Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8792

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-06-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
AWB 07 / 21979
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijheidsontnemende maatregel / artikel 6 van de Vw 2000 / artikel 13, derde lid, van de Schengengrenscode

Eiser stelt dat de toegangsweigering niet voldoet aan de criteria van artikel 13, derde lid, van de EG verordening nr 562/2006 ofwel de Schengengrenscode (SGC). Aangezien de SGC dwingend recht is, is eiser hierdoor in zijn belang geschaad. Daarom is de aan eiser op basis van die toegangsweigering opgelegde vrijheidsontnemende maatregel vanaf de oplegging daarvan onrechtmatig. Rechtbank: artikel 13, derde lid SGC ziet slechts op de toegangsweigering aangezien over vrijheidsontnemende maatregelen niets is vermeld, noch in dit noch in enig ander artikel van de SGC. De rechtbank ziet geen aanleiding artikel 13, derde lid, SGC van overeenkomstige toepassing te achten op de oplegging van de maatregel ex artikel 6 Vw. De aangevoerde beroepsgrond kan niet aan de orde worden gesteld in de onderhavige artikel 6 procedure. Eiser kan in het kader van administratief beroep op grond van artikel 77 eerste lid, Vw gericht tegen de toegangsweigering voormelde beroepsgrond aan de orde stellen. Van deze rechtsgang heeft eiser (nog) geen gebruik gemaakt, zodat vooralsnog van de rechtmatigheid van de toegangsweigering moet worden uitgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 07 / 21979

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 juni 2007

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Braziliaanse nationaliteit, verblijvende in het Detentiecentrum Schiphol-Oost,

eiser,

raadsvrouw: mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.L. van Riel, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 13 mei 2007 aan eiser op grond van artikel 3 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluit van diezelfde datum aan hem op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

1.2 Eiser heeft tegen de maatregel op 25 mei 2007 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 4 juni 2007. Eiser is in persoon verschenen, namens zijn raadsvrouw bijgestaan door mr. M.H.K. Middelkoop, advocaat te Haarlem. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw het beroep gegrond.

2.2 Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

2.3 Namens eiser is - samengevat - het volgende aangevoerd. De toegangsweigering aan eiser voldoet niet aan de criteria van artikel 13, derde lid, van de EG verordening nr. 562/2006 ofwel de Schengengrenscode (verder: de SGC). Aan eiser is geen folder uitgereikt waarin informatie wordt gegeven over de contactpunten die informatie kunnen verschaffen over de wettelijke vertegenwoordigers die namens eiser kunnen optreden. Weliswaar zijn aan eiser een ‘Legal Remedies Brochure’ en de Brochure on Section 6 of the Aliens Act 2000’ uitgereikt maar deze brochures wordt niet de informatie gegeven die ingevolge artikel 13, derde lid, van de SGC bij de toegangsweigering is vereist. Aangezien de SGC dwingend is in al zijn onderdelen, is eiser door deze omissie in zijn belang geschaad. Daarom is de aan eiser op basis van die toegangsweigering opgelegde vrijheidsontnemende maatregel vanaf de oplegging daarvan onrechtmatig. In dit kader heeft eiser verwezen naar de uitspraak van 31 mei 2007 (AWB 07/20125) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, waarin onder meer het volgende is overwogen: "Artikel 13 van de SGC bevat voorschriften ingeval een onderdaan van een derde land de toegang wordt geweigerd. Over de vrijheidsbenemende maatregelen wordt niet met zoveel woorden gesproken, noch in dit noch in een ander artikel van de SGC. Voor zover vrijheidsbenemende maatregelen, zoals die van artikel 6 Vw, voortvloeien uit de toegangsweigering, dient de bepaling van artikel 13, derde lid, van de SGC in ruime zin gelezen te worden en wel zodanig als mede betrekking hebbende op de uit de toegangsweigering voortvloeiende vrijheidsbenemende maatregelen".

2.4 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser met de combinatie van de twee zich in het dossier bevindende folders ‘Legal Remedies Brochure’ en de 'Brochure on Section 6 of the Aliens Act 2000', die hem bij oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel zijn uitgereikt, voldoende op de door hem tegen deze maatregel in te stellen rechtsmiddelen is gewezen. De vraag of eiser conform de vereisten van artikel 13, derde lid, van de SGC met voormelde folders op zijn rechten is gewezen staat in de onderhavige procedure niet ter toetsing, aangezien dit artikellid enkel ziet op de toegangweigering, waartegen een andere rechtsgang openstaat, aldus verweerder.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 In artikel 13, derde lid, van de SGC is onder meer bepaald dat personen die de toegang wordt geweigerd, recht hebben daartegen beroep in te stellen en dat het beroep wordt ingesteld overeenkomstig de nationale wetgeving. Voorts is in dit artikellid bepaald dat de onderdaan van een derde land tevens schriftelijke informatie ontvangt over contactpunten die informatie kunnen verschaffen over wettelijke vertegenwoordigers die namens de betrokkene in overeenstemming met de nationale wetgeving kunnen optreden.

2.6 Naar het oordeel van de rechtbank ziet artikel 13, derde lid, van de SGC slechts op de toegangsweigering aangezien over vrijheidsontnemende maatregelen niets is vermeld, noch in dit noch in een enig ander artikel van de SGC. De rechtbank ziet geen aanleiding artikel 13, derde lid, SGC van overeenkomstige toepassing te achten op de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vw.

2.7 De thans aangevoerde beroepsgrond kan niet aan de orde worden gesteld in de onderhavige artikel 6 Vw procedure. Eiser kan in het kader van een administratief beroep op grond van artikel 77, eerste lid, Vw gericht tegen de toegangsweigering de thans aangevoerde beroepsgrond aan te orde stellen. Van deze rechtsgang heeft eiser (nog) geen gebruik gemaakt, zodat vooralsnog van de rechtmatigheid van de beslissing tot toegangsweigering moet worden uitgegaan. 2.8 De rechtbank ziet ook overigens geen grond voor het oordeel, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.9 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.10 De rechtbank zal het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding afwijzen, omdat zij de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel niet zal bevelen.

2.11 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte kosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, en op 7 juni 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.A. van der Meijden, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.