Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9024

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
KG 07/518
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser huurt van gedaagde een afmeerplaats voor een recreatiewoonboot en is voornemens de woonboot te verkopen. Hij vordert om gedaagde te veroordelen volledige medewerking te verlenen aan de overdracht van het recht op de ligplaats van de woonboot, middels het verlenen van een onbeperkt recht van overpad, alsmede alle verder benodigde medewerking te verlenen aan de overdracht van de woonboot, zodat de koper van de woonboot de ligplaats onder dezelfde voorwaarden kan gebruiken als eiser. Het gevorderde recht van overpad wordt door de voorzieningenrechter afgewezen. De gebruikelijke toegang tot de woonboot is met een boot vanaf de overkant van de vaart. Daarbij komt dat onvoldoende is gebleken dat eiser een recht van erfdienstbaarheid heeft. Wat betreft de vraag of gedaagde dient mee te werken aan de overdracht van de bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de afmeerpaats aan een nieuwe eigenaar van de woonboot, oordeelt de voorzieningenrechter dat vooralsnog niet is gebleken dat de partijen destijds hebben afgesproken dat de huurovereenkomst overdraagbaar zou zijn. Dit brengt met zich dat gedaagde in beginsel niet gehouden is zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van de huur van de afmeerplaats. Dat kan anders zijn indien de weigering van gedaagde om aan de overdracht van de huur van de afmeerplaats mee te werken, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Tegenover het belang van eiser om de woonboot voor een financieel betere prijs te kunnen verkopen staat het belang van gedaagde om ongestoord gebruik te kunnen maken van zijn eigendomsrecht. De genoemde belangen van partijen tegen elkaar afgewogen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands niet gebleken dat gedaagde in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar handelt door niet mee te werken aan de overdracht van de huur van de afmeerplaats. De vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van [nummer] juli 2007,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/518 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. C.J. Dreef,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. D.P. van Rijn-Marijnis.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 22 juni 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiser heeft in eigendom een recreatiewoonboot, welke is gelegen in de [vaart] te [plaats a], plaatselijk bekend [adres b] naast nummer [nummer c].

1.2. Gedaagde is eigenaar van de woonboerderij gelegen aan de [adres b] nummer [nummer c] te [plaats a], alsmede van de aangrenzende dijk waaraan de woonboot van eiser is afgemeerd. Die dijk biedt plaats aan vijf afmeerplaatsen voor woonboten, waarvan thans drie afmeerplaatsen worden gebruikt. Een van de aldaar afgemeerde woonboten behoort toe aan gedaagde en wordt door hem verhuurd. De woonboten aan de dijk zijn zowel via de grond van gedaagde, als via het water te bereiken.

1.3. In het thans onherroepelijk geworden vonnis van 15 augustus 2006 van de kantonrechter te [plaats] is de rechtsverhouding tussen partijen gekwalificeerd als een huurovereenkomst. Eiser huurt de afmeerplaats van gedaagde tegen een huurprijs van € 100,- per maand.

1.4. Eiser is voornemens om de woonboot te verkopen.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

Eiser vordert - zakelijk weergegeven - om gedaagde te veroordelen volledige medewerking te verlenen aan de overdracht van het recht op de ligplaats, middels het verlenen van een onbeperkt recht van overpad aan eiser, zijn vertegenwoordigers en zijn rechtsopvolgers, althans de (potentiële) koper(s) van de woonboot, alsmede alle verder benodigde medewerking te verlenen aan de overdracht van de woonboot, zodat de rechtsopvolgers van eiser, althans de koper(s) van voornoemde woonboot de bij de woonboot behorende ligplaats onder dezelfde voorwaarden kan/kunnen gebruiken als eiser, op straffe van een dwangsom.

Daartoe voert eiser het volgende aan.

In beginsel staat het gedaagde weliswaar vrij om niet opnieuw een ligplaatsovereenkomst met een nieuwe eigenaar van de woonboot af te sluiten, maar die vrijheid wordt beperkt door de afweging van de belangen van partijen naar redelijkheid en billijkheid.

Gezien de geldende gebruiken ter plaatse, de in 2004 geïnvesteerde kosten voor aansluiting van de woonboot op de riolering, het beleid van de gemeente [gemeente] ten aanzien van woonboten in de [vaart] en de omstandigheid dat de woonboot zonder afmeerplaats feitelijk geen waarde meer heeft, dient de afweging van de belangen van partijen, naar de mening van eiser, in zijn voordeel uit te vallen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraken van de voorzieningenrechter te 's-Gravenhage van 23 maart 1999, rolnummer KG 99/199 en 27 juni 2002, rolnummer KG 02/769.

Het aangevoerde privacybelang van gedaagde gaat niet op nu gedaagde ten tijde van het aankopen van de woonboerderij wist dat zijn privacy beperkt zou zijn door de aan de dijk afgemeerde woonboten. Bovendien heeft hij in 2006 aan een nieuwe woonbooteigenaar een ligplaats verstrekt.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eiser heeft na de mondelinge behandeling een drietal producties overgelegd, te weten: twee uitspraken waarnaar hij ter onderbouwing van zijn vordering verwezen had en een aan eiser gericht voorstel van een huurovereenkomst afkomstig van gedaagde. Het overleggen van die laatste productie is anders dan betreffende de andere twee producties ter zitting niet afgesproken en niet valt in te zien waarom die productie niet eerder in het geding kon worden gebracht. Daar komt nog bij dat de stelling die eiser daaraan koppelt, namelijk dat gedaagde de bedoeling had de huurovereenkomst overdraagbaar te maken, niet eerder door hem in de procedure naar voren is gebracht. Gedaagde heeft dan ook niet (behoorlijk) op die stelling kunnen reageren. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt met zich dat op die laatste productie geen acht kan worden geslagen.

3.2. Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat de woonboot van eiser goed te bereiken is via een boot vanaf de overkant van de [vaart] en dat eiser daar zelf veelvuldig gebruik van maakt of heeft gemaakt. In feite is zulks de gebruikelijke toegang tot de woonboot. Vanaf de woonboot is de openbare weg derhalve te bereiken via het water. Daar komt bij dat onvoldoende is gebleken dat eiser een recht van erfdienstbaarheid heeft. Het gevorderde recht van overpad zal daarom worden afgewezen.

3.3. Partijen houdt voorts verdeeld het antwoord op de vraag of gedaagde dient mee te werken aan de overdracht van de bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de afmeerplaats aan een nieuwe woonboot eigenaar. Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat de tussen partijen geldende huurovereenkomst een persoonlijk recht is en niet een overdraagbaar zakelijk recht. Dit verweer slaagt. De wettelijke huurbepalingen, neergelegd in boek 7 vierde titel van het Burgerlijk Wetboek, bieden geen mogelijkheid tot het geven van een onbeperkt recht van gebruik dat te vervreemden is. Vooralsnog is niet gebleken dat partijen destijds hebben afgesproken dat de huurovereenkomst overdraagbaar zou zijn. Dit brengt met zich dat gedaagde in beginsel niet gehouden is zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van de huur van de afmeerplaats.

3.4. Dat laatste kan anders zijn indien de weigering van gedaagde om aan de overdracht van de huur van de afmeerplaats mee te werken, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Tegenover het belang van eiser om de woonboot voor een financieel betere prijs te kunnen verkopen staat het belang van gedaagde om ongestoord gebruik te kunnen maken van zijn eigendomsrecht. De belangen van partijen worden als volgt gewogen.

3.5. Eiser heeft betoogd dat gedaagde ten tijde van de aankoop van de woonboerderij wist dat zijn privacy beperkt zou blijven door de aanwezigheid van afgemeerde woonboten aan zijn dijk. Dit betoog wordt niet gevolgd. Dat gedaagde wist van de aanwezigheid van de woonboten aan zijn dijk laat onverlet dat huurovereenkomsten op een gegeven moment (kunnen) eindigen en gedaagde dan de vrijheid heeft om vanuit privacyoverwegingen een andere invulling aan die dijk te geven. Een andere invulling kan zijn het niet opnieuw toestemming verlenen om een woonboot te laten afmeren. Dat gedaagde zijn privacybelang ook daadwerkelijk nastreeft blijkt wel uit de omstandigheid dat recentelijk een afmeerplaats niet opnieuw is verhuurd. Dat gedaagde in 2006 aan de gemeente, dan wel aan een nieuwe eigenaar, toestemming zou hebben gegeven voor het afmeren van een woonboot is vooralsnog niet aangetoond. Daarnaast worden slechts drie van de vijf afmeerplaatsen aan de dijk gebruikt, terwijl door eiser betoogd wordt dat er een tekort is aan afmeerplaatsen. Het gegeven dat de gemeente [gemeente] een ander (ontheffings)beleid nastreeft dan gedaagde, doet aan het voorgaande niet af. De gemeente heeft immers in haar brief van 13 december 2006 aan de advocaat van eiser laten weten dat naast de ontheffingsvergunning van de gemeente altijd de privaatrechtelijke toestemming van de grondeigenaar nodig is. Eiser heeft niet onderbouwd dat het geldende gebruik en beleid aan de dijk is, dat de huurovereenkomst wordt overgedragen aan de nieuwe woonbooteigenaar.

3.6. Het feit dat een woonboot inclusief afmeerplaats een hogere verkoopwaarde vertegenwoordigt dan een woonboot exclusief afmeerplaats, brengt nog niet met zich dat dit financiële belang dient te prevaleren boven het privacybelang. Daargelaten dat door eiser geen verkoopwaarde van de woonboot met afmeerplaats is genoemd, is onvoldoende onderbouwd wat de daadwerkelijke waardedaling van de woonboot zou zijn indien deze niet beschikt over een afmeerplaats. Daar komt nog bij dat tijdens de mondelinge behandeling door eiser is aangegeven dat het moeilijk zal zijn om een nieuwe afmeerplaats te vinden, maar dat dit niet onmogelijk zal zijn. Niet uitgesloten is dan ook dat een nieuwe afmeerplaats voor de woonboot zou kunnen worden gevonden.

Daarnaast is niet vast komen te staan wie de kosten van aansluiting van de woonboot op de riolering in 2004 heeft gedragen. In het beperkte kader van deze procedure is geen plaats voor verdere bewijslevering zoals het doen horen van getuigen of het overleggen van nota's.

3.7. De stelling van eiser dat gedaagde zelf een woonboot verhuurt en daarom geen beroep toekomt op het privacybelang, treft evenmin doel. Gedaagde heeft onweersproken gesteld dat de desbetreffende woonboot onderdeel uitmaakte van de aankoop van de woonboerderij. Hij was derhalve gehouden de bestaande huurovereenkomst te respecteren. Gesteld noch gebleken is dat gedaagde na aankoop van de woonboerderij een nieuwe huurder in de woonboot heeft geaccepteerd of van plan is te accepteren.

3.8. De genoemde belangen van partijen tegen elkaar afgewogen is voorshands niet gebleken dat gedaagde in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar handelt door niet mee te werken aan de overdracht van de huur van de afmeerplaats. De verwijzing naar de uitspraken van de voorzieningenrechter te 's-Gravenhage maakt dit voorlopig oordeel niet anders. De feiten en omstandigheden in die uitspraken verschillen op essentiële punten met die in de onderhavige zaak. Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen zullen worden afgewezen.

3.9. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.067,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 251,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 4 juli 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

nve