Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8535

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-06-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/41592
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medische behandeling / medische noodsituatie / meest aangewezen land / PTSS / veilige en vertrouwde behandelomgeving

Onweersproken is tussen partijen dat eiser uit Iran afkomstig is en lijdt aan ernstige psychiatrische klachten, waaronder PTSS, ontstaan door gebeurtenissen in Iran. Verweerder heeft eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met als doel: “medische behandeling” afgewezen en geen aanleiding gezien ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van een medische noodsituatie te verlenen, onder andere gegrond op de conclusie van het BMA dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor behandeling van het ziektebeeld van eiser. Eiser heeft betwist dat Nederland niet het meest aangewezen land is, nu de behandeling niet plaats kan vinden in Iran, aangezien dit voor hem geen veilige en vertrouwde behandelomgeving is, gezien wat hem in Iran is overkomen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een veilige en vertrouwde behandelomgeving, gelet op gestelde gebeurtenissen in het land van herkomst, geen onderdeel uitmaakt van de beoordeling in een reguliere aanvraagprocedure en slechts een rol kan spelen in een asielprocedure. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid een beleid kan voeren waarbij niet alle medische aspecten van de gezondheidstoestand van de vreemdeling worden betrokken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de behandelend psychiater van eiser, blijkens de door eiser overgelegde brieven van deze psychiater, terugkeer naar Iran, het land waar de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die hebben geleid tot de psychiatrische klachten, gecontraïndiceerd acht, nu dit geen veilige en vertrouwde (behandel)omgeving is voor eiser en eiser bij repatriëring waarschijnlijk suïcide zou kunnen plegen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, door een deel van de medische klachten terzijde te schuiven als behorend tot het asielrelaas, een deel van de feitelijk objectief te verifiëren medische situatie van eiser ontkent. In het kader van deze aanvraag gaat het om beoordeling van de gezondheidstoestand van eiser, waarbij alle van belang zijnde medische aspecten moeten worden betrokken. Daartoe behoort ook de door de behandeld psychiater medisch noodzakelijk geachte voorwaarde voor een adequate behandeling, inhoudende dat deze kan plaatsvinden in een veilige omgeving.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenwet 2000 79
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/41592

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2007

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1967,

nationaliteit Iraanse,

verblijvende te [plaatsnaam],

eiser,

gemachtigde mr. B.W.M. Toemen,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. L.M.A. Hansen.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de Minister van Justitie.

Op 7 april 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel: “medische behandeling”.

Op 23 februari 2001 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Op 28 februari 2003 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), op grond van de toezeggingen van de toenmalige Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie om schrijnende gevallen te bezien.

Bij besluit van 27 mei 2004 heeft verweerder het bezwaarschrift van 23 februari 2001 ongegrond verklaard en de aanvraag van 28 februari 2003 niet ingewilligd.

Op 7 juli 2004 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend, gericht tegen het niet inwilligen van de aanvraag van 28 februari 2003.

Bij brief van 9 september 2005 is aan eiser medegedeeld dat de beschikking van 27 mei 2004 zal worden ingetrokken.

Bij besluit van 16 november 2005 is het bezwaarschrift van 7 juli 2004, gericht tegen het niet inwilligen van de aanvraag van 28 februari 2003, niet-ontvankelijk verklaard. Aan eiser is medegedeeld dat de aanvraag van 28 februari 2003 wordt betrokken in de lopende procedure betreffende de aanvraag van 7 april 2000 met als doel “medische behandeling”.

Bij besluit van 4 augustus 2006 heeft verweerder het bezwaarschrift van 23 februari 2001 ongegrond verklaard. Voorts is bij dit besluit de aanvraag van 28 februari 2003 niet ingewilligd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 25 augustus 2006 beroep ingesteld. Bij brieven van 21 september 2006 en 16 maart 2007 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld.

Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er (thans) toe strekt dat uitzetting van eiser achterwege wordt gelaten totdat uitspraak zal zijn gedaan op het beroep. Het verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 06/41593.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 29 maart 2007, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mw. mr. L.M.A. Hansen.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 4 augustus 2006 in rechte stand kan houden. Dit besluit bevat beslissingen op drie onderdelen. Ten eerste de beslissing op de aanvraag van eiser van 28 februari 2003, de zogenaamde 14-1 aanvraag, betreffende de toezeggingen van de toenmalige Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie om schrijnende gevallen te bezien. Ten tweede de beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel: “medische behandeling”. Ten derde het door verweerder ambtshalve genomen besluit ter zake de medische noodsituatie.

Met betrekking tot de 14-1 aanvraag.

2. De rechtbank stelt vast dat het besluit betreffende de 14-1 aanvraag ertoe strekt eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 14 van de Vw 2000 te onthouden. Het beroep van eiser is mede gericht tegen deze weigering. In zoverre dient het besluit van 4 augustus 2006 echter aangemerkt te worden als een primair besluit, nu verweerder niet eerder dan bij dit besluit een inhoudelijke beslissing heeft genomen op de 14-1 aanvraag. Verweerder heeft ter zitting in dit verband verwezen naar zijn brief d.d. 16 november 2005 aan eiser. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen in deze brief vermeld staat, te weten dat de 14-1 aanvraag in de lopende procedure zal worden meegenomen, niet als een inhoudelijke beslissing kan worden aangemerkt. De 14-1 aanvraag kan overigens niet meegenomen worden in de lopende procedure betreffende de aanvraag met als doel: “medische behandeling”, nu de 14-1 aanvraag, ingevolge artikel 3:4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: van het Vb 2000) onder een andere beperking verleend wordt dan de aanvraag tot het verlenen van de reguliere vergunning voor bepaalde tijd, met als doel: “medische behandeling”. Laatstgenoemde vergunning wordt immers verleend onder de beperking genoemd in artikel 3:4, eerste lid, aanhef en onder r, van het Vb 2000.

3. Nu het bestreden besluit voor het gedeelte betreffende de 14-1 aanvraag aangemerkt moet worden als een primair besluit, dient eiser, gelet op artikelen 8:1 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor dit gedeelte het rechtsmiddel van bezwaar aan te wenden en niet het rechtsmiddel van beroep. Immers op grond van artikel 79, eerste lid, van de Vw 2000 is afdeling 3 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000, waarin is bepaald dat artikel 7:1 niet van toepassing is, niet van toepassing op besluiten die betrekking hebben op een verblijfsvergunning regulier.

4. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Met toepassing van artikel 6:15 van de Awb zal de rechtbank het beroepschrift naar verweerder doorsturen ter behandeling als bezwaarschrift.

Met betrekking tot de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel: “medische behandeling”.

5. Bij het thans in beroep voorliggende besluit van 4 augustus 2006 heeft verweerder

naar aanleiding van het bezwaarschrift van 23 februari 2001 de aangevoerde bezwaren ongegrond verklaard. De omstandigheid dat in het besluit niet is ingegaan op de vraag of tijdig op de aanvraag is beslist en het besluit evenmin blijk geeft van een integrale heroverweging kan er niet aan afdoen dat het besluit blijkens inhoud en dictum een beslissing op bezwaar is. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 oktober 2003, nr. 200305786/1, JV 2003/33. Derhalve is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het ingestelde beroep ten aanzien van de afwijzing van de reguliere verblijfsvergunning onder de beperking ‘het ondergaan van medische behandeling’.

6. Bijgevolg ligt aan de rechtbank ter beoordeling het besluit van 4 augustus 2006 dat strekt tot afwijzing van deze reguliere verblijfsvergunning.

7. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het daartoe strekkende beroep uit van de volgende feiten.

8. Eiser heeft op 7 april 2000 – onder de vigeur van de Vreemdelingenwet 1965 (Stb 1965, 40) – onderhavige aanvraag ingediend met als doel ‘medische behandeling’. In verband met de inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001 heeft verweerder de aanvraag van eiser aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘het ondergaan van een medische behandeling’.

9. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de door hem gevraagde reguliere verblijfsvergunning, nu eiser niet voldoet aan de daaraan verbonden voorwaarden. Ten eerste heeft het BMA-advies van 5 juli 2006 uitgewezen dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor het ondergaan van de door eiser noodzakelijk geachte medische behandeling. Uit de conclusies in het BMA-rapport blijkt dat voldoende adequate behandelingsmogelijkheden en de eventueel benodigde medicatie in Iran aanwezig zijn. Ten tweede heeft eiser niet aangetoond dat de financiering van de medische behandeling deugdelijk is geregeld.

10. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij voldoet aan de voorwaarden van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “ondergaan van medische behandeling”. Daartoe heeft hij aangevoerd dat Nederland wel het meest aangewezen land voor behandeling is, mede gezien de lange duur van de behandeling in Nederland en het feit dat hij bekend is bij zijn behandelend artsen. Eiser betwijfelt of de noodzakelijke psychiatrische behandeling in Iran mogelijk is en of hij, gezien de ernst van zijn medische situatie, op adequate wijze aldaar kan worden behandeld. Ter zake het ontbreken van deugdelijke financiering voor de medische behandeling stelt eiser zich op het standpunt dat het kennelijk onredelijk is om dit aan hem – eiser verblijft reeds 10 jaar in Nederland als asielzoeker - tegen te werpen.

11. Ingevolge artikel 3.46 van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van verweerder het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling èn de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van verweerder deugdelijk is geregeld.

12. Wat er ook zei van de vraag of Nederland het meest aangewezen land is voor de behandeling van eiser, de rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat eiser niet voldoet aan het tweede cumulatieve vereiste van een deugdelijke financiering van die medische behandeling. Eiser heeft immers niet weersproken dat de financiering niet deugdelijk is geregeld. Eiser heeft volstaan met de stelling dat hij dient te worden vrijgesteld van het financieringsvereiste, doch een grondslag hiervoor ontbreekt. Ook desgevraagd ter zitting heeft eiser hiervoor geen grondslag gegeven. De rechtbank zal dan ook het onderhavige beroep tegen dat gedeelte van het bestreden besluit ongegrond verklaren.

Met betrekking tot de medische noodsituatie.

13. Volgens verweerder komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van medische noodsituatie conform artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000, omdat niet is gebleken dat sprake is van een medische noodsituatie van langdurige aard, waarvan de behandeling niet in Iran kan plaatsvinden.

14. Eiser is van mening dat hij wel voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning regulier op grond van “medische noodsituatie”. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat de behandeling niet in Iran kan plaatsvinden, nu dit voor eiser geen veilige en vertrouwde omgeving is, hetgeen een noodzakelijk voorwaarde is voor een adequate behandeling. Eiser heeft ter verdere onderbouwing van zijn standpunt meerdere brieven overgelegd van zijn behandelend psychiater van Psychotraumacentrum Zuid Nederland te Vught, B. Drozdek. In zijn brief van 21 juni 2004 verklaart Drozdek dat eiser “[…] op basis van zijn persoonlijkheidsstructuur in het geval van repatriëring en uit angst zeer waarschijnlijk een suïcide zou kunnen plegen […]”. Ter zitting heeft eiser nog gewezen op kamervragen van mw. Vos aan onder andere mw. Verdonk, toenmalig minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, Aanhangsel, nr. 19) waaruit blijkt dat veiligheid en vertrouwen onderdeel uitmaakt van de beoordeling of er een effectieve behandeling van asielzoekers met een posttraumatische stressstoornis kan plaatsvinden. Tot slot heeft eiser in beroep verwezen naar een soortgelijke zaak, waarin een medisch adviseur van de Immigratie en Naturalisatiedienst (hierna: IND) zich wel heeft uitgelaten over het verband tussen een veilige omgeving en succesvolle behandeling en het standpunt van eiser bevestigt. Eiser heeft in dit verband de volgende uitlating van de medisch adviseur aangehaald: “[…] Voor het succesvol behandelen van een ernstig getraumatiseerde patiënt is een omgeving nodig die veilig is en vertrouwen geeft. Gezien de relatie tussen de klachten en de ervaringen in Iran kan worden verondersteld dat deze veilige omgeving niet aanwezig is. Dat wil zeggen dat praktisch gezien de mogelijkheden om betrokkene te behandelen niet aanwezig zijn. […]”. In casu heeft de medisch adviseur daarover geen uitspraak willen doen.

15. In het BMA-advies d.d. 5 juli 2006, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit van 4 augustus 2006, staat het volgende vermeld. Eiser heeft psychische klachten (PTSS), die gepaard gaan met een depressieve stoornis met vitale kenmerken. De behandeling van eiser bestaat thans uit deelname aan een zelfzorggroep met psychiatrische consulten op indicatie. Tevens neemt eiser deel aan programma’s die gericht zijn op activiteiten en dagstructurering. Daarnaast wordt medicatie voorgeschreven. De behandelduur is niet in te schatten. Eiser kan voor zijn klachten in Iran behandeld worden in het Emam Hossein General Hospital en het Shadid Lavassani Hospital, beide in Teheran. De door eiser gebruikte medicatie of equivalenten hiervan zijn, zonder leveringsproblemen, in Iran verkrijgbaar. De band met de huidige arts en de veilige omgeving zijn weliswaar van belang, maar het begrip ‘veilige situatie’ is subjectief en niet meetbaar, zodat geconcludeerd wordt dat het bezwaarlijk is daarover een uitspraak te doen. Het advies beperkt zich dan ook tot het verstrekken van informatie over de behandelmogelijkheden in medisch-technische zin. Een medische noodsituatie wordt niet verwacht omdat behandeling in Iran mogelijk is. Medisch gezien wordt eiser in staat geacht om te reizen. Eiser dient tijdens de reis begeleid te worden door een psychiatrisch geschoold medewerker en hij dient gedurende de reis de beschikking te hebben over de hem voorgeschreven medicatie.

16. Op basis van deze medische rapportage heeft verweerder geconcludeerd dat behandeling en medicatie in het land van herkomst beschikbaar is. Een medische noodsituatie behoeft dan ook niet te ontstaan, omdat behandeling niet hoeft uit te blijven, volgens verweerder. Ten aanzien van de stelling van eiser dat terugkeer naar Iran niet verantwoord is omdat de, voor de behandeling vereiste, veilige en vertrouwde omgeving ontbreekt, stelt verweerder zich op het standpunt dat reeds in de twee asielprocedures van eiser is gekeken naar de aangevoerde psychische problemen gelet op de gestelde gebeurtenissen in Iran en dat er tweemaal in beroep de beslissing is bevestigd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op asielgronden. Op grond hiervan ziet verweerder niet in waarom Nederland het meest aangewezen land zou zijn voor medische behandeling.

17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid een beleid kan voeren waarbij niet alle medische aspecten van de gezondheidstoestand van de vreemdeling worden betrokken. Verweerder heeft niet betwist dat eiser lijdt aan de ernstige psychiatrische klachten, als genoemd in het BMA-rapport. De aard en de ernst van deze klachten worden benadrukt door de behandelend psychiater van eiser, Drozdek. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat deze psychiater terugkeer naar Iran, het land waar de gebeurtenissen die hebben geleid tot de psychiatrische klachten hebben plaatsgevonden, gecontraïndiceerd acht, nu dit geen veilige en vertrouwde (behandel)omgeving is voor eiser en eiser bij repatriëring zeer waarschijnlijk een suïcide zou kunnen plegen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, door een deel van de medische klachten ter zijde te schuiven als behorend tot het asielrelaas, een deel van de feitelijk objectief te verifiëren medische situatie van eiser ontkent. In het kader van deze aanvraag gaat het om beoordeling van de gezondheidstoestand van eiser, waarbij alle van belang zijnde medische aspecten moeten worden betrokken. Daartoe behoort ook de door de behandelend psychiater medisch noodzakelijk geachte voorwaarde voor een adequate behandeling inhoudende dat deze kan plaatsvinden in een veilige omgeving.

18. Gelet op het voorgaande ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering en dient het, onder gegrondverklaring van dit gedeelte van het beroep, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het beroep zal tegen dit gedeelte van het bestreden besluit derhalve gegrond worden verklaard en het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

19. Verweerder zal worden opgedragen om met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen een nieuwe beslissing te nemen.

20. Nu het beroep gedeeltelijk gegrond zal worden verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 805,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een beroepschrift;

• 0,5 punt voor het indienen van repliek;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

21. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht ten bedrage van € 141,00, dient te vergoeden.

22. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover is beslist op de aanvraag van 28 februari 2003;

- verklaart het beroep gegrond voor zover ambtshalve is beslist eiser een verblijfsvergunning te weigeren op grond van een medische noodsituatie op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- bepaalt dat verweerder in zoverre een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 805,00, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier;

- gelast dat het betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00, door de Staat der Nederlanden, namens verweerder, aan eiser wordt vergoed.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. W. Smeding als griffier op 4 juni 2007.