Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9420

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
AWB 07/24427, 07/24428, 07/24429
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BB3101, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid minister

Ingevolge artikel 46, tweede lid, van de Grondwet treedt een staatssecretaris in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister. Op grond van het besluit van de minister van 22 maart 2007 (Stcrt. 4 april 2007, nr. 67, p. 14) is - voor zover van belang - de staatssecretaris vanaf 22 februari 2007 binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid meer in het bijzonder belast met aangelegenheden betreffende vreemdelingenzaken, telkens met inbegrip van de met de uitvoering van het beleid op dit terrein belaste organisatieonderdelen van het Ministerie van Justitie. Aangelegenheden betreffende de Rijkswet op het Nederlanderschap en de grensbewaking worden niet gerekend tot het voornoemde beleidsterrein.

Uit voornoemd besluit volgt dat de staatssecretaris bevoegd was een beslissing te nemen op de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De verantwoordelijkheid van de staatssecretaris dienaangaande laat echter, blijkens artikel 46, tweede lid, van de Grondwet de verantwoordelijkheid van verweerder onverlet. Gelet op de staatsrechtelijke positie van de staatssecretaris ten opzichte van de minister, was verweerder derhalve eveneens bevoegd het bestreden besluit te nemen.

Omrent de bevoegdheid tot het opleggen van een beschikking als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, overweegt de rechtbank dat deze is toegekend aan de ambtenaren genoemd in artikel 46 van de Vw 2000. Blijkens de wetsgeschiedenis - in samenhang met het hiervoor aangehaalde besluit van verweerder van 22 maart 2007 - oefenen zij deze bevoegdheid uit onder gezag van de minister (TK 1999-2000, 26732, nr. 3, m.b.t. de artikelen 44 en 46 van het wetsvoorstel, en nr. 7, p. 192, alsmede de artikelen 3, 4 en 4a van de Vw (oud)). Op grond van artikel 48, tweede lid, van de Vw 2000 kan de minister daartoe algemene en individuele aanwijzingen geven. Vanwege deze gezagsrelatie, merkt de rechtbank de minister ook ten aanzien van het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel als verweerder aan. Voor zover in het besluit tot afwijzing van de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is overwogen dat er aanleiding bestaat ten aanzien van eiser de opgelegde maatregel voort te zetten, merkt de rechtbank deze passage aan als een individuele aanwijzing. Deze aanwijzing ligt, als motivering voor het voortduren van de maatregel, ter toetsing voor in het beroep tegen de oplegging en de voortduring van de maatregel.

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 46
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 6
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 46
Vreemdelingenwet 2000 48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/407

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

Uitspraak

artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en

artikel 8:70 van de Awb jo artikel 94 en artikel 106 van de Vw 2000

reg. nrs.:

AWB 07/24429 (voorlopige voorziening)

AWB 07/24428 (beroep asiel)

AWB 07/24427 (beroep vrijheidsontnemende maatregel)

V-nr.: 271.647.6092

inzake:

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1977, van Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende in het Uitzetcentrum Schiphol-Oost te Oude Meer, verzoeker/eiser, hierna te noemen: eiser,

gemachtigde: mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M.J. Pieters, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 8 juni 2007 is eiser op grond van artikel 3 van de Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.

2. Bij beroepschrift van 13 juni 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

3. Op 13 juni 2007 heeft eiser tevens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 juni 2007 waarbij de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van eiser achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

4. Het verzoek om een voorlopige voorziening, alsmede het beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, is behandeld ter zitting van 22 juni 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig J. Emma’s als tolk Pidgin. De rechtbank/voorzieningenrechter, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting geschorst in verband met onduidelijkheid omtrent de bevoegdheid van verweerder.

5. Bij brieven van 25 juni 2007 en 27 juni 2007 heeft verweerder een reactie gegeven op de mogelijke onbevoegdheid van verweerder. Bij brieven van 26 juni 2007 en 27 juni 2007 heeft eiser op de reactie van verweerder gereageerd.

6. Op 2 juli 2007 heeft de rechtbank, nadat beide partijen daartoe toestemming hebben verleend, het onderzoek zonder nadere zitting gesloten.

II. ASIELRELAAS

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.

Eiser behoort tot de Ibo-stam. Als gevolg van zijn afkomst heeft eiser veel problemen ondervonden. De markt waar eiser een winkel bezat is in 2005 en in 2006 gesloten naar aanleiding van problemen tussen de huurders en de verhuurders van de winkelpanden. Vervolgens is de winkel van eiser in maart 2007 geplunderd als gevolg waarvan hij de zaak heeft moeten sluiten. Bij de presidentsverkiezingen in april 2007 in Nigeria werd eiser gedwongen op een bepaalde kandidaat te stemmen. Toen eiser weigerde is hij gearresteerd en twee dagen vastgehouden op het politiebureau. Na de verkiezingen zijn de Haussa aan de macht gekomen, als gevolg waarvan eiser nog meer problemen vreest voor de toekomst. Naar aanleiding van de gebeurtenissen tijdens voornoemde verkiezingen heeft eiser besloten Nigeria te verlaten.

III. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep asiel:

1.1. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit niet bevoegd is genomen nu het niet is genomen door de Staatssecretaris van Justitie (de staatssecretaris), maar door de Minister van Justitie (de minister).

1.2 Verweerder heeft zich in zijn brief van 25 juni 2007 op het standpunt gesteld dat de minister bevoegd is het besluit houdende de afwijzing van de asielaanvraag te nemen. Op grond van artikel 46, tweede lid, van de Grondwet treedt de staatssecretaris slechts in de plaats van de minister voor zover deze dat nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen. De staatssecretaris is dan verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister. De minister blijft volgens verweerder verantwoordelijk en houdt de bevoegdheid beslissingen te nemen. De omstandigheid dat de staatssecretaris blijkens de taakomschrijving binnen de door de minister vastgestelde grenzen is belast met aangelegenheden betreffende vreemdelingenzaken, maakt dat niet anders en doet niet af aan de bepalingen van de Grondwet, aldus verweerder.

1.3. Ingevolge artikel 46, tweede lid, van de Grondwet treedt een staatssecretaris in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

1.4 Op grond van het besluit van de minister van 22 maart 2007 (Stcrt. 4 april 2007, nr. 67, p. 14) is - voor zover van belang - de staatssecretaris vanaf 22 februari 2007 binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid meer in het bijzonder belast met aangelegenheden betreffende vreemdelingenzaken, telkens met inbegrip van de met de uitvoering van het beleid op dit terrein belaste organisatieonderdelen van het Ministerie van Justitie. Aangelegenheden betreffende de Rijkswet op het Nederlanderschap en de grensbewaking worden niet gerekend tot het voornoemde beleidsterrein.

1.5 Uit voornoemd besluit volgt dat de staatssecretaris bevoegd was een beslissing te nemen op de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De verantwoordelijkheid van de staatssecretaris dienaangaande laat echter, blijkens artikel 46, tweede lid, van de Grondwet de verantwoordelijkheid van verweerder onverlet. Gelet op de staatsrechtelijke positie van de staatssecretaris ten opzichte van de minister, was verweerder derhalve eveneens bevoegd het bestreden besluit te nemen.

2. Aan de orde is voorts de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten wordt geschorst.

3. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de rechtbank na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Eiser is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

4. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 procesuren. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht

nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen.

5.1 Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

5.2 Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

5.3. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

6.1 Het beroep is onder meer gericht tegen het standpunt van verweerder dat eiser verwijtbaar geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas.

6.2 Eiser heeft aangevoerd dat hij wel documenten ter staving van zijn reisroute heeft overgelegd, evenals kopieën van documenten ter staving dan wel onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en asielrelaas. Eiser heeft weliswaar geen origineel paspoort overgelegd, dit is echter verschoonbaar. Eiser kon geen visum krijgen en was derhalve genoodzaakt om met een vals paspoort te reizen. Tevens heeft eiser voldoende meegewerkt ter vaststelling van zijn reisroute.

6.3 De rechtbank stelt vast dat de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser op zich niet door verweerder wordt betwist. Verweerder gelooft echter niet de vrees die eiser daaraan ontleent. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat als gevolg hiervan het tegenwerpen van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, niet relevant is voor de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Nu het het beroep in zoverre niet is gericht tegen een dragende motivering van het besluit, kan het beroep in zoverre – wat daar ook van zij – de rechtmatigheid van de afwijzende beslissing niet aantasten. De rechtbank zal daarom de beroepsgronden gericht tegen het tegenwerpen van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000 buiten beschouwing laten.

7.1 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser geloofwaardig worden geacht, maar dat het niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser vanwege de gestelde problemen te vrezen heeft voor vervolging in zijn land. Het wordt geloofwaardig geacht dat etnische afkomst een rol heeft gespeeld bij de problemen op de markt. Het is echter niet geloofwaardig dat eiser persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging vanwege zijn afkomst. Eiser en de andere winkeliers hebben getracht de problemen op te lossen met behulp van stamhoofden, autoriteiten en vakbonden. De omstandigheid dat de problemen niet helemaal in het voordeel van eiser zijn opgelost is onvoldoende om te concluderen dat eiser te vrezen heeft. Uit de verklaringen van eiser kan geenszins worden geconcludeerd dat de autoriteiten hem niet wilden of konden helpen. Bovendien heeft eiser zijn werk na drie maanden weer opgepakt en is het gestelde voor hem geen reden geweest om de marktplek dan wel het land te verlaten. De omstandigheid dat de winkel van eiser geplunderd is, is evenmin aanleiding om te concluderen dat eiser heeft te vrezen voor vervolging. Immers, niet is gebleken dat het een op de persoon van eiser gerichte actie betrof of dat er een verband is met zijn etnische afkomst. Hetzelfde geldt voor de problemen die eiser heeft gehad bij de verkiezingen in 2007. Het wordt weliswaar geloofwaardig geacht dat eiser door personen is gemaand op een bepaalde figuur te stemmen en dat hij vervolgens is vastgehouden. Het is echter niet geloofwaardig dat eiser hierdoor persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging van de zijde van de Hausa of andere groepen. De aanhouding bij de verkiezingen was blijkens de verklaringen van eiser namelijk willekeurig. Bovendien is eiser na twee dagen weer vrijgelaten en heeft hij vervolgens tot aan zijn vertrek geen problemen meer ondervonden. Concrete aanwijzingen dat eiser in de toekomst nog problemen zal ondervinden ontbreken in zijn relaas. Ook met de verklaring dat personen van de Haussa bevolkingsgroep de verkiezingen hebben gewonnen is niet geloofwaardig gemaakt dat eiser persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging van deze zijde. Hiertoe ontbreken aanknopingspunten in zijn relaas. Verder is bij dit oordeel van belang dat eiser tot de Ibo behoort, één van de grootste etnische groepen in Nigeria. De problemen die eiser in zijn relaas naar voren heeft gebracht zijn te herleiden tot de algemene situatie in zijn land van herkomst. De gestelde problemen zijn onvoldoende zwaarwegend om te concluderen tot vluchtelingschap. Van een op de persoon van eiser gerichte blijvende negatieve aandacht van de zijde van de autoriteiten, dan wel van andere etnische groepen zoals de Haussa en de Yoruba is niet gebleken. Uit het relaas van eiser blijkt voorts niet dat hij dusdanig is gediscrimineerd dat het voor hem onmogelijk is geweest om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat eiser primair niet geloofwaardig heeft gemaakt dat hij heeft te vrezen voor vervolging en dat het relaas subsidiair onvoldoende zwaarwegend wordt geacht voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap.

7.2 Eiser heeft aangevoerd dat hij redenen heeft te vrezen voor vervolging. In het verleden heeft eiser onder vervolging te lijden gehad als gevolg van zijn etnische afkomst en zijn religie en kon hij niet rekenen op bescherming van de autoriteiten. Eiser werd door overheidsmaatregelen verhinderd zijn werkzaamheden uit te voeren en moest heffingen betalen om zijn werkzaamheden te kunnen hervatten. Voorts is eiser door de politie verhinderd om zijn stem uit te brengen, heeft hij moeten vluchten voor aanvallen van moslims, is zijn bedrijf geplunderd en is zijn huis in brand gestoken en zijn de daders niet gearresteerd. Eiser meent dat de Haussa regering, die thans door fraude aan de macht is gekomen, hem zeker niet voor vervolging zal beschermen. Het ambtsbericht van Nigeria van maart 2007 is niet meer actueel aangezien dat van vóór de verkiezingen is. Eiser is wel degelijk dusdanig gediscrimineerd dat het voor hem onmogelijk was om sociaal en maatschappelijk te functioneren. Eiser is zijn woning en zijn werk kwijtgeraakt en heeft zijn stem niet kunnen uitbrengen. Eiser is in het verleden vervolgd en gediscrimineerd en de omstandigheden dat hij Christen en Ibo is, zijn voldoende zwaarwegende redenen om aan te nemen dat hij in de toekomst vervolging heeft te vrezen.

7.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser de aan zijn asielrelaas ontleende vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Hoewel aannemelijk is dat eiser problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn etnische afkomst, heeft verweerder zich op grond van hetgeen is overwogen in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat deze problemen zo zeer op de persoon van eiser gericht waren dat er een concreet vermoeden is dat eiser bij terugkeer in zijn land te vrezen heeft voor vervolging dan wel een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000.

7.4 Eiser heeft voorts geen concrete omstandigheden kunnen aanvoeren waaruit blijkt dat eiser na de verkiezingen, waarbij de Haussa aan de macht zijn gekomen, heeft te vrezen voor vervolging van de zijde van de nieuwe machthebbers. De aanhouding en detentie van eiser bij de verkiezingen is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft op grond van hetgeen door eiser in dit opzicht naar voren is gebracht geen aanleiding hoeven zien, nader onderzoek te (laten) doen naar de situatie sinds de verkiezingen en heeft zich bij het nemen van onderhavige beslissing in redelijkheid kunnen baseren op de informatie uit het ambtsbericht van Nigeria van maart 2007.

8. Uit het voorgaande volgt dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van eiser zal ongegrond worden verklaard. Dat brengt mee dat het verzoek om voorlopige voorziening bij gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

Ten aanzien van het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel:

9. Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 kan een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, die tegen ongeoorloofd vertrek kan worden beveiligd.

10. Omrent de bevoegdheid tot het opleggen van een beschikking als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, overweegt de rechtbank dat deze is toegekend aan de ambtenaren genoemd in artikel 46 van de Vw 2000. Blijkens de wetsgeschiedenis - in samenhang met het hiervoor aangehaalde besluit van verweerder van 22 maart 2007 - oefenen zij deze bevoegdheid uit onder gezag van de minister (TK 1999-2000, 26732, nr. 3, m.b.t. de artikelen 44 en 46 van het wetsvoorstel, en nr. 7, p. 192, alsmede de artikelen 3, 4 en 4a van de Vw (oud)). Op grond van artikel 48, tweede lid, van de Vw 2000 kan de minister daartoe algemene en individuele aanwijzingen geven. Vanwege deze gezagsrelatie, merkt de rechtbank de minister ook ten aanzien van het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel als verweerder aan. Voor zover in het besluit tot afwijzing van de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is overwogen dat er aanleiding bestaat ten aanzien van eiser de opgelegde maatregel voort te zetten, merkt de rechtbank deze passage aan als een individuele aanwijzing. Deze aanwijzing ligt, als motivering voor het voortduren van de maatregel, ter toetsing voor in het beroep tegen de oplegging en de voortduring van de maatregel.

11. Ter uitvoering van zijn aanwijzingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de Vw 2000 voert verweerder het beleid dat onder meer tot - voortzetting van - de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 wordt besloten indien de asielaanvraag binnen de AC-procedure is afgewezen.

12. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat verweerder - na afweging van alle bij de vrijheidsontnemende maatregel betrokken belangen - voornoemd beleid in het geval van eiser in redelijkheid niet heeft kunnen voeren. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 thans niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel niet heeft bestreden.

13. Ook het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is derhalve ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

In alle zaken:

14. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

IV. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 07/24428:

- verklaart het beroep ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 07/24429:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 07/24427:

- verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond;

- wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 3 juli 2007 door mr. S.M. Schothorst, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.L. van Leer, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier

De rechter

Afschrift verzonden op:

Conc.: ML

Coll:

D: B

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep ter zake van de asielaanvraag bedraagt één week.

De termijn voor het instellen van hoger beroep ter zake van de vrijheidsontnemende maatregel bedraagt eveneens één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.