Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8765

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/62883
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Iran / Christenen / art. 1F Vlv / art. 3 EVRM / ongewenstverklaring / mensensmokkel

Eiser is afkomstig uit Iran en is bekeerd tot het christendom. Eiser is in Nederland veroordeeld wegens mensensmokkel. Op grond van deze veroordeling heeft verweerder aan eiser artikel 1F, onder b, Vlv tegengeworpen. Tevens is eiser ongewenst verklaard. De rechtbank is van oordeel dat eiser, ondanks het besluit tot ongewenstverklaring van 20 december 2006, belang heeft bij de beoordeling van onderhavig beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Anders dan in de door verweerder aangehaalde uitspraak van de AbRS van 6 juli 2006 is eiser ongewenst verklaard in het belang van de internationale betrekking als bedoeld in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, Vw. Op grond van het beleid bestaat een direct oorzakelijk verband tussen de tegenwerping van artikel 1F van het Vlv in de procedure tot verkrijging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en de ongewenstverklaring van eiser. De tegenwerping van artikel 1F Vlv in het kader van het besluit naar aanleiding van de asielaanvraag gaat -ook in onderhavige procedure- aan het besluit tot ongewenstverklaring vooraf. Indien de tegenwerping van artikel 1F van het Vlv in het bestreden besluit niet in rechte wordt beoordeeld, zal het besluit onaantastbaar worden en in de procedure waarbij eiser ongewenst is verklaard als vaststaand hebben te gelden. Voorts zal de tegenwerping van artikel 1F van het Vlv vanwege de asielgerelateerdheid ervan niet in een reguliere procedure inzake het besluit tot ongewenstverklaring kunnen worden getoetst. De onderhavige asielprocedure is naar het oordeel van de rechtbank derhalve de procedure waarin de tegenwerping van artikel 1F van het Vlv beoordeeld dient te worden. Eiser heeft derhalve procesbelang bij het onderhavige beroep. Niet in geschil is dat eiser is veroordeeld wegens mensensmokkel. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder echter niet dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig, niet-politiek misdrijf, begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten, zoals omschreven in artikel 1F, onder b, van het Vlv. Er is weliswaar sprake van een niet politiek misdrijf, maar uit het vonnis valt af te leiden dat eiser vanuit Nederland de gedragingen heeft verricht waarvoor hij is veroordeeld. Reeds hierom kan artikel 1F, onder b, van het Vlv niet aan eiser worden tegengeworpen, aangezien op grond van dit artikel is vereist dat het misdrijf moet zijn begaan buiten het land van toevlucht. Het beroep is dan ook gegrond en zal worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 67
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06/62883 BEPTDN

uitspraak van de meervoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken

d.d. 28 juni 2007

inzake

[eiser], geboren op [geboortedatum], van Iraanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. C.A.J.M. Snijders, advocaat te Boxtel

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. Ch. R. Vink , werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij beslissing van 20 december 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 11 januari 2001 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en eiser ongewenst verklaard conform artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft tegen voornoemd besluit beroep bij deze rechtbank ingesteld, voor zover het de afwijzing van de asielaanvraag betreft. Daarnaast heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 december 2006, voor zover het de ongewenstverklaring betreft.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 14 juni 2007, waar eiser in persoon is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 In geschil is of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.2 Eiser legt aan de aanvraag ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, omdat hij verdragsvluchteling is. Hij voert daartoe onder meer aan dat hij tijdens het vervullen van zijn militaire dienst heeft geweigerd op huizen van Koerdische burgers te schieten. Hij is vervolgens door de militaire rechtbank veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf en het betalen van een geldboete. Eiser heeft Iran verlaten omdat hij werd gezocht vanwege zijn bekering tot het christendom (pinkstergemeente). Eiser is op 3 oktober 1999 tijdens een identiteitscontrole gearresteerd en gevangengenomen. Hierbij zijn video’s en geluidscassettes gevonden met betrekking tot het Christendom. Op 6 december 1999 is eiser vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. Op 3 november 2000 is er na een bijeenkomst in de woning van eiser door de politie een huiszoeking verricht. Eiser is toen ontsnapt en heeft een week in een ander huis in Teheran ondergedoken gezeten. Vervolgens heeft eiser Iran verlaten.

2.3 Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. De aanvraag van eiser wordt afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw. Uit een uittreksel van de Centrale Justitiële Dienst van 23 januari 2006 blijkt dat eiser door de rechtbank te Middelburg onder meer op grond van artikel 197a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, welk vonnis op 25 augustus 2005 onherroepelijk is geworden. Eiser is veroordeeld wegens mensenmokkel. Dit misdrijf wordt door verweerder aangemerkt als een ernstig, absoluut niet-politiek misdrijf, zoals neergelegd in artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag (Vlv). De door de rechtbank opgelegde straf ziet weliswaar alleen op de in Nederland uitgevoerde handelingen, maar uit de uitspraak van de rechter en tevens uit andere bronnen is gebleken dat de gedragingen van eiser ook buiten Nederland hebben plaatsgevonden. Inherent aan mensenmokkel is dat de gedraging mensensmokkel grensoverschrijdend is en derhalve in meerdere landen plaatsvindt. Eiser heeft weliswaar in 2001 hier te lande een asielaanvraag ingediend, maar eiser heeft nimmer de status van vluchteling in Nederland gekregen. Derhalve is de conclusie gerechtvaardigd dat het genoemde artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vlv in onderhavig besluit terecht aan eiser wordt tegengeworpen. Mensensmokkel betreft een ernstig en niet-politiek misdrijf. Er is sprake van knowing en personal participation. Het moet voor eiser evident geweest zijn dat zijn gedraging een ernstig misdrijf betrof als bedoeld in artikel 1F van het Vlv. Nu artikel 1F Vlv op eiser van toepassing wordt geacht, wordt eiser niet gevolgd in zijn redenering dat hij vanwege zijn bekering tot het christendom in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op de grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dan wel artikel 3 van het Anti-Folterverdrag verzet zich niet duurzaam tegen eisers terugkeer naar Iran. Dit betekent dat het voornemen tot uitzetting blijft bestaan, doch niet zal worden geëffectueerd zolang bij terugkeer nog sprake is van een risico op schending van artikel 3 EVRM danwel artikel 3 van het Anti-Folterverdrag. Eiser komt voorts op grond van artikel 3.107 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) niet in aanmerking voor verblijf op één van de andere gronden als bedoeld in artikel 29 van de Vw. Gelet op de strikte scheiding tussen asiel en regulier wordt in deze asielaanvraag niet inhoudelijk ingegaan op het door eiser gedane beroep op artikel 8 van het EVRM.

2.4 Eiser bestrijdt dit besluit en voert daartegen aan dat verweerder ten onrechte artikel 1F onder b van het Vlv aan hem heeft tegengeworpen. Ten onrechte heeft verweerder geconcludeerd dat het delict ten aanzien waarvan artikel 1F onder b Vlv aan eiser wordt tegengeworpen, buiten Nederland of mede buiten Nederland heeft plaatsgevonden. Eiser heeft vanuit Nederland de gedragingen verricht waarvoor hij door de strafrechter is veroordeeld. Het enkele feit dat mensenhandel naar zijn aard grensoverschrijdend is, maakt nog niet dat eiser zelf een landsgrens heeft moeten overschrijden om aan de delictsomschrijving te voldoen. Reeds hierom kan artikel 1F onder b van het Vlv niet aan eiser worden tegengeworpen. Voorts verzet de aard van het delict zich tegen het toepassen van artikel 1F onder b, Vlv. Het delict waarvoor eiser is veroordeeld staat niet vermeld in C1/5.13.3.2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser is van oordeel dat het delict waarvoor hij is veroordeeld niet zodanig zwaar is of dergelijke grote gevolgen heeft gehad dat hem internationale bescherming mag worden onthouden. Er is volgens eiser geen sprake van knowing participation. Eiser in ten onrechte uitgesloten van het Vlv. Verweerder had eisers relaas inhoudelijk moeten beoordelen. Het Opiumwetdelict waarvoor eiser is veroordeeld is niet dusdanig ernstig dat hem op grond hiervan een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw, kan worden onthouden. De vaststelling van verweerder dat terugzending naar Iran zal leiden tot schending van artikel 3 EVRM moet leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning, nu sprake is van een duurzame schending van artikel 3 van het EVRM. Het besluit- en vertrekmoratorium voor Christenen uit Iran is verlengd tot 19 mei 2007. Verweerder dient te motiveren waarom de delicten niet opwegen tegen zijn belang bij een verblijfsvergunning in Nederland. Het besluit van 20 december 2006 is voorts onbevoegd genomen nu dit is ondertekend door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Sinds 14 december 2006 is deze bevoegdheid echter overgegaan op de Minister van Justitie. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank van 9 januari 2007, zittingsplaats Almelo (AWB 06/62324 en AWB 06/62323).

2.5 Verweerder heeft zich in het verweerschrift, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 6 juli 2006 (JV 2006/347) en 26 juli 2006 (JV 2006/352) op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, nu eiser, gedurende zijn ongewenstverklaring, geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 van de Vw kan hebben. Het beroep dient naar de mening van verweerder dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dat tevens ter zitting van de enkelvoudige kamer het verzoek dat connex is aan het bezwaar en het beroep wordt behandeld doet aan het vorenstaande niets af. Immers, wat de uitspraak van de voorzieningenrechter ook moge zijn, daarmee zal niet het belang ontstaan waardoor het beroep alsnog ontvankelijk wordt. Niet denkbaar is immers dat de voorzieningenrechter de beslissing tot ongewenstverklaring van 20 december 2006 zal vernietigen, nu hij daartoe niet de bevoegdheid heeft. Ook een eventuele schorsing van de werking van de ongewenstverklaring leidt niet tot procesbelang.

2.6 Ingevolge artikel 13 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien –voorzover hier van belang– internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2.7 Ingevolge artikel 29 Vw kan een verblijfsvergunning asiel –onder meer– worden verleend aan de vreemdeling die een verdragsvluchteling is, die aannemelijk heeft gemaakt gegronde redenen te hebben om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, of van wie in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst wegens klemmende redenen van humanitaire aard of voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van verweerder van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algemene situatie aldaar.

2.8 Ingevolge artikel 1A, onder 2, van het Vlv geldt voor de toepassing van dit verdrag als vluchteling elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.9 Ingevolge artikel 1F van het Vlv zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

(…)

b. hij een ernstig, niet politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

(…)

2.10 Ingevolge artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.11 Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vb wordt, indien artikel 1F van het Vlv aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 van die wet.

2.12 Ingevolge C1/5.13.3 van de Vc juncto B1/2.2.4 Vc wordt de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, tweede lid, sub k, Vw indien ten aanzien van de vreemdeling ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vlv.

2.13 Volgens C1/5.13.3.3. van de Vc is het aan de Staatssecretaris van Justitie om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1F Vlv valt.

Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vlv, wordt de “personal and knowing participation test” toegepast. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Onder persoonlijke deelname wordt daarbij niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van misdrijven, doch ook het door betrokkene direct faciliteren van de misdrijven, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Van een wezenlijke bijdrage is sprake, indien de bijdrage feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden, indien niemand de rol van betrokkene had vervuld, dan wel betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen. Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1F Vlv worden tegengeworpen, tenzij, aldus de Vc, de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering. De ‘personal and knowing participation test’ is in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikel 25 en 27 tot en met 33).

De rechtbank overweegt als volgt.

2.14 Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling van het voorliggende geschil kan worden toegekomen, dient de rechtbank (ambtshalve) te beoordelen of eiser nog procesbelang heeft bij de onderhavige procedure.

2.15 Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat eiser bij primair besluit van 20 december 2006, ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, Vw ongewenst is verklaard. Eiser heeft op 22 december 2006 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.16 Vaststaat dat ongewenstverklaring van eiser nog voortduurt.

2.17 De rechtbank is van oordeel dat eiser, ondanks het besluit tot ongewenstverklaring van 20 december 2006, belang heeft bij de beoordeling van onderhavig beroep tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.18 Anders dan in de door verweerder aangehaalde uitspraak van de AbRS is eiser ongewenst verklaard in het belang van de internationale betrekkingen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, Vw. In de Vc heeft verweerder beleidsregels over de toepassing van deze bepaling vastgesteld. In hoofdstuk A5 van de Vc is bepaald dat een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst kan worden verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen aan wie het verblijf is geweigerd dan wel van wie het verblijf is beëindigd op grond van artikel 1F van het Vlv. Derhalve bestaat op grond van het beleid een direct oorzakelijk verband tussen de tegenwerping van artikel 1F van het Vlv in de procedure tot verkrijging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en de ongewenstverklaring van eiser. De tegenwerping van artikel 1F Vlv in het kader van het besluit naar aanleiding van de asielaanvraag gaat -ook in de onderhavige procedure- aan het besluit tot ongewenstverklaring vooraf.

2.19 Indien de tegenwerping van artikel 1F van het Vlv in het bestreden besluit niet in rechte wordt beoordeeld, zal het besluit onaantastbaar worden en in de procedure waarbij eiser ongewenst is verklaard als vaststaand hebben te gelden. Voorts zal de tegenwerping van artikel 1F van het Vlv vanwege de asielgerelateerdheid ervan niet in de reguliere procedure inzake het besluit tot ongewenstverklaring kunnen worden getoetst. Het is immers vaste jurisprudentie van de AbRS dat asielgerelateerde argumenten niet in een reguliere procedure aan de orde kunnen worden gesteld. De onderhavige asielprocedure is naar het oordeel van de rechtbank derhalve de procedure waarin de tegenwerping van artikel 1F van het Vlv beoordeeld dient te worden. Eiser heeft derhalve procesbelang bij het onderhavige beroep.

2.20 Ten aanzien van eisers standpunt dat de bestreden beschikking onbevoegd is genomen, nu met ingang van 14 december 2006 de bevoegdheid om te beslissen op de door eiser ingediende aanvraag is overgegaan op de Minister van Justitie, verwijst deze rechtbank naar een uitspraak van de AbRS van 21 februari 2007 (LJN: AZ9593). De AbRS ziet in deze uitspraak aanleiding het gebrek dat aan dit besluit kleeft met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu gesteld noch gebleken is dat de vreemdelingen daardoor in hun belangen zijn. De rechtbank neemt de overwegingen van AbRS over en maakt die tot de hare nu de rechtbank ook hier vaststelt dat niet is gesteld, noch is gebleken dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad.

2.21 Vervolgens is tussen partijen in geschil of verweerder aan eiser een verblijfsvergunning ingevolge artikel 29 Vw heeft kunnen weigeren omdat eiser in verband wordt gebracht met gedragingen als bedoeld in artikel 1F, onder b, van het Vlv.

2.22 Niet in geschil is dat eiser op 10 augustus 2005 door de rechtbank te Middelburg onder meer op grond van artikel 197a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, welk vonnis onherroepelijk is geworden op 25 augustus 2005. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder echter niet dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig, niet-politiek misdrijf, begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten, zoals omschreven in artikel 1F, onder b, van het Vlv. Er is weliswaar sprake van een niet politiek misdrijf, maar uit het vonnis valt af te leiden dat eiser vanuit Nederland de gedragingen heeft verricht waarvoor hij is veroordeeld. Reeds hierom kan artikel 1F, onder b, van het Vlv niet aan eiser worden tegengeworpen, aangezien op grond van dit artikel is vereist dat het misdrijf moet zijn begaan buiten het land van toevlucht. Hieruit volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, Vw en het bepaalde in artikel 3.107 Vb in de weg staan aan inwilliging van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.23 Het beroep is dan ook gegrond. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.24 De overige gronden behoeven, gezien het voorgaande, dan ook geen bespreking meer.

2.25 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de aanvraag van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, moet voldoen;

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, voorzitter en de mrs. M. ter Brugge en A. Woltjer, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2007 in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons als griffier.

de griffier de rechter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, voorzover die betreft het beroep, binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Let wel: Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.