Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9743

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/6336 GGH
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de aanslag aan eiser heeft verzonden. Derhalve kan niet gezegd worden dat eiser in gebreke is gebleven het verschuldigde bedrag te betalen. Volgt herroeping van de in rekening gebrachte aanmaningskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1385
V-N 2007/53.29

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/6336 GGH

Uitspraakdatum: 30 mei 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Y.], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Y.], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 5 juli 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem in rekening gebrachte aanmaningskosten inzake de aanslag gemeentelijke belastingen 2006.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2007.

Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. E.J. Wilhelmy Damsté.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- herroept de in rekening gebrachte aanmaningskosten;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat de gemeente [Y.] het door eiser betaalde griffierecht van € 38 aan hem vergoedt.

2. Gronden

2.1. Met dagtekening 28 februari 2006 is aan eiser een aanslag gemeentelijke belastingen 2006 opgelegd. Verweerder stelt het aanslagbiljet aan eiser te hebben gezonden en niet als onbestelbaar retour te hebben ontvangen. Omdat betaling uitbleef is vervolgens met dag-tekening 22 mei 2006 een aanmaning aan eiser verzonden. De kosten van de aanmaning bedroegen € 6.

2.2. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de kosten van de aanmaning terecht aan eiser in rekening zijn gebracht, welke vraag door eiser ontkennend en door verweerder bevestigend wordt beantwoord.

2.3. Eiser heeft - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Hij heeft het aanslagbiljet nimmer ontvangen. Hij kan niet aansprakelijk worden gesteld voor het niet verzenden van de aanslag. Nadat hij de aanmaning heeft ontvangen is hij van het bestaan van de aanslag op de hoogte gekomen. Hij heeft toen onmiddellijk met verweerder contact opgenomen en een specificatie van het te betalen bedrag gevraagd. Voorts heeft hij na ontvangst van de specificatie de aanslag terstond betaald. De aanmaningskosten heeft hij niet betaald. Het is niet gebruikelijk dat bij een betalingsherinnering kosten in rekening worden gebracht. Even-min is het gebruikelijk dat een verhoging in stand wordt gelaten als de originele rekening pas later is verzonden en ontvangen. Verweerder treedt ook op andere gebieden niet klantvriendelijk op.

2.4. Vaststaat dat eiser het bedrag van de aanslag niet heeft betaald binnen twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet (artikel 250, eerste lid, van de Gemeentewet juncto artikel 9 van de Invorderingswet). Ingevolge artikel 11 van de Invorderingswet kan de Ontvanger, indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen deze termijn betaalt, hem aanmanen om alsnog binnen tien dagen na de dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de belastingplichtige anders door de middelen bij de wet bepaald tot betaling zal worden gedwongen.

2.5. Voor het in rekening brengen van kosten op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen, welke ook bij de invordering van gemeentelijke heffingen van toepassing is (hierna: de Kostenwet), geldt, gelet op onder meer het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1996, nr. 30 212, BNB 1996/249, als voorwaarde dat de belastingplichtige in de gelegenheid is geweest om van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen. Indien niet aan deze voorwaarde is voldaan, kan niet worden gezegd dat een belastingplichtige in gebreke is gebleven het verschuldigde te betalen (artikel 1 van de Kostenwet).

2.6. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Kostenwet kan het bezwaar- of beroepschrift niet zijn gegrond op de stelling dat het aanslagbiljet of de aanmaning niet is ontvangen. Blijkens haar wordingsgeschiedenis strekt deze bepaling er weliswaar toe - evenals artikel 17, derde lid, eerste volzin, van de Invorderingswet -het risico van het niet-ontvangen zijn van een aanslagbiljet of aanmaning te leggen bij de belastingplichtige, maar wordt in deze bepaling niet tevens van de belastingplichtige het bewijs verlangd van diens stelling dat het aanslagbiljet niet is verzonden of uitgereikt (vergelijk Hof Arnhem 25 mei 2004, nr. 03/01239, Belastingblad 2004/1146).

2.7. Eiser stelt niet alleen dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen, maar ook dat het aanslagbiljet niet op juiste wijze aan hem is verzonden of uitgereikt.

2.8. Op verweerder rust onder deze omstandigheden de last de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet te bewijzen. Met zijn verklaring dat het aanslagbiljet deel uitmaakte van het bestand dat de gemeente aan het printservicebureau heeft geleverd, dat de verzending van het aanslagbiljet op reguliere wijze heeft plaatsgevonden via TPG Post en dat het aanslagbiljet niet retour is ontvangen, maakt verweerder, tegenover de stellige ontkenning van de verzending van het biljet door eiser, niet aannemelijk dat het aanslagbiljet op juiste wijze aan eiser is toegezonden of uitgereikt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder zijn zo-even genoemde verklaring slechts heeft onderbouwd met een computeruitdraai van het bestand van het printservicebureau, welke uitdraai naam en adres van eiser bevat maar voor het overige geen informatie geeft over de (wijze van) verzending van het aanslagbiljet.

2.9. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat in dit geval is voldaan aan de voorwaarden voor het in rekening brengen van aanmaningskosten.

2.10. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

2.11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuurs-recht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 30 mei 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van F.J. Crabbendam, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.