Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9915

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
AWB 05/56328, 05/56331
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / BMA-advies / medische noodsituatie / PTSS / benoeming deskundige / reizen

Eiser heeft een beroep gedaan op vrijstelling van het mvv-vereiste op medische gronden op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De rechtbank is van oordeel dat aan het BMA ten onrechte niet de vraag is voorgelegd of het, gelet op de gezondheidstoestand van de betrokkene, niet alleen mogelijk maar ook verantwoord is te achten om te reizen naar het land van herkomst. Daarbij komt dat, gelet op de redactie van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 de rechtbank volledig dient te toetsen of het standpunt van verweerder juist is. Nu eiser het standpunt van BMA gemotiveerd heeft betwist, heeft de rechtbank aanleiding gezien een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Deze deskundige concludeert dat het voor eiser medisch niet verantwoord is te achten dat van hem verlangd wordt terug te reizen naar zijn land van herkomst. Ten onrechte is eiser geen vrijstelling van het mvv-vereiste verleend. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:68
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/396

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 05/56328 en AWB 05/56331

Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2007

inzake

[eiser 1],

geboren op [geboortedatum] 1969,

en

[eiser 2]

geboren op [geboortedatum] 1975

Burgers van Bosnië-Herzegovina,

alsmede hun minderjarige kinderen

verblijvende te Utrecht,

eisers,

gemachtigde drs. J.W. de Haan,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. A. van Blankenstein.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de minister van Justitie.

Bij afzonderlijke besluiten van 27 oktober 2004 heeft verweerder de aanvragen van 1 september 2003 van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel: “medische behandeling” c.q. “verblijf bij [eiser 1] gedurende zijn medische behandeling in Nederland” op grond van artikel 14 van de vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar is bij afzonderlijke besluiten van 11 november 2005 ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben eisers beroep ingesteld.

Tevens hebben eisers de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt dat uitzetting van eisers achterwege wordt gelaten totdat uitspraak zal zijn gedaan op de beroepen. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder nummers AWB 05/56329 en AWB 05/56333.

De beroepen en verzoeken zijn behandeld door de enkelvoudige kamer op de zitting van 21 september 2006, waar eisers zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het onderzoek in beide zaken is op grond van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend. In de zaak van eiser (AWB 05/56328) is vervolgens deskundige B.J. van Eyk is, psychiater te Oosterhout, verzocht medisch onderzoek te doen en advies uit te brengen.

Deskundige Van Eyk heeft zijn bevindingen en conclusies neergelegd in een rapport d.d. 2 december 2006. Verweerder en eiser hebben hierop schriftelijk gereageerd op 12 januari 2007 respectievelijk 23 januari 2007. Deskundige Van Eyk heeft vervolgens weer gereageerd bij schrijven van 18 maart 2007.

Vervolgens zijn de bodemzaken van eisers (AWB 05/56328 en AWB 05/56331) verwezen naar de meervoudige kamer en behandeld ter zitting op 11 mei 2007. Verschenen zijn eisers in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is op verzoek van de gemachtigde van verweerder vervolgens geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen te bezien, of er aanleiding bestaat de bestreden besluiten in te trekken. Op 1 juni 2007 heeft verweerder te kennen gegeven dat de bestreden besluiten onverkort gehandhaafd blijven. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 22 juni 2007, waar eisers en verweerder zijn verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of de besluiten van 11 november 2005 in rechte stand kunnen houden.

2. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres geheel afhankelijk is van het beroep van eiser. Daarom zal eerst het beroep van eiser worden beoordeeld.

Zaak AWB 05/56328

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Volgens verweerder voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste en is evenmin sprake van zodanig bijzondere en individuele omstandigheden dat vasthouden aan het mvv-vereiste zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Evenmin wordt voldaan aan de inhoudelijke voorwaarden voor een verblijfsvergunning onder de gevraagde beperking.

4. Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het een vreemdeling betreft voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand, niet verantwoord is om te reizen.

5. Verweerder heeft de toepassing van deze bepaling uitgewerkt in paragraaf B1/1.2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals die luidde ten tijde van belang. Daarin staat dat voor de toepassing van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vc 2000 wordt onderzocht of de vreemdeling in staat is naar zijn land van herkomst te reizen en in staat kan worden geacht daar de behandeling van een door hem in te dienen mvv-aanvraag af te wachten.

6. Verweerder heeft ter beantwoording van deze vraag in het onderhavige geval advies gevraagd aan het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA). In het BMA-advies van 27 mei 2004 staat, voor zover hier van belang:

“Betrokkene is bekend met een mengbeeld van een posttraumatische stresstoornis (PTSS) en een depressie. Hij heeft voortdurend last van nachtelijke herbelevingen over de oorlog, slecht slapen, voortdurend angst en onrust, gevoel dat het lichaam dood is, prikkelbaarheid en nachtmerries. Daarnaast heeft hij hoge bloeddruk. Sinds het voorjaar 2003 is hij onder behandeling van Altrecht Geestelijke Gezondheidszorg. Hij wordt behandeld met psychotherapeutische contacten en psychofarmaca. De therapeuten maken zich zorgen om deze man vanwege zijn fantasieën over suïcide en homocide, agressieve ontladingen en zijn posttraumatische problematiek. Bij verhoogde bloeddruk c.q. stress kan zijn situatie escaleren. De behandeling duurt nog voort en is niet goed in te schatten hoe lang deze nodig zal zijn.

(…)

Betrokkene wordt behandeld met medicatie en gedragstherapeutische gesprekken.

(…)

De behandeling zal nog geruime tijd duren.

(…)

Uitgaande van de juistheid van beschikbare informatie, concludeer ik dat bovengenoemde klachten in het land van herkomst wel behandeld kunnen worden.

(…)

Uit berichten van International SOS (…) blijkt dat behandeling van hoge bloeddruk mogelijk is. (…) behandeling van PTSS en een depressie mogelijk is in het Clinical Center Department of Psychiatry of het Institue for Psychology te Sarajevo. Tevens is behandeling mogelijk in het medical Facitity of University hospital te Sarajevo. Uit (…) blijkt dat behandeling door een psycholoog mogelijk is.

(…) Op min of meer vergelijkbare wijze als in Nederland.

(…)

Zal, gelet op de huidige medische inzichten, het uitblijven van de onder 2. genoemde behandeling leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn (voorheen genoemd acute medische noodsituatie)?

Ja. Betrokkene is bekend met een PTSS en een depressie, waarvoor hij behandeld wordt met psychofarmaca en gesprekken. Deze behandeling is noodzakelijk om te voorkomen dat er een noodsituatie ontstaat zoals suïcide en homocide. De behandeling mag niet onderbroken worden. Bij het achterwege blijven van behandeling is een acute medische noodsituatie niet uit te sluiten.

Kan betrokkene op basis van de huidige medische inzichten gezien diens klachten reizen? Ja; gelet op het suïcide risico onder professionele begeleiding.

(…) Gezien de huidige medische inzichten acht ik betrokkene in staat te reizen met gangbare vervoermiddelen als boot, trein, bus, auto en vliegtuig. Voor, tijdens en direct na de reis dient betrokkene te beschikken over medicatie. Voortzetting van de behandeling en begeleiding is op de plaats van bestemming noodzakelijk. In verband hiermee is tevens medische overdracht aan te bevelen.

(…).”

7. In een aanvullende nota van 10 augustus 2005 voegt de BMA-arts – voor zover van belang – daaraan nog toe dat het feit dat betrokkene zijn psychische traumata in Bosnië-Herzegovina meemaakte, niet bij voorbaat de mogelijkheid uitsluit van een geëigende behandeling in Bosnië-Herzegovina.

8. Verweerder heeft deze conclusies van het BMA-advies overgenomen en zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het voor eiser gelet op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen. Daarbij is in aanmerking genomen dat weliswaar sprake is van een medische behandeling waarbij uitblijven van de behandeling kan leiden tot een medische noodsituatie, echter de behandeling kan plaatsvinden in het land van herkomst en eiser wordt in staat geacht te reizen. Dat dit reizen begeleid dient plaats te vinden maakt het niet anders. Het is aan eiser om de nodige begeleiding te realiseren en om een onderbreking in het medicijngebruik te voorkomen.

9. Eiser kan zich niet met deze conclusie verenigen en heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op de informatie en conclusies van zijn behandelend arts en arts psychotherapeut verbonden aan een centrum voor angst- en stemmingsstoornissen Altrecht te Utrecht.

10. In de brief d.d. 19 april 2004 van deze artsen, die blijkens het BMA-advies van 27 mei 2004 bij de beoordeling is betrokken, blijkt, voor zover thans van belang:

“(…)

Wij maken ons zorgen over de gezondheid van deze man, gezien de langzaam toenemende signalen van vitale uitputting. Dit samen met zijn posttraumatische problematiek en zijn vasthoudende trekken en agressieve ontladingen, die hij thuis soms heeft (…) maakt dat wij het niet onaannemelijk achten dat bij verhoogde stress en druk zijn situatie kan escaleren.

Hierdoor zou zelfs een psychiatrische noodsituatie kunnen ontstaan. Wij hebben de plicht dit te proberen te voorkomen en richten ons daar in de behandeling ook op. Maar zijn vrees om na eventuele terugzending in de gevangenis te belanden vanwege desertie, maakt dat hij het gevoel heeft niets meer te verliezen te hebben (“… dat wordt dan toch mijn dood…”!). De dreiging die hier van uitgaat maakt dat hij fantaseert over suïcide en homicide. We nemen dit serieus.

Het moge duidelijk zijn dat onder deze druk en omstandigheden de behandeling zich richt op stabiliseren en preventie van escalatie.

Dit bepaalt dan ook dat we weinig zinnigs kunnen zeggen over een prognose.

(…).”

11. In de brief van 14 maart 2005 van de behandelend artsen verklaren zij dat de klachten nadrukkelijk persisteren en zelfs zijn verergerd door de dreiging en angst voor terugzending naar aanleiding van een negatieve beslissing van de IND. Daarom is de medicatie substantieel verhoogd. Verder wijzen zij op een voorval in een supermarkt; eiser werd agressief nadat een fles rode wijn op de grond kapot viel. De plas rode wijn riep bij eiser een zeer heftige reactie op door de associatie met het vele bloed dat hij heeft zien vloeien. Eiser kon met moeite in bedwang gehouden worden en moest later heftig braken en is flauw gevallen. Volgens zijn artsen zijn het dit soort oncontroleerbare ontladingen waarvoor zij vrezen als de dreiging van terugzending realiteit wordt.

12. In beroep heeft eiser nog een schrijven d.d. 4 september 2006 van zijn behandelaars overgelegd waarin zij nogmaals het door hen als zeer groot ingeschatte risico onderstrepen op het ontstaan van een medische noodsituatie in de vorm van suïcide en homicide. Volgens deze artsen betekent het terugsturen van deze ernstig getraumatiseerde man een dermate grote stressor, dat het risico op desintegratie groot is.

13. De rechtbank overweegt als volgt.

14. Volgens vaste rechtspraak zijn de door de minister aan de besluiten ten grondslag gelegde adviezen van het BMA deskundigenadviezen aan de minister ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dienen ze op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze te zijn opgesteld. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij de beoordeling van een aanvraag in beginsel van zulke adviezen uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

15. In het onderhavige geval kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de adviezen van het BMA onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De omstandigheid dat de BMA-arts eiser niet zelf heeft onderzocht leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit de gedingstukken blijkt immers dat de BMA-arts bij zijn advisering de medische situatie zoals blijkend uit de informatie van de behandelend artsen tot uitgangspunt heeft genomen.

16. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er niettemin concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en de volledigheid van de door het BMA gegeven adviezen.

Deze twijfel komt voort uit de beperkte reikwijdte van de vraagstelling die verweerder aan het BMA heeft voorgelegd die er in feite louter op neer komt of behandeling van psychiatrische ziekten in het algemeen in Bosnië mogelijk is en of eiser in staat is om te reizen. Aan het BMA is echter niet de vraag voorgelegd of het, gelet op de gezondheidstoestand van de betrokkene, niet alleen mogelijk maar ook verantwoord is te achten om te reizen. Het ontbreken van een antwoord op deze vraag klemt te meer in een geval als het onderhavige waarin te voorzien is dat reizen naar het land van herkomst een negatieve invloed zal hebben op de gezondheidstoestand van de betrokken vreemdeling. Deze vraag ontbreekt dan ook ten onrechte in de door verweerder opgestelde criteria die ten tijde van belang in onderdeel B1/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 met betrekking tot de toepassing van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 waren opgenomen. Anders dan verweerder heeft gedaan, dient deze bepaling aldus te worden uitgelegd, dat onderzocht dient te worden of reizen naar het land van herkomst voorzienbaar zal leiden tot schade van de gezondheid van de betrokken vreemdeling en zo ja, of en in hoeverre een dergelijk effect aanvaardbaar is te achten. De rechtbank is aldus van oordeel dat verweerder met de gehanteerde vraagstelling een te beperkte uitleg heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vc 2000.

17. Het voorgaande klemt in het onderhavige geval te meer nu de behandelend artsen spreken over een serieus te nemen risico op homocide en suïcide, en dat de verwezenlijking van dat risico niet afhankelijk is van de vraag of, bij terugkeer naar Bosnië-Herzegovina, het medicijngebruik wordt voortgezet of wordt gestaakt.

18. Voorts overweegt de rechtbank dat blijkens de redactie van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 de wetgever bij de beantwoording van de vraag of het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling, verantwoord is om te reizen aan verweerder geen beoordelingsruimte heeft gegeven. De toetsing door de rechtbank van de toepassing van genoemde wetsbepaling is derhalve niet beperkt tot de vraag of verweerder zich op grond van de BMA-adviezen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voor eiser, gelet op diens gezondheidstoestand, verantwoord is om te reizen. De rechtbank dient volledig te toetsen of het door verweerder ter zake ingenomen standpunt rechtens juist is.

19. De door de rechtbank te verrichten toetsing vergt een medische beoordeling, over welke deskundigheid de rechtbank zelf niet beschikt. Gelet op de sterk uiteenlopende standpunten van de betrokken medici heeft de rechtbank aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:47, eerste lid van de Awb een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen. Verweerder heeft onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 25 juli 2006, gepubliceerd in JV 2006/351 en LJN: AY5703, betoogd dat de rechtbank in casu geen aanleiding had mogen zien een onafhankelijk deskundige te raadplegen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de onderhavige casus in overwegende mate verschilt van de situatie die in de door verweerder genoemde zaak aan de orde was. Immers, in deze zaak zijn de behandelaars zich van meet af aan onophoudelijk – ook nog in de beroepsfase – en met medische argumenten blijven verzetten tegen juistheid van de achtereenvolgende adviezen van het BMA en hebben zij daarbij een alarmerende boodschap afgegeven. Daarbij tekent de rechtbank aan dat de behandelend artsen zonder meer als deskundig en specialist op hun vakgebied van psychische stoornissen hebben te gelden. De omstandigheid dat zij de behandelaars van eiser zijn doet er niet aan af dat zij als deskundigen zijn aan te merken, en dat – gelet op de inhoud daarvan – hun oordeel over de mogelijkheid tot, en effectiviteit van, medische behandeling van eiser bij terugkeer naar het land van herkomst moet worden beschouwd als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies. In deze situatie bestaat naar het oordeel van de rechtbank alle aanleiding tot benoeming van een onafhankelijk medisch deskundige.

20. Psychiater van Eyk komt na kennisname van de medische stukken en eigen onderzoek tot de conclusie dat nu eisers klachten, zoals hiervoor genoemd, langer bestaan, van een chronische depressie gesproken mag worden en er ook een sterke vermindering van het aanpassingsvermogen is bijgekomen, wat vaak wordt gezien bij oorlogstraumata. Van Eyk wijst in dit verband op zeer recente onderzoeken op neurobiologisch/psychiatrisch gebied, die hebben aangetoond dat deze chronische depressieve problematiek ook gepaard gaat met aanwijsbare organische afwijkingen. Deze deskundige acht het daarom niet verantwoord gelet op eisers gezondheidstoestand dat hij naar zijn land van herkomst reist en daar de behandeling van een mvv-aanvraag afwacht. Verder acht hij het risico dat eiser bij terugkeer in een medische noodsituatie terecht komt, uitmondend in homicide of suïcide groot. Daarbij legt hij de nadruk op het in de tijd verminderde aanpassingsvermogen door de chronische depressie.

In zijn nadere reactie van 18 maart 2007 schrijft Van Eyk dat de artsen van het BMA er ten onrechte van uitgaan dat - indien er decompensatie plaatsvindt door het verblijf in Bosnië-Herzegovina - eiser alsdan medicamenteus en psychotherapeutisch bijgesteld/opgevangen kan worden en evenzeer ten onrechte aannemen dat de ziekte van eiser bepaald wordt door een intra-psychisch proces (ziekte) en dus medicamenteus te sturen is. Van Eyk is het daar apert mee oneens. Een medicamenteuze behandeling kan volgens hem slechts hulp geven om eiser overeind te houden. Als een medicamenteuze behandeling wel voldoende zou zijn geweest in de vorm van een behandeling dan was het toestandsbeeld op zijn minst al lang verbeterd of was het beeld van PTSS verbleekt. Met betrekking tot het ziektebeeld van eiser in Bosnië concludeert Van Eyk dat om behandeling van iemand als eiser mogelijk te maken er een minimale basis van vertrouwen aanwezig moet zijn tussen de behandelaar en de behandelde. Ontbreekt die, dan zal er nooit een gezonde groei mogelijk zijn, met als gevolg een voorspelbare en snelle decompensatie in een psychotisch en suïcidaal beeld in het verlengde van het toestandsbeeld waarvoor hij nog steeds onder behandeling is. Een behandeling in welke vorm dan ook is in en op weg naar Bosnië volgens deze deskundige onmogelijk en een begeleider zal daar geen verandering in brengen, zodat volgens deze deskundige de opmerking van het BMA slechts een theoretische is. In dat opzicht is niet de beoordeling van de al of niet juiste realiteitsweergave van belang maar de beleving hiervan bij eiser vanuit het traumatisch beeld. Reeds de reis naar Bosnië met de anticipatie angst van de confrontatie met de omgeving, waarvoor hij is gevlucht, kan volgens Van Eyk voldoende zijn om een ernstige decompensatie te doen ontstaan. Het is niet zozeer de kwaliteit van de behandelaar aldaar, waarover Van Eyk zegt geen enkele uitspraak te willen doen, die van belang is in de risicotaxatie, maar de belevingen en de verwerking van betrokkene in de lijn van actualisatie en confrontatie met bedreigingen zoals hij deze ervaren heeft in het verleden.

21. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt die tot de hare. Het voorgaande brengt met zich dat verweerder een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste, aanhef en onder c, van de Vw 2000 zodat eiser vrijstelling had moeten worden verleend van het mvv-vereiste. De vraag of vrijstelling verleend had moeten worden op grond van artikel 3.71, vierde lid van het Vb 2000 behoeft daarom geen bespreking meer.

22. Tenslotte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, nu de behandeling in het land van herkomst kan plaatsvinden, niet wordt voldaan aan de voorwaarden verbonden aan de gevraagde beperking medische behandeling en evenmin aanleiding bestaat om betrokkene verblijf toe te staan in het kader van een medische noodsituatie. Daarbij wordt verwezen naar hetgeen is vermeld in het kader van de vrijstelling van het mvv-vereiste, waarbij de individuele situatie van eiser is meegewogen.

23. De rechtbank is in het licht van het voorgaande van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot dit standpunt heeft kunnen komen, nu deze afwijzingsgrond geheel is gebaseerd op de beoordeling in het kader van het mvv-vereiste en die grond blijkens het voorgaande het bestreden besluit niet kan dragen, en verweerder aan deze afwijzing geen zelfstandige (nadere) motivering ten grondslag heeft gelegd. Het bestreden besluit is in zoverre gebrekkig gemotiveerd.

24. Uit al het voorgaande volgt dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Zaak AWB 05/56331

25. Nu het beroep van eiseres volledig afhankelijk is van het beroep van eiser komt ook het besluit ten aanzien van eiseres voor vernietiging in aanmerking.

26. De beroepen zijn gegrond. Verweerder zal opgedragen worden nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van het vorenoverwogene.

27. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn, er van uitgaande dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, met inachtneming van dat besluit en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal

€ 1.127,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• 1/2 punt voor het dienen van repliek, na het deskundigenrapport;

• 2 maal 1/2 punt voor het verschijnen op een volgende zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

28. Nu in beide zaken een toevoeging is verleend zal de rechtbank bepalen dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

29. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de Staat der Nederlanden aan eisers het door hen gestorte griffierecht ad € 138,00 dient te worden vergoed.

30. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast de Staat der Nederlanden aan eisers te vergoeden het door hen gestorte griffierecht ad € 138,00;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten vastgesteld op € 1.127,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moeten worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es - de Vries als voorzitter en mr. A.B.M. Hent en mr. A.F.C.J. Mosheuvel als leden in tegenwoordigheid van mr. B.J. Groothedde als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.

De griffier is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen