Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9329

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
09/755151-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal en verduistering in dienstbetrekking. De verdachte, controller bij een stichting met verschillende zorglocaties, heeft zich schuldig gemaakt aan het wegnemen en het zich toe-eigenen van een bedrag van in totaal ruim € 260.000.- over een periode van ongeveer anderhalf jaar. Het geld behoorde toe aan de stichting. Uit hoofde van zijn functie had verdachte toegang tot de kluis waarin contant geld werd bewaard en hij beschikte over de pinpas van de stichting. Een deel van dat geld gebruikte hij om zijn gokverslaving te bekostigen en om luxe goederen aan te schaffen. Het geld is ook gebruikt voor vakanties van de verdachte en zijn partner. Contante gelden die hij meenam naar huis werden gebruikt voor huishoudelijke aankopen. Voldoende grond voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangensisstraf. De rechtbank neemt in verdachtes voordeel in overweging dat hij een betalingsregeling voor het totaalbedrag heeft getroffen met de stichting. Een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zou er vrijwel zeker toe leiden dat de verdachte deze maandelijkse betalingsverplichting niet meer zal kunnen nakomen hetgeen (opnieuw) financieel nadeel voor de stichting en haar bewoners zou opleveren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het maatschappelijk belang dat gediend is met de terugbetaling groter is dan het algemeen belang dat is gediend bij het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. Opgelegde straffen zijn gegrond op de artikelen 9,14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 310, 321, 322 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/755151-06

's-Gravenhage, 10 juli 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 26 juni 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. Heemskerk, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Steen heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het hem bij dagvaarding tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van 6 uren voor de in verzekering doorgebrachte tijd en een gevangenisstraf van 6 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarde het volgen van de aanwijzingen van de reclassering ook indien dat inhoudt behandeling bij de Polikliniek van het Circuit Verslavingszorg van Psycho Medisch Centrum Parnassia.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De officier van justitie heeft ervoor gekozen alle aan de verdachte verweten handelingen cumulatief als diefstal met een valse sleutel, oplichting en verduistering in dienstbetrekking tenlaste te leggen.

Ten aanzien van het niet afstorten van kasgelden is de rechtbank van oordeel dat dit verduistering oplevert, nu vaststaat dat de verdachte deze gelden uit hoofde van zijn functie reeds onder zich had. Dit laatste gegeven sluit een veroordeling wegens diefstal uit. Voorts is er met betrekking tot deze gelden geen sprake van een in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht genoemd middel om de Stichting [naam stichting] (verder aan te duiden als: de Stichting) te bewegen tot afgifte. Ten aanzien van deze gelden zal de rechtbank de verdachte dus vrijspreken van diefstal en oplichting.

Ten aanzien van het pinnen van contant geld en het doen van pinbetalingen voor de aankoop van diverse goederen is de rechtbank van oordeel dat het pinnen met de bankpas van de Stichting feitelijk neerkomt op het wederrechtelijk wegnemen van de door de verdachte aldus opgenomen gelden (contant dan wel ter betaling van bedoelde goederen) met het oogmerk om zich dat geld toe te eigenen. Nu de verdachte de bankpas van de Stichting rechtmatig onder zich had, levert dit steeds een "kale diefstal" op en geen diefstal door middel van een valse sleutel. Niet kan worden gesproken van oplichting ten aanzien van de Stichting omdat niet de Stichting doch de betreffende bank werd bewogen tot afgifte van de betreffende gelden. Ten aanzien van deze pinbetalingen zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van oplichting en verduistering.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het wegnemen en het zich toe-eigenen van een bedrag van in totaal ruim € 260.000.- over een periode van ongeveer anderhalf jaar. Een deel van dat geld gebruikte hij om zijn gokverslaving te bekostigen en om luxe goederen aan te schaffen, waaronder LCD-schermen, laptops en een digitale camera. Deze goederen werden thuis gebruikt of doorverkocht of er werd een gokschuld mee afgelost. Dit geld is ook gebruikt voor vakanties van de verdachte en zijn partner. Daarnaast nam de verdachte met regelmaat aan zijn werkgeefster toebehorende contante gelden mee naar huis. Deze werden gebruikt voor het doen van huishoudelijke aankopen. Dit geld werd in een envelop in een kast bewaard.

Al dit geld behoorde toe aan de Stichting [naam stichting] te [plaats], een stichting met verschillende zorglocaties. De verdachte had uit hoofde van zijn functie van controller toegang tot de kluis waarin contant geld werd bewaard en hij beschikte over de pinpas van de Stichting. Hij heeft gedurende die anderhalf jaar de opnames en betalingen weten te verhullen door gebruik te maken van zijn kennis als financieel administrateur en boekingen te doen op wanordelijke tussenrekeningen. Door contant geld uit de kluis niet af te storten bij de bank, contant geld op te nemen met de pinpas en met de pinpas betalingen te doen heeft de verdachte op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de Stichting in hem als controller had gesteld. Daarnaast heeft hij onder meer een ondergeschikte medewerker om de tuin geleid door tegen haar te liegen als zij hem met opmerkelijke transacties confronteerde. Daarmee heeft hij misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij in hem als hiërarchisch hogere mocht stellen. Juist in die functie had de verdachte de taak te waken over de juistheid van de financiële boekhouding. Door zo te handelen heeft de verdachte in het algemeen schade toegebracht aan het vertrouwen dat organisaties in hun financiële administrateurs moeten mogen stellen.

Dit alles vormt op zichzelf voldoende grond voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank neemt in verdachtes voordeel in overweging dat de verdachte een betalingsregeling voor het hierboven genoemde totaalbedrag heeft getroffen met de Stichting [naam stichting]. De verdachte zal tot 1 januari 2009 maandelijks € 750,- en daarna maandelijks € 1100,- aan de Stichting terugbetalen. De rechtbank hecht een zeer groot belang aan die terugbetalingen, niet alleen omdat de Stichting daar aanspraak op heeft, maar ook omdat hiermee in de zorg van bewoners van de zorgcentra kan worden voorzien. De verdachte heeft thans weer een baan waardoor hij in de gelegenheid is die betalingsverplichting na te komen. Een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zou er vrijwel zeker toe leiden dat de verdachte deze maandelijkse betalingsverplichting niet meer zal kunnen nakomen hetgeen (opnieuw) financieel nadeel voor de Stichting en haar bewoners zou opleveren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het maatschappelijk belang dat gediend is met de terugbetaling groter is dan het algemeen belang dat is gediend bij het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.

De rechtbank slaat voorts acht op het voorlichtingsrapport van Psycho-medisch Centrum Parnassia d.d. 28 februari 2007 opgesteld door G. Ingosi-Out, reclasseringswerker, betreffende de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte zich voor zijn verslavingsproblematiek onder behandeling heeft gesteld van Parnassia Verslavingszorg en vervolgens bij een psychiater van Parnassia. Tevens heeft hij Holland Casino verzocht hem de toegang tot het casino te ontzeggen. De kans op recidive wordt laag ingeschat. Ten aanzien van het gokken acht de reclasseringswerker het recidiverisico echter hoog en adviseert zij derhalve als bijzondere voorwaarde begeleiding door de Reclassering en voortzetting van de behandeling bij Parnassia Verslavingszorg. De rechtbank zal dit advies volgen.

Tot slot slaat de rechtbank acht op het uittreksel van de justitiële documentatie waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder veroordeeld is.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van de na te melden duur passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9,14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 310, 321, 322 van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding tenlastegelegde oplichting heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de overige bij dagvaarding tenlastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

(ten aanzien van de aankoop van goederen en pinopnames)

diefstal, meermalen gepleegd;

(ten aanzien van het zich toe-eigenen van contante geldbedragen afkomstig uit de kas)

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 (tweehonderd veertig) UREN;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag, zodat 234 uren resteren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 117 (honderd zeventien) DAGEN;

in verzekering gesteld op : 21 november 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 24 november 2006,

welke voorlopige hechtenis werd opgeschort met ingang van : 24 november 2006,

veroordeelt de verdachte voorts tot

een gevangenisstraf van 6 maanden;

bepaalt, dat die straf, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, ook als zulks inhoudt dat de veroordeelde zich laat behandelen door de sector justitiële verslavingszorg van psycho-medisch centrum Parnassia te 's-Gravenhage, zolang de Stichting Reclassering Nederlands zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Urbanus, voorzitter,

De Haan en Van Nooijen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Doornik, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juli 2007.