Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8538

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/51582
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning / toetsing aan artikel 3 EVRM / medische situatie

Verweerder heeft de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken, nu eiser bij zijn asielaanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn etniciteit en herkomst. Eiser is niet zoals bij zijn asielaanvraag gesteld afkomstig uit Soedan, maar uit Nigeria. Eiser heeft dit erkend, doch is het desondanks niet eens met de intrekking, nu verweerder ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of de intrekking een schending van artikel 3 EVRM oplevert. In dit verband heeft eiser onbetwist aangevoerd dat hij lijdt aan de ziekte AIDS. Intrekking brengt met zich mee dat eiser uitzetbaar is naar Nigeria, wat tot gevolg zal hebben dat hij verstoken zal blijven van de voor hem zo noodzakelijke medicatie, aldus eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij intrekking van een verblijfsvergunning geen plaats is voor toetsing aan artikel 3 EVRM.

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 intrekking van een verblijfsvergunning onder andere met zich brengt dat eiser uit eigen beweging het land zal dienen te verlaten, bij gebreke waarvan hij (in beginsel) kan worden uitgezet. De rechtbank is met eiser van oordeel dat, gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd omtrent zijn gezondheidstoestand, bij intrekking van zijn verblijfsvergunning had dienen te worden onderzocht of aannemelijk is dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van eiser naar zijn land van herkomst of elders. Het EHRM heeft in zijn uitspraak van 15 november 1996 (NJ 1997, 301) overwogen dat, zodra er reden is om aan te nemen dat een reëel risico bestaat dat iemand aan een behandeling zal worden onderworpen die in strijd is met artikel 3 EVRM indien hij naar een andere staat wordt uitgezet, op de lidstaat de verantwoordelijkheid rust hem daarvoor te behoeden en dat het gedrag van de persoon in kwestie niet bij de besluitvorming kan worden meegewogen. Artikel 3 EVRM is een absoluut recht. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS dient toetsing aan artikel 3 EVRM onderdeel uit te maken van de beslissing tot afwijzing van een verblijfsvergunning. De rechtbank ziet niet in waarom hierover anders geoordeeld dient te worden bij intrekking van een verblijfsvergunning dan bij afwijzing van een aanvraag. De conclusie is dan ook dat verweerder ten onrechte toetsing aan artikel 3 EVRM achterwege heeft gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/51582

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2007

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1979,

gestelde nationaliteit Soedanese,

verblijvende te [plaatsnaam],

eiser,

gemachtigde mr. Y.E. Verkouter,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. R.J.M.F.P. Wouters.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de Minister van Justitie.

Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) met terugwerkende kracht ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter de zitting van 20 april 2007, waar eiser en verweerder bij gemachtigde zijn verschenen.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 26 september 2006 in rechte stand kan houden.

2. Eiser heeft op 4 februari 1999 een aanvraag tot toelating als vluchteling ingediend. Hoewel zijn asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden, is aan hem met ingang van 4 februari 1999 een voorwaardelijke verblijfsvergunning verleend, vanwege het feit dat, gelet op de onverminderd slechte situatie in Soedan, een gedwongen verwijdering van eiser naar Soedan van bijzondere hardheid zou zijn. Deze verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is steeds verlengd tot 4 februari 2002. Per 4 februari 2002 beschikt eiser over een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Eiser heeft tijdens zijn asielrelaas verklaard dat hij afkomstig is uit Soedan en dat hij behoort tot de Dinka/Nuer, een zuidelijke niet-Arabische stam. Voorts heeft eiser verklaard dat hij Soedan heeft moeten verlaten in verband met aldaar ondervonden problemen.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn etniciteit en herkomst. Dit standpunt is met name gebaseerd op de resultaten van een taalanalyse, opgenomen in rapporten van 17 en 18 mei 2005, waarin wordt aangegeven dat eiser eenduidig niet afkomstig is uit Soedan, maar wel eenduidig uit Nigeria. Op grond van het voorgaande heeft verweerder de eerder aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000 met toepassing van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, juncto artikel 32, eerste lid aanhef en onder a van de Vw 2000, ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, in casu 4 februari 1999.

4. Eiser heeft zich neergelegd bij het resultaat van de taalanalyses en heeft de conclusie dat hij uit Nigeria afkomstig is niet weersproken. Hij is het desondanks niet eens met de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, omdat verweerder nagelaten heeft te onderzoeken of intrekking van de verblijfsvergunning van eiser een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) oplevert. In dit verband heeft eiser erop gewezen dat intrekking van de vergunning met zich brengt dat eiser uitzetbaar is. Gelet op de stelling van eiser dat hij lijdt aan de ziekte AIDS zal uitzetting naar Nigeria tot gevolg hebben dat hij verstoken zal blijven van de voor hem zo noodzakelijke medicatie. Verweerder heeft daardoor onzorgvuldig en in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gehandeld, aldus eiser. Subsidiair heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de intrekking niet verder terug kan werken dan tot 4 februari 2002, te weten het moment van verlenen van de vergunning.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de onderhavige procedure geen plaats is voor toetsing van de medische situatie van eiser voor wat betreft een mogelijke schending van artikel 3 EVRM aan Nigeria, omdat bij de verleende vergunning waarvan nu de intrekking aan de orde is, is uitgegaan van een gestelde herkomst van eiser uit Soedan. Daarbij komt dat uit de conclusies van de taalanalyses niet volgt dat eiser de Nigeriaanse nationaliteit bezit. In het toetsingskader van de intrekking is geen ruimte om de juiste herkomst van eiser te betrekken. Verweerder heeft overwogen dat indien eiser bescherming wenst in te roepen tegen een reëel risico om aan een behandeling zoals bedoeld in artikel 3 EVRM te worden onderworpen, het op zijn weg ligt om een herhaalde aanvraag in te dienen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Ingevolge artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000 worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

8. Volgens paragraaf C6/31.4.1, gelezen in samenhang met paragraaf C6/31.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), wordt met de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van het feit dat bij de verlening onjuiste gegevens zijn verstrekt of gegevens zijn achtergehouden, slechts beoogd de situatie te herstellen zoals die zou zijn geweest wanneer wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt. De intrekking is gericht op het ongedaan maken van de gevolgen die aan onjuiste gegevens zijn verbonden. Er zijn in de Vw 2000 geen termijnen opgenomen waarna wegens het verstrekken van onjuiste gegevens geen intrekking meer plaats vindt. Analoog aan hetgeen in artikel 3.97 van het Vb 2000 is geregeld voor de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, kan intrekking plaatsvinden, tenzij sedert de verlening of verlenging een periode van twaalf jaren is verstreken.

9. Dit beleid komt de rechtbank niet onredelijk voor.

10. Niet in geschil is dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn afkomst. Derhalve was verweerder naar het oordeel van de rechtbank in beginsel bevoegd de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in te trekken.

11. Vervolgens ligt aan de rechtbank de vraag voor of verweerder bij de beoordeling had dienen te betrekken of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van eiser naar zijn land van herkomst of elders. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) d.d. 25 augustus 2006, LJN: AY9358.

12. De rechtbank is met eiser van oordeel dat in de onderhavige procedure had dienen te worden onderzocht of aannemelijk is dat artikel 3 EVRM zich verzet tegen intrekking van de vergunning, gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd omtrent zijn gezondheidstoestand. Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 brengt intrekking van de vergunning immers onder andere met zich dat eiser uit eigen beweging het land zal dienen te verlaten, bij gebreke waarvan hij (in beginsel) kan worden uitgezet. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in zijn uitspraak van 15 november 1996 (NJ 1997, 301) overwogen dat, zodra er reden is om aan te nemen dat een reëel risico bestaat dat iemand aan een behandeling zal worden onderworpen die in strijd is met artikel 3 EVRM indien hij naar een andere staat wordt uitgezet, op de lidstaat de verantwoordelijkheid rust hem daarvoor te behoeden en dat het gedrag van de persoon in kwestie niet bij de besluitvorming kan worden meegewogen. Artikel 3 EVRM is een absoluut recht. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS dient toetsing aan artikel 3 EVRM onderdeel uit te maken van de beslissing tot afwijzing van een verblijfsvergunning. De rechtbank ziet niet in waarom hierover anders geoordeeld dient te worden bij intrekking van een verblijfsvergunning dan bij afwijzing van een aanvraag. De conclusie is dan ook dat verweerder ten onrechte toetsing aan artikel 3 EVRM achterwege heeft gelaten.

13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit en ziet de rechtbank aanleiding het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is derhalve gegrond.

14. Verweerder zal worden opgedragen om met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen een nieuwe beslissing te nemen.

15. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 805,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punten voor het indienen van (aanvullende) beroepschriften;

• 0,5 punt voor het indienen van repliek;

• 1 punt voor het verschijnen ter zittingen;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

16. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

17. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 805,00, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van H.A.J.A. van de Laar als griffier op 5 juni 2007.