerkelijk onvoorzichtig' heeft gereden en dat zij zich 'zodanig heeft gedragen' dat een aan haar schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de dagvaarding primair telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Door aanmerkelijk onvoorzichtig verkeersgedrag heeft verdachte een verkeersongeval veroorzaakt met als gevolg dat de chauffeur van het busje waarmee zij met haar auto in botsing kwam, [slachtoffer], is overleden en andere inzittenden lichamelijk letsel hebben opgelopen. Een van de inzittenden is hierdoor enige tijd arbeidsongeschikt geraakt. Het ongeval heeft groot leed en verdriet veroorzaakt bij de nabestaanden van het dodelijk getroffen slachtoffer en de direct betrokkenen. Welke gevolgen het ongeluk heeft gehad blijkt met name uit de verklaringen van degenen die zich in het voertuig bevonden waarmee verdachte in botsing is gekomen en uit de verklaring van de weduwe van de overleden chauffeur [slachtoffer]. Zij heeft een slachtofferverklaring afgelegd waaruit blijkt hoe ingrijpend de aanmerkelijke onvoorzichtigheid van verdachte haar leven en dat van haar zoontje heeft veranderd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 22 februari 2006, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden een transactie aangeboden heeft gekregen voor het rijden onder invloed. Voorts dat zij een transactie aangeboden heeft gekregen voor een (aanzienlijke) snelheidsovertreding.

Op grond van voornoemde overwegingen en in het besef dat het ook voor verdachte een ingrijpende gebeurtenis is geweest, zal de rechtbank een werkstraf opleggen voor de duur zoals hierna te bepalen. Daarnaast ziet de rechtbank, in het door de verdachte gepleegde feit, aanleiding om haar de bevoegdheid, om gemotoriseerd aan het verkeer deel te nemen, te ontzeggen voor een duur als na te melden, hiervan zal een gedeelte voorwaardelijk worden opgelegd.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding primair telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis;

veroordeelt verdachte voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;

bepaalt dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Poustochkine, voorzitter,

Van As en Honée, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Molenaar, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2007.