Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9906

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
KG 07/781
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser heeft niet voldaan aan een vordering zich te legitimeren. Op het moment dat inzage van zijn identiteitsbewijs werd gevorderd, werd hij niet (meer) verdacht van mishandeling. Deze laatste omstandigheid brengt op zichzelf echter niet met zich mee dat de agenten op dat moment niet bevoegd waren om inzage in zijn identiteitsbewijs te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 13 juli 2007,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/781 van:

[[eiser],

thans verblijvende op de Detentieboot Stockholm te Rotterdam,

eiser,

procureur mr. E.A.E.G.J Libosan,

advocaat mr. P.R. Hogerbrugge te Ermelo,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

procureur mr. A. van Blankenstein.

Partijen zullen hierna onderscheidenlijk [eiser] en de Staat worden genoemd.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 9 juli 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [Eiser] is op 7 juni 2007 omstreeks 22:50 uur op het NS station Almere Centraal aangehouden op grond van verdenking van overtreding van artikel 447e Sr (het niet voldoen aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden) en overgebracht naar het politiebureau.

1.2. Op 8 juni 2007 is [eiser] na verhoor heengezonden en aansluitend in vreemdelingenbewaring gesteld, ingevolge artikel 59 lid 1 aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000).

1.3. De behandeling van de kennisgeving als bedoeld in artikel 94 Vw2000 is vastgesteld op 16 juli 2007.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

[Eiser] vordert -zakelijk weergegeven- te bepalen dat zijn aanhouding en/of de daarop volgende vrijheidsontneming, welke is voorafgegaan aan de vreemdelingenbewaring, onrechtmatig is. Voorts vordert [eiser] zijn vrijlating te gelasten, althans te bepalen dat de vreemdelingenrechter van de onrechtmatigheid van zijn aanhouding en/of de daaropvolgende vrijheidsontneming moet uitgaan, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

Daartoe voert [eiser] het volgende aan. Uit het proces-verbaal van aanhouding van de politie d.d. 6 juli 2007 volgt, dat op het moment dat [eiser] werd gevorderd zich te legitimeren geen sprake was van verdenking van een strafbaar feit. [Eiser] was dus op dat moment geen verdachte. Er was dan ook geen aanleiding om naar zijn identiteitsbewijs te vragen. [Eiser] is derhalve onrechtmatig aangehouden. De daarop aansluitende overdracht aan de tot inbewaringstelling en uitzetting bevoegde autoriteiten en de daar weer op aansluitende vreemdelingenbewaring is daarmee evenzeer onrechtmatig.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is het niet aan de vreemdelingenrechter te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachten de Vw2000 toegekende bevoegdheden. De bevoegdheid van de bijzondere rechter in vreemdelingenzaken is beperkt tot de beoordeling van op die wet gebaseerde vrijheidsontneming. Die wet biedt hem geen ruimte om zich een oordeel te vormen over de rechtmatigheid van aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande aanwending van strafvorderlijke bevoegdheden. Vandaar dat thans dit oordeel wordt gevraagd.

De Staat voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Blijkens de inhoud van het proces-verbaal van aanhouding d.d. 6 juli 2007 (hierna: het proces-verbaal), vond de aanhouding van [eiser] plaats nadat bij de politie een melding binnen was gekomen dat er op het station van Almere een trein zou arriveren waarin een vrouw zat die mishandeld zou zijn door een zich in haar gezelschap bevindende man, genaamd [naam eiser]. Politieagenten hebben op basis van de verkregen signalementen, de vrouw en [eiser] aangesproken op het station. Na navraag bij de vrouw, die opgaf [A] te heten, bleek de agenten dat er geen sprake was van mishandeling. Het proces-verbaal vermeldt voorts dat, teneinde de relevante gegevens met betrekking tot het incident vast te kunnen leggen in het bedrijfsprocessensysteem van de regio Flevoland, [eiser] door één van de agenten is staande gehouden, gevraagd is naar zijn naam, zijn verdere persoonsgegevens en hem is gevorderd zich te legitimeren. [Eiser] gaf toen als zijn naam "[B]" op en gaf aan dat hij geen legitimatiebewijs bij zich had.

3.2. Vast staat dat [eiser] aan voormelde vordering om zich te legitimeren niet heeft voldaan. Op het moment dat inzage van zijn identiteitsbewijs werd gevorderd, werd hij niet (meer) verdacht van mishandeling. Anders dan [eiser] kennelijk beoogd heeft te stellen, brengt deze laatste omstandigheid op zichzelf echter niet met zich mee dat de agenten op dat moment niet bevoegd waren om inzage in zijn identiteitsbewijs te vorderen. Voor een dergelijke vordering is immers niet noodzakelijk dat er een verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bestaat. Op grond van artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht is een ieder verplicht op eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8a van de Politiewet 1993, een identificatiebewijs ter inzage aan te bieden. Ingevolge voormeld artikel 8a Politiewet 1993 moet verder sprake zijn van een situatie waarin de vordering tot inzage redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak, dat wil zeggen dat de bevoegdheid niet zonder reden of willekeurig mag worden uitgeoefend.

3.3. Uit voormeld proces-verbaal blijkt dat mevrouw [A] en [eiser] door de agenten zijn benaderd naar aanleiding van de melding van een mogelijk strafbaar feit. Teneinde de relevante gegevens met betrekking tot (de afhandeling van) deze melding vast te kunnen leggen in het bedrijfsprocessensysteem van de politie, is [eiser] gevraagd naar zijn naam en vervolgens gevorderd zich te legitimeren. Op voorhand bestaat geen aanleiding aan te nemen dat dit niet binnen de grenzen valt van hetgeen redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitoefening van de politietaak die de agenten op dat moment uitvoerden, temeer niet nu uit het proces-verbaal tevens blijkt dat [eiser] een andere naam opgaf dan de agenten bij de melding hadden doorgekregen. Aangezien [eiser] na de aldus gedane vordering geen legitimatie kon tonen, ontstond op dat moment een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van artikel 447e, zodat [eiser] niet geacht kan worden onrechtmatig te zijn aangehouden.

3.4. Voor zover [eiser] nog heeft beoogd te stellen dat zijn aanhouding onrechtmatig was omdat hij voorafgaand aan die aanhouding is staande gehouden terwijl hij geen verdachte was, treft dit betoog geen doel. Weliswaar is in het proces-verbaal vermeld dat [eiser] is "staande gehouden" teneinde zich te legitimeren, maar op voorhand is niet zonder meer aannemelijk dat hiermee het strafvorderlijk dwangmiddel in de zin van artikel 52 Sv is bedoeld, dan wel dat dit dwangmiddel feitelijk geacht moet worden te zijn toegepast. Er is hierbij immers geen sprake geweest van tegenhouden, vastpakken of het anderszins inzetten van vrijheidsbeperkende dwangmiddelen die alleen op een verdachte in de zin van artikel 27 Sv mogen worden toegepast. Zoals hiervoor reeds overwogen, was, naar voorlopig oordeel, de politie bevoegd tot het vorderen van inzage in het legitimatiebewijs van [eiser] en aan de uitvoering van deze vorderingsbevoegdheid en de daaraan gekoppelde identificatieplicht moet inherent worden geacht de bevoegdheid van desbetreffende politiebeambte hem feitelijk staande te houden, anders dan op basis van artikel 52 Sv.

3.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen zullen worden afgewezen.

3.6. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.067,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 251,-- aan griffierecht.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.G.M. van Rens en uitgesproken ter openbare zitting van 13 juli 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.