Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9756

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-07-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
09/535748-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in de periode van 1995 tot 1999 zeer ernstige en vergaande ontuchtige handelingen gepleegd met het slachtoffer, terwijl die handelingen mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Het slachtoffer was dertien jaar toen de seksuele contacten begonnen. Verdachte nam het slachtoffer] in de weekenden en gedurende de vakanties mee op zijn zeilboot, alwaar de seksuele contacten plaatsvonden. Verdachte was bevriend met de ouders van het slachtoffer. Zij hebben erop vertrouwd dat verdachte op de boottochten goed voor hem zou zorgen.

Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen en van het overwicht dat hij als volwassene op deze jongen had, maar hij heeft tevens ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en is daarbij geheel voorbijgegaan aan de psychische gevolgen van zijn handelwijze voor deze jongen.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 6.841,40 ten behoeve van het slachtoffer.

De bewezenverklaarde ontuchtige handelingen hebben zich weliswaar onder meer op de boot van verdachte voorgedaan, doch niet gezegd kan worden dat deze boot daarmee door verdachte tot het plegen van deze ontuchtige handelingen is aangewend. De rechtbank acht de boot dan ook niet vatbaar voor verbeurdverklaring.

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 245 (oud) en 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 10 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/535748-06

's-Gravenhage, 9 juli 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1939],

adres: [adres]

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 30 maart 2007 en 25 juni 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. G.Th.J. Bos, advocaat te Leiderdorp, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. R.R. Knobbout heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem onder 1 primair en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden dat verdachte

- alle aanwijzingen van de reclassering zal opvolgen, ook als dat inhoudt een behandeling of begeleiding en onderzoek bij De Waag en/of een psychiater;

- zich niet zonder supervisie zal ophouden met kinderen (in welke vorm dan ook);

- niet zal zoeken of kijken naar kinderpornografisch beeldmateriaal;

- geen contact zal zoeken met kinderen (op welke wijze dan ook);

- de reclassering in staat stelt de nakoming van de voorwaarden te controleren, zonodig ook in de woning van verdachte en/of in zijn computer.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [P.]. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 6.841,40, subsidiair 136 dagen hechtenis ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

De officier van justitie heeft tot slot gevorderd dat het blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerp zal worden verbeurdverklaard.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Aan verdachte is primair telastgelegd dat hij in of omstreeks de periode 6 maart 1995 tot en met 31 december 2000 [P.] – hierna: aangever - heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangever. Met de in de dagvaarding gebruikte bewoordingen is aangesloten bij de bewoordingen van het bepaalde in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (oud). Naar normaal spraakgebruik gaat het dan om de vraag of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verkrachting van aangever.

Verkrachting vereist in juridische zin aanwezigheid van dwang tot het ondergaan van handelingen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Vaststaat dat seksuele handelingen tussen verdachte en de aangever hebben plaatsgevonden en dat deze mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer. Immers, op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan, dat verdachte zijn penis in de mond van het slachtoffer heeft gebracht.

Vervolgens rijst de vraag of verdachte is gedwongen tot het ondergaan van deze seksuele handelingen.

Tussen verdachte en de aangever bestaat een aanzienlijk leeftijdsverschil, te weten bijna vierenveertig jaar.

De aangever heeft verklaard, dat hij ieder weekend met verdachte ging zeilen op diens boot. Hij sliep dan op een bank in de kajuit. Verdachte kwam dan bij de aangever liggen, waarna veelal de seksuele handelingen plaatsvonden. Aangever verklaart dat hij wel eens heeft geprobeerd verdachte weg te duwen maar verdachte was gewoon sterker. Verder verklaart aangever dat verdachte weliswaar het initiatief nam tot allerlei seksuele handelingen, maar dat hij niet werd gedwongen. Ook verdachte heeft verklaard, de aangever niet met geweld of een bedreiging met geweld te hebben gedwongen tot het ondergaan van de tenlastegelegde handelingen.

Geweld dan wel bedreiging met geweld is dan ook niet komen vast te staan. Resteert de vraag of verdachte door een feitelijkheid dan wel bedreiging met een feitelijkheid de aangever heeft gedwongen tot het ondergaan van de primair tenlastegelegde handelingen.

De aangever bleef bij verdachte komen omdat hij zo graag zeilde. Hij verklaart dat, indien zijn ouders op de hoogte zouden zijn van hetgeen zich op seksueel gebied tussen verdachte en aangever afspeelde, zij geen toestemming meer zouden geven om met verdachte te gaan zeilen.

De rechtbank acht het aannemelijk dat de aangever druk van de zijde van verdachte heeft ervaren ten gevolge waarvan hij de seksuele handelingen heeft ondergaan, allereerst veroorzaakt door het leeftijdsverschil en aanvankelijk ook door het fysieke overwicht en voorts door een geestelijke overwicht van verdachte. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze druk niet zodanig was, dat de aangever zich niet aan bepaalde handelingen kon onttrekken en niet anders kon dan zich aan die handelingen overgeven. Dit blijkt ook uit de verklaring van aangever die stelt dat de seksuele handelingen weliswaar meestal tegen zijn wil plaatsvonden, maar ook dat verdachte hem niet heeft gedwongen en tevens dat, als de aangever een seksuele handeling echt niet wilde verrichten of toelaten, dit ook niet gebeurde. De omstandigheid dat verdachte bang was, niet meer te mogen zeilen, werd ingegeven door een inschatting van aangever van de houding van zijn ouders daaromtrent en niet door een zodanige dreiging door verdachte.

De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de aangever is gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, zoals bedoeld in artikel 242 Sr.

Het bovenstaande brengt mee dat verdachte van het onder 1 primair telastgelegde zal worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de periode van 6 maart 1995 tot en met 6 maart 1999 zeer ernstige en vergaande ontuchtige handelingen gepleegd met [P.], terwijl die handelingen mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. [P.] was dertien jaar toen de seksuele contacten begonnen. Verdachte nam [P.] in de weekenden en gedurende de vakanties mee op zijn zeilboot, alwaar de seksuele contacten plaatsvonden. Verdachte was bevriend met de ouders van [P.]. Zij hebben erop vertrouwd dat verdachte op de boottochten goed voor hem zou zorgen.

Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen en van het overwicht dat hij als volwassene op deze jongen had, maar hij heeft tevens ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [P.] en is daarbij geheel voorbijgegaan aan de psychische gevolgen van zijn handelwijze voor deze jongen. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachtes handelen nog steeds ernstige psychische gevolgen heeft voor het slachtoffer.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland, Regio Den Haag, Unit Den Haag, d.d. 26 april 2007, opgemaakt door H.J.M. Blaisse, reclasseringswerker, en voor akkoord mede ondertekend door A. Botto, unitmanager.

Uit het rapport komt naar voren dat verdachte op de leefgebieden emoties, denkpatronen en gedrag problemen heeft. Zijn gedrag lijkt te worden ingegeven door zijn vermoedelijk aangeboren pedofiele geaardheid. Verdachte beseft dat en wil geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daad leggen bij het slachtoffer. De reclassering meent dat er een kans is dat verdachte vaardigheden kan aanleren en in staat moet zijn om zijn geaardheid te beheersen. Verdachte lijkt goed begeleidbaar te zijn en reclasseringstoezicht is hierdoor mogelijk. Binnen een reclasseringstoezicht lijkt intensief contact met verdachte noodzakelijk. Daarbij is het belangrijk dat verdachte direct na zijn detentie wordt geplaatst in de seniorengroep van "De Waag". De rapporteur adviseert om aan verdachte een lange voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt dat verdachte een psychotherapeutische behandeling bij "De Waag" moet volgen en/of andere door de reclassering noodzakelijk geachte trainingen moet volbrengen. De reclassering noemt daarnaast in haar rapport voorwaarden die zij wil koppelen aan een reclasseringstoezicht.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en zal bij het opleggen van de straf rekening houden met deze conclusie.

De vordering van de benadeelde partij.

[P.], wonende te [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 6.841,40.

Deze vordering is door de verdediging niet weersproken en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in de bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering toewijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 6.841,40 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [P.], voornoemd.

Overweging t.a.v. het inbeslaggenomen voorwerp.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen zeilboot zal worden verbeurdverklaard, nu de ontuchtige handelingen op deze zeilboot zijn gepleegd.

Kennelijk ziet de officier van justitie hier op toepassing van artikel 33a eerste lid sub c van het Wetboek van Strafrecht, alwaar wordt bepaald dat vatbaar voor verbeurdverklaring zijn: voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de onderhavige zeilboot niet kan worden aangemerkt als een instrument met behulp waarvan de onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde feiten zijn begaan. De bewezenverklaarde ontuchtige handelingen hebben zich weliswaar onder meer op deze boot voorgedaan, doch niet gezegd kan worden dat deze boot daarmee door verdachte tot het plegen van deze ontuchtige handelingen is aangewend. De rechtbank acht de boot dan ook niet vatbaar voor verbeurdverklaring.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 245 (oud) en 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 10 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

-alle aanwijzingen van de stichting reclassering Nederland, ressort Den Haag, zal opvolgen, ook als dat inhoudt een behandeling bij De Waag, zolang die instelling zulks nodig acht;

- zich niet zonder supervisie zal ophouden met kinderen (in welke vorm dan ook);

- niet zal zoeken, kijken of surfen op internet naar kinderpornografisch beeldmateriaal;

- geen contact zal zoeken met kinderen (op welke wijze dan ook);

- de reclassering in staat stelt de nakoming van de voorwaarden te (laten) controleren, zonodig ook in de woning van verdachte en/of in zijn computer;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 18 december 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 21 december 2006,

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [P.], wonende te [adres], een bedrag van € 6.841,40, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 6.841,40 ten behoeve van voornoemd slachtoffer;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 64 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

gelast de teruggave aan de verdachte van het blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 1, te weten: een zeilboot, type Grundel, kleur blauw;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. P.A.M. Hoek, voorzitter,

E.A. Mink en H.M. van Maurik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P. de Vroom, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2007.

Mr. H.M. van Maurik is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.