Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8657

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/35378
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet betrekken van overgelegde documenten / positieve overtuigingskracht asielrelaas / zorgvuldigheid / motivering

De rechtbank stelt vast dat verweerder het in kopie overgelegde vonnis van de Iraanse rechtbank heeft betrokken bij de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 maar niet bij zijn oordeel omtrent de positieve overtuigingskracht van het asielrelaas. Het overgelegde arrestatiebevel heeft verweerder slechts betrokken bij zijn oordeel omtrent de door eiser gestelde vrees voor vervolging dan wel schending van artikel 3 van het EVRM. Nu verweerder heeft nagelaten voornoemde stukken te betrekken bij de vraag naar de positieve overtuigingskracht van de door eiser in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten, is naar het oordeel van de rechtbank het bestreden besluit met onvoldoende zorgvuldigheid voorbereid en ontbeert het bestreden besluit om die reden op het punt van de geloofwaardigheid een (voldoende) kenbare en deugdelijke motivering. Daarbij neemt de rechtbank in overweging de aard van de documenten, die, vooral in samenhang beschouwd, mede van belang kunnen zijn voor de geloofwaardigheid van de door eiser naar voren gebrachte feiten op grond waarvan hij zijn vermoedens over wat hem te wachten staat bij terugkeer baseert. Dat het asielrelaas mogelijk op andere punten onjuistheden en/ of tegenstrijdigheden bevat kan aan voornoemd oordeel niet afdoen. Gelet op het voorgaande ontslaat het feit dat het vonnis slechts in kopie is overgelegd en het arrestatiebevel niet op authenticiteit kon worden onderzocht verweerder niet van voormelde verplichting. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/35378

V.nr.: 120.100.7239

inzake:

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1982, van Iraanse nationaliteit, eiser, gemachtigde: mr. B.P.J.M. Ficq, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Minster van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 23 september 2002 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 28 april 2006 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brieven van 7 juni 2006 en 8 juni 2006 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 27 juni 2006 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 20 juli 2006 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 17 augustus 2006. Op 11 september 2006 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 19 januari 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. ASIELRELAAS

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser vreest voor vervolging van de autoriteiten in zijn land van herkomst omdat hij zich niet aan de Islamitische gedrag- en regelgeving heeft gehouden en derhalve als politiek opposant wordt gezien. De Monkerat, een organisatie in Iran die toeziet op de naleving van de Islamitische gedrag- en regelgeving, heeft rond april 2000, met een huiszoekingbevel het ouderlijk huis van eiser en zijn broer doorzocht, aangezien het huis, volgens de Monkerat, een centrum voor verderfelijkheid en onzedelijkheid was. Bij de huiszoeking zijn onder meer verboden muziekcassettes van Iraanse zangers en zangeressen aangetroffen. Eiser en zijn broer hebben negen dagen vastgezeten en zijn in mei 2000 door de rechtbank van Hamedan veroordeeld tot 100 zweepslagen en het afleggen van een publiekelijke spijtbetuiging. Op 2 juli 2000 raakte eiser betrokken bij een vechtpartij waarbij een vriend van zijn broer een medewerker van de Monkerat, genaamd [naam medewerker], heeft neergestoken. [naam medewerker] is vervolgens in het ziekenhuis overleden. Eiser en zijn broer zijn ondergedoken, maar omdat de politie ze niet kon vinden heeft de politie hun vader gearresteerd, waarna eiser en zijn broer zich op 8 juli 2000 bij de politie hebben gemeld. Tot 18 juli 2000 hebben zij gevangen gezeten. Zij zijn vervolgens op borgtocht vrij gekomen. Hun vader heeft hiervoor onder andere zijn huis als borg afgegeven. In januari 2000 is eiser door de rechtbank veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en drie jaar verbanning naar de plaats [plaatsnaam]. Familieleden van Monkerat-medewerker [naam medewerker] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, omdat zij van mening waren dat eiser en zijn broer zwaarder moesten worden gestraft. Volgens hen zijn eiser en zijn broer antirevolutionairen die staatsvijandige activiteiten hebben verrichten hun zoon, die opkwam voor de belangen van het vaderland, hebben gedood. Het vonnis van de Hoge Raad is opgestuurd naar de advocaat van eiser en zijn broer, die hen vervolgens heeft medegedeeld dat er een opsporingsbevel en een vonnis inhoudende veroordeling tot de doodstraf tegen hen zijn uitgevaardigd. Vervolgens hebben eiser en zijn broer zo snel mogelijk een reisagent gezocht en hun land verlaten.

III. VOOR HET GEDING RELEVANTE GEGEVENS

Hiertoe behoren onder andere de volgende door eiser in de besluitvormingsfase overgelegde stukken: twee kopieën van de uitspraak van de Iraanse rechtbank waarbij eiser is veroordeeld tot gevangenisstraf en verbanning alsmede een arrestatiebevel gedateerd 30 juni 2004 betreffende eiser en zijn broer.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

2.2. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.3. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.4. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden hem niet is toe te rekenen.

3.1. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid het ontbreken van documenten, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, heeft kunnen tegenwerpen.

3.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd ter staving van zijn reisroute en zijn asielrelaas. Het is niet aannemelijk dat eiser geen enkel indicatief bewijs van zijn reisroute kan overleggen, noch in staat is om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven. Zo heeft eiser innerlijk tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het al dan niet in het bezit hebben (gehad) van (indicatieve) reisdocumenten. Bovendien is van belang dat - indien al geloofwaardig is dat de reisdocumenten in handen van de reisagent waren - eiser bij inreis de bescherming van de Nederlandse autoriteiten had dienen in te roepen. Voorts is het wat betreft het afleggen van een gedetailleerde verklaring van belang dat eiser geen Engels hoeft te verstaan of het Latijnse schrift machtig hoeft te zijn om tijdens een dergelijke reis die hij heeft afgelegd bijvoorbeeld het vluchtnummer dan wel de naam of het logo van de luchtvaartmaatschappij op te merken. Tevens heeft eiser in het eerste gehoor aangegeven een beetje Engels te spreken. Eiser heeft onvoldoende documenten ter staving van zijn asielrelaas overgelegd. Eiser heeft gesteld dat er naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad een doodvonnis is opgesteld, welk document niet is overgelegd. De verklaring van eiser dat het document zich in het huis van zijn ouders bevond en zijn ouders het huis hebben moeten verlaten, dient als onvoldoende van de hand te worden gewezen. Daarnaast heeft eiser ter onderbouwing van zijn veroordeling door de rechtbank twee, volgens hem identieke, kopieën overgelegd van de uitspraak van de rechtbank. Aangezien het kopieën zijn, kan daaraan niet de waarde worden gehecht die eiser eraan wenst te hechten. Des te meer nu de authenticiteit en de echtheid van de documenten niet kunnen worden onderzocht. Bovendien zijn de kopieën, in tegenstelling tot wat eiser stelt, niet identiek. Zo staan er onder meer verschillende data, dossiernummers en adressen op de twee uitspraken.

3.3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder hem niet in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft kunnen tegenwerpen. Ten aanzien van de reisroute voert eiser aan dat niet bestreden kan worden dat eiser per vliegtuig in Nederland is aangekomen. Hij heeft zich immers bij de hoofddoorlaatpost in het transfergebied gemeld. Voorts verstaat eiser geen Engels en is hij ook het Latijnse schrift niet machtig. Het is dan ook niet aan hem te wijten dat hij geen details over de vlucht kan geven. Ten aanzien van verweerders tegenwerping dat eiser de uitspraak van de Hoge Raad niet heeft overgelegd, voert eiser aan dat nu eiser en zijn broer zich niet aan de meldplicht hebben gehouden, het huis van hun ouders met alle zich daarin bevindende documenten, waaronder voornoemde uitspraak, in beslag is genomen. Zij hebben dus niet langer de mogelijkheid om te beschikken over de documenten die in dat huis liggen. Ten aanzien van de twee kopieën van de uitspraak van de rechtbank die zijn overgelegd, betoogt eiser dat er sprake is van twee verschillende vertalers. Bij de ene vertaling is uitgegaan van de christelijke jaartelling en bij de andere niet. Daarom verschillen de data en dossiernummers.

3.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid, en op grond van de hierboven weergegeven motivering, het ontbreken van reisdocumenten aan eiser heeft kunnen tegenwerpen. Gelet op de wijze waarop eiser heeft gereisd, onder meer per vliegtuig, heeft verweerder in redelijkheid van eiser kunnen verlangen dat hij de door hem gevolgde reisroute met documenten dan wel met gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen onderbouwt. Daaraan doet niet af de stelling van eiser dat hij de Engelse taal niet verstaat en het Latijnse schrift niet machtig is. De vaststelling dat reisdocumenten ontbreken, is reeds voldoende om artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, te kunnen tegenwerpen. Hetgeen overigens in beroep is aangevoerd ten aanzien van het ontbreken van documenten, behoeft dan ook in dit kader geen bespreking meer.

4.1. Als zich de omstandigheid voordoet, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, mogen in het relaas van de vreemdeling, om het geloofwaardig te achten, geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

4.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas geconcludeerd en heeft dat als volgt - kort weergegeven - gemotiveerd. Eiser en zijn broer hebben tegenstrijdig verklaard over de vechtpartij. Eiser heeft bevreemdingwekkende verklaringen afgelegd over het ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Iraanse rechtbank, mede gezien de door zijn broer overgelegde verklaringen op dit punt. In de zaak van de broer van eiser was ook een beroep gedaan op het arrestatiebevel van 30 juni 2004. Daarin is geconcludeerd dat met dat stuk niet is aangetoond dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging dan wel een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij terugkeer. Hetzelfde geldt voor eiser.

4.3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder in redelijkheid niet tot ongeloofwaardigheid van zijn asielrelaas heeft kunnen concluderen. Daartoe acht eiser van belang het door hem overgelegde arrestatiebevel van 30 juni 2004. Dit arrestatiebevel is door verweerder slechts bij de beoordeling of er sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM betrokken en niet bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Het arrestatiebevel bevestigt het doodvonnis en werpt, zeker in samenhang met de twee overgelegde kopieën van het vonnis van de rechtbank, die door verweerder eveneens niet bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas zijn betrokken, een heel nieuw licht op de geloofwaardigheid van het asielrelaas. In het bestreden besluit staat slechts vermeld dat een nieuwe asielaanvraag van de broer van eiser, waarbij het arrestatiebevel was overgelegd, op grond van artikel 4:6 van de Awb is afgewezen. Gelet op het feit dat er in het kader van artikel 4:6 van de Awb een heel ander toetsingskader wordt gebruikt, is de motivering waarom het arrestatiebevel niet kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas onbegrijpelijk. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat een aantal verklaringen van eiser en zijn broer niet met elkaar overeenkomen, merkt eiser op dat zij beiden erg lang zijn gehoord. Het feit dat eiser en zijn broer over bepaalde gebeurtenissen verschillend verklaren, leidt niet automatisch tot de conclusie dat daarom de verklaringen van eiser ongeloofwaardig zijn. Ten aanzien van de datum waarop hoger beroep is ingesteld, voert eiser aan dat het goed mogelijk is dat er een verschil zit in de datum waarop de uitspraak is gedaan en de bekendmaking ervan en dat het hoger beroep is ingesteld na de datum van bekendmaking.

4.4. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hetgeen ten aanzien van de geloofwaardigheid van het asielrelaas wordt opgemerkt in het bestreden besluit betreffende de afwijzing van de tweede asielaanvraag van de broer van eiser onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb (waarbij de broer van eiser hetzelfde arrestatiebevel heeft ingebracht als thans in de zaak van eiser is overgelegd), dient te worden aangemerkt als een opmerking ten overvloede. Desalniettemin onderbouwt het arrestatiebevel, nog los van de authenticiteit ervan, niet de door eiser gestelde veroordeling tot de doodstraf. Bovendien werpt het arrestatiebevel geen ander licht op, of geeft het een verklaring voor, de tegenstrijdige verklaringen die eiser en zijn broer hebben afgelegd omtrent hetgeen is voorgevallen in Iran en de bevreemdingwekkende verklaring van eiser over wanneer hij heeft vernomen dat er hoger beroep was ingesteld. Ten overvloede merkt verweerder op dat de authenticiteit van het arrestatiebevel niet kon worden vastgesteld vanwege het ontbreken van referentiemateriaal.

4.5. De rechtbank stelt vast dat verweerder het in kopie overgelegde vonnis van de Iraanse rechtbank heeft betrokken bij de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 maar niet bij zijn oordeel omtrent de positieve overtuigingskracht van het asielrelaas. Het overgelegde arrestatiebevel heeft verweerder slechts betrokken bij zijn oordeel omtrent de door eiser gestelde vrees voor vervolging dan wel schending van artikel 3 van het EVRM, zoals hiervoor onder 4.2. is vermeld. Nu verweerder heeft nagelaten voornoemde stukken te betrekken bij de vraag naar de positieve overtuigingskracht van de door eiser in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten, is naar het oordeel van de rechtbank het bestreden besluit met onvoldoende zorgvuldigheid voorbereid en ontbeert het bestreden besluit om die reden op het punt van de geloofwaardigheid een (voldoende) kenbare en deugdelijke motivering. Daarbij neemt de rechtbank in overweging de aard van de documenten, die, vooral in samenhang beschouwd, mede van belang kunnen zijn voor de geloofwaardigheid van de door eiser naar voren gebrachte feiten op grond waarvan hij zijn vermoedens over wat hem te wachten staat bij terugkeer baseert. Dat het asielrelaas mogelijk op andere punten onjuistheden en/of tegenstrijdigheden bevat kan aan voornoemd oordeel niet afdoen. Gelet op het voorgaande ontslaat het feit dat het vonnis slechts in kopie is overgelegd en het arrestatiebevel niet op authenticiteit kon worden onderzocht verweerder niet van voormelde verplichting.

5. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

6. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen overigens is aangevoerd geen bespreking meer.

7. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro ), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

Deze uitspraak is gedaan op 22 mei 2007 door mr. J. Jonkers, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.C.J. Lindeboom, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: SL

Coll: FW

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.