Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8610

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
Awb 06/656
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Wijziging beperking verblijfsvergunning regulier / niet tijdig, wel binnen redelijke termijn ingediend / middelenvereiste. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres haar aanvraag om wijziging van de aan haar reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verbonden beperking “verblijf bij echtgenoot ” in “verblijf bij partner” (niet zijnde de echtgenoot) niet tijdig als bedoeld in artikel 3.80 Vb 2000, maar wel binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 3.82 Vb 2000 heeft ingediend. Verweerder heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat de eerdere verblijfsvergunning van eiseres terecht met terugwerkende kracht tot 9 augustus 2003 was ingetrokken en eiseres de aanvraag eerst op 24 oktober 2003 heeft ingediend. Verweerder heeft voorts, gelet op het bepaalde in 3.81 Vb 2000, de door eiseres ingediende aanvraag om wijziging van de beperking “verblijf bij echtgenoot” in de beperking “verblijf bij partner” terecht aangemerkt als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder bij de toetsing aan artikel 3.22, eerste lid, Vb 2000 ten onrechte alleen het inkomen van partner (ook wel referent genoemd) heeft betrokken, en het inkomen van eiseres buiten beschouwing heeft gelaten. Zij meent dat aanleiding bestaat om het beleid inzake verlenging van een verblijfsvergunning analoog toe te passen en uit te gaan van het gezinsinkomen. Verweerder heeft te dien aanzien in het bestreden besluit overwogen dat op grond van artikel 3.22, eerste lid, Vb 2000 en het beleid in B2/2.11 Vc 2000 slechts de middelen van referent bij de toets aan het middelenvereiste kunnen worden meegerekend en dat het inkomen van eiseres in dit kader niet relevant is. De rechtbank stelt vast dat in de Nota van Toelichting op artikel 3.4 Vb 2000 wordt uitgegaan van de meest voorkomende situatie dat de aanvrager van de verblijfsvergunning zich nog in het buitenland bevindt, en de hoofdpersoon (de referent) logischerwijze de enige is die aan de in artikel 3.22 Vb 2000 gestelde voorwaarde kan voldoen. Een situatie zoals die waarin eiseres thans verkeert is niet kenbaar voorzien. Eiseres is immers van 9 augustus 2001 tot 9 augustus 2003 in het bezit geweest van een reguliere verblijfsvergunning en heeft sinds 15 december 2001 rechtmatig gewerkt en een inkomen verdiend. De ratio van de voorwaarde dat de hoofdpersoon over voldoende en duurzame middelen van bestaan beschikt is gelegen in het voorkomen van de situatie dat de vreemdeling en de hoofdpersoon die gezinsvorming of gezinshereniging beogen, een beroep doen op de openbare middelen. Tegen die achtergrond en gelet op het gegeven dat een situatie als deze niet is voorzien, kan verweerder niet zonder nadere motivering onverkort vasthouden aan de eis dat alleen de middelen van bestaan van referent een rol kunnen spelen bij de vaststelling of aan de voorwaarde van het duurzaam en zelfstandig beschikken over voldoende middelen van bestaan wordt voldaan. Gelet op het vorenstaande ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

regnr.: Awb 06/656

UITSPRAAK

inzake: [eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1978,

van Surinaamse nationaliteit,

IND dossiernummer 0001.14.6057,

gemachtigde: mr. J. van Koesveld, advocaat te Amersfoort,

eiseres;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

gemachtigde: mr. M.B.Y. Vet, ambtenaar ten departemente,

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 24 oktober 2003 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot wijziging van de aan haar reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verbonden beperking “verblijf bij echtgenoot [naam echtgenoot]” in “verblijf bij partner [naam]”.

Bij besluit van 15 maart 2005 heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf bij echtgenoot [naam]” met terugwerkende kracht tot 9 augustus 2003 ingetrokken en de aanvraag tot wijziging van de beperking niet ingewilligd.

Bij brief van 7 april 2005 is daartegen bezwaar gemaakt. Eiseres is op 22 september 2005 door een ambtelijke commissie gehoord. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 1 december 2005 ongegrond verklaard.

1.2 Bij brief van 27 december 2005 is daartegen beroep ingesteld. Het beroep is voorzien van gronden bij brief van 30 januari 2006. Op 6 juli 2006 zijn nadere stukken ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 Het beroep is ter zitting van 14 december 2006 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

1.4 De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een aantal vragen te beantwoorden. Verweerder heeft bij brief van 12 januari 2007 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De gemachtigde van eiseres heeft bij brieven van 26 januari 2007 hierop gereageerd.

Nadat partijen toestemming hebben verleend om het beroep zonder nadere zitting af te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2 Overwegingen

2.1 In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat het huwelijk van eiseres met [naam echtgenoot] blijkens haar eigen verklaring sinds begin augustus 2003 is ontwricht en dat zij vanaf die datum niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. De aan eiseres verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot [naam]’ is daarom met terugwerkende kracht tot 9 augustus 2003 ingetrokken.

Voorts bestaat geen verplichting om eiseres een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf bij partner [naam partner]’ te verlenen, nu niet aan alle toelatingsvoorwaarden wordt voldaan. Er bestaat evenmin aanleiding om met gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid de aanvraag van eiseres in te willigen. Ten slotte betekent de weigering om eiseres verblijf in Nederland toe te staan geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf bij echtgenoot [naam]”

2.2 Eiseres betoogt dat zij tijdig om wijziging van de aan de verblijfsvergunning verbonden beperking heeft verzocht, zodat verweerder de verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht heeft mogen intrekken.

Dat betoog faalt. De bevoegdheid van verweerder om een verblijfsvergunning in te trekken vloeit voort uit artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en staat los van de vraag of een aanvraag om wijziging van de beperking al of niet tijdig is ingediend.

Ten aanzien van de aanvraag om wijziging van de beperking in de beperking “verblijf bij [naam partner]”

2.3 Eiseres betoogt dat de aanvraag van 24 oktober 2003 tijdig is gedaan. Na de ontwrichting van het huwelijk met de heer [naam] heeft eiseres reeds in augustus 2003 contact opgenomen met de vreemdelingendienst, teneinde wijziging van de aan haar verblijfsvergunning verbonden beperking te bewerkstelligen. Eiseres heeft eerst in september 2003 tijdens een afspraak bij de vreemdelingendienst de benodigde formulieren ontvangen, waarna zij de aanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend.

Ingevolge artikel 3.80 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is de aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, tijdig ingediend, indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt, dan wel, indien deze later is ontvangen, indien de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend.

Ingevolge artikel 3.81 Vb 2000 wordt een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, met dien verstande dat de artikelen 3.71, 3.77, 3.78 en 3.79 Vb 2000 niet van toepassing zijn en de artikelen 3.86 en 3.87 Vb 2000 van overeenkomstige toepassing zijn.

In artikel 3.82 Vb 2000 is bepaald dat indien de niet tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, naar het oordeel van verweerder is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw 2000, of als Nederlander, is geëindigd, de artikelen 3.71, 3.77, 3.78 en 3.79 Vb 2000 niet van toepassing zijn en de artikelen 3.86 en 3.87 Vb 2000 van overeenkomstige toepassing zijn.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres haar aanvraag niet tijdig als bedoeld in artikel 3.80 Vb 2000, maar wel binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 3.82 Vb 2000 heeft ingediend. Verweerder heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat de eerdere verblijfsvergunning van eiseres terecht met terugwerkende kracht tot 9 augustus 2003 was ingetrokken en eiseres de aanvraag eerst op 24 oktober 2003 heeft ingediend. De stelling van eiseres dat zij zich reeds in augustus 2003 tot de vreemdelingendienst heeft gewend en aldaar in september 2003 een afspraak heeft gehad leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu eiseres niet in staat is gebleken om deze stelling te onderbouwen.

2.4 Verweerder heeft voorts, gelet op het bepaalde in 3.81 Vb 2000, de door eiseres ingediende aanvraag om wijziging van de beperking “verblijf bij echtgenoot [naam echtgenoot]” in de beperking “verblijf bij [naam partner]” terecht aangemerkt als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier.

2.5 Eiseres betoogt dat verweerder bij de toetsing aan artikel 3.22, eerste lid, Vb 2000 ten onrechte alleen het inkomen van [naam] heeft betrokken, en het inkomen van eiseres buiten beschouwing heeft gelaten. Zij meent dat aanleiding bestaat om het beleid inzake verlenging van een verblijfsvergunning analoog toe te passen en uit te gaan van het gezinsinkomen. Dit temeer omdat eiseres vanwege haar vaste inkomen zekerheid kan bieden dat zij noch haar partner en kind een beroep zullen moeten doen op de openbare kas.

Verweerder heeft te dien aanzien in het bestreden besluit overwogen dat op grond van artikel 3.22, eerste lid, Vb 2000 en het beleid in B2/2.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) slechts de middelen van referent [naam] bij de toets aan het middelenvereiste kunnen worden meegerekend en dat het inkomen van eiseres in dit kader niet relevant is.

In het vorenstaande heeft de rechtbank aanleiding gezien om de volgende vraag aan verweerder voor te leggen:

In artikel 3.81 Vb 2000 wordt niet voorzien in de situatie dat niet wordt verzocht om wijziging van de beperking zelf, maar om wijziging van de partner op wie die beperking ziet. Dientengevolge zou in een dergelijk geval voor de beantwoording van de vraag of aan het middelenvereiste wordt voldaan geen rekening mogen worden gehouden met het inkomen dat (in dit geval) [eiseres] zelfstandig en legaal in Nederland verwerft. De Nota van Toelichting wijst niet in die richting, en het beleid geeft geen duidelijkheid op dit punt. Kunt u aangeven of hier sprake is van een bewuste keuze van de wetgever, of van een door de wetgever kennelijk niet voorzien geval.

Verweerder heeft deze vraag als volgt beantwoord:

Verweerder stelt vast dat in deze een wijziging beperking is aangevraagd. Met de aanvraag stelt de vreemdeling het kader voor de besluitvorming. Voorts stelt verweerder onder verwijzing naar artikel 3.4 Vb alsmede de nota van toelichting daarop, dat de beperking van een aanvraag regulier verband houdt met het verblijfsdoel, en dat dit zowel ziet op het verblijfsdoel als ook op de bijzondere voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning voor dat verblijfsdoel wordt verleend. De beperking omvat derhalve meer dan slechts de korte aanduiding, die in het eerste lid van artikel 3.4 Vb is gegeven of op het aan de vreemdeling af te geven verblijfsdocument staat vermeld. In onderhavig geval betekent dit dat alhoewel de gevraagde wijziging niet ziet op een andere beperking als zodanig, deze wel dient te worden aangemerkt als een wijziging van de beperking, nu de bijzondere voorwaarde, namelijk het verblijf bij de voormalig echtgenoot de heer [naam] niet meer is gewenst en [eiseres] nu verblijf bij de heer [naam] beoogt. Derhalve is het geval als onderhavige door de wetgever wel voorzien en verwoord in de artikelen 3.4 jo. 3.81 Vb.

De rechtbank stelt vast dat in de Nota van Toelichting op artikel 3.4 Vb 2000 wordt uitgegaan van de meest voorkomende situatie dat de aanvrager van de verblijfsvergunning zich nog in het buitenland bevindt, en de hoofdpersoon (de referent) logischerwijze de enige is die aan de in artikel 3.22 Vb 2000 gestelde voorwaarde kan voldoen. Anders dan verweerder stelt is een situatie zoals die waarin eiseres thans verkeert niet kenbaar voorzien. Eiseres is immers, en zulks wordt door verweerder ook niet bestreden, van 9 augustus 2001 tot 9 augustus 2003 in het bezit geweest van een reguliere verblijfsvergunning en heeft sinds 15 december 2001 rechtmatig gewerkt en een inkomen verdiend.

De ratio van de voorwaarde dat de hoofdpersoon over voldoende en duurzame middelen van bestaan beschikt is – zoals verweerder ook niet heeft betwist - gelegen in het voorkomen van de situatie dat de vreemdeling en de hoofdpersoon die gezinsvorming of gezinshereniging beogen, een beroep doen op de openbare middelen. Tegen die achtergrond en gelet op het gegeven dat een situatie als deze niet is voorzien, kan verweerder niet zonder nadere motivering onverkort vasthouden aan de eis dat alleen de middelen van bestaan van referent / hoofdpersoon [naam] een rol kunnen spelen bij de vaststelling of aan de voorwaarde van het duurzaam en zelfstandig beschikken over voldoende middelen van bestaan wordt voldaan.

2.6 Gelet op het vorenstaande ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is daarom gegrond.

2.7 Er bestaat aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting; waarde per punt € 322,--; wegingsfactor 1).

Ingevolge artikel 8:75, derde lid, Awb wordt de Staat der Nederlanden aangewezen als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

3 BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 1 december 2005;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te geven met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het griffierecht ad € 138,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman in tegenwoordigheid van H. Blekkenhorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: