Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8531

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
FA RK 04-6816 233307
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verdeling van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap. Op het huwelijksgoederenregime van partijen is Turks recht van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

rekestnummer: FA RK 04-6816

zaaknummer: 233307

datum beschikking: 25 mei 2007

BESCHIKKING op het op 3 december 2004 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [gemeente A],

procureur: mr. F. Arslan.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [gemeente B] (OV),

procureur: mr. Y. Tamer.

PROCEDURE

Bij beschikking van 10 juni 2005 van deze rechtbank en kamer is - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is het verzoek tot verdeling van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap aangehouden opdat partijen stukken in het geding kunnen brengen en overleg met elkaar kunnen voeren, voorts is vermeld welke stukken partijen in het geding dienen te brengen.

Bij beschikking van 23 augustus 2006 van deze rechtbank en kamer is - voor zover hier van belang - het verzoek tot verdeling van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap opnieuw aangehouden opdat partijen de in de beschikking van 10 juni 2005 genoemde stukken alsnog in het geding kunnen brengen en overleg met elkaar kunnen voeren.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- de brief met bijlagen d.d. 14 november 2006 van de zijde van de man.

Op 6 april 2007 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: partijen vergezeld van hun procureurs.

BEOORDELING

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikkingen is overwogen en beslist.

Vaststaat dat op het huwelijksgoederenregime van partijen Turks recht van toepassing is waardoor er tot 1 januari 2002 sprake was van een algehele scheiding van goederen en vanaf 1 januari 2002, als gevolg van de inwerkingtreding van het (nieuwe) Turkse Burgerlijk Wetboek (hierna: TBW) een huwelijksgoederenregime dat het beste kan worden getypeerd als een 'deelgenootschap in vermogensopbouw'. Het deelgenootschap in vermogensopbouw houdt, kort weergegeven en voor zover hier van belang, het volgende in.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen de verwervingen en het persoonlijk vermogen van ieder van de echtgenoten (art. 218 TBW). Het vermogen van iedere echtgenoot bestaat uit twee deelvermogens, de verwervingen en het persoonlijk vermogen, zodat in totaal vier vermogens te onderscheiden zijn.

Als verwervingen worden beschouwd de tijdens het deelgenootschap om baat verworven vermogensbestanddelen, in het bijzonder: de inkomsten uit arbeid, sociale verzekeringen, uitkeringen wegens verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen, vervangende vermogensbestanddelen (art. 219 TBW).

Tot het persoonlijk vermogen behoren op grond van de wet: de ten huwelijk aangebrachte en staande huwelijk door erfrecht of schenking verworven vermogensbestanddelen, de voor persoonlijk gebruik bestemde goederen, vorderingen uit immateriële schadevergoeding en de vervangen-de vermogensbestanddelen (art. 220 TBW).

Iedere echtgenoot beheert zijn eigen vermogen en beschikt daarover. Eén van de echtgenoten kan niet zonder toestemming van de ander beschikken over zijn aandeel in het vermogen dat in mede-eigendom staat, tenzij anders is overeengekomen (art. 223 TBW).

Het huwelijksgoederenregime eindigt op het tijdstip waarop de rechtszaak tot beëindiging van het huwelijk wegens echtscheiding aanvangt (art. 225 TBW).

De op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime aanwezige verwervingen worden naar de waarde van het tijdstip van de vereffening in de verrekening betrokken (art. 235 TBW).

Bij echtscheiding vindt een financiële afrekening plaats voor wat betreft hetgeen tijdens het huwelijk is verworven. Iedere echtgenoot is rechthebbende op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde (art. 236 TBW). Vorderingen worden verrekend. De nettowaarde is de waarde die overblijft nadat de totale waarde van de verwervingen van elk der echtgenoten is verminderd met de op deze goederen rustende schulden ( art. 231 TBW). Waardevermindering of een negatief saldo wordt niet in beschouwing genomen.

Te verdelen/verrekenen goederen

Ter terechtzitting is komen vast te staan dat thans bij de te verdelen/verrekenen goederen nog uitgegaan dient te worden van de volgende bestanddelen:

a. de echtelijke woning te [adres], met de daarop drukkende hypothecaire lening:

b. het saldo van de bankrekeningen bij ABN-AMRO:

- nr. [0000000000] ten name van de man (verder genoemd de normale rekening);

- nr. [0000000001] ten name van de man (verder genoemd de spaarrekening);

- nr. [0000000002] ten name van de vrouw;

c. de sieraden;

d. de auto, een [auto merk A];

e. de aandelen.

Ad a. De echtelijke woning

Partijen hebben ter terechtzitting overeenstemming bereikt dat de echtelijke woning wordt verkocht en dat de opbrengst (na aftrek van de hypotheek en de met de verkoop verband houdende kosten) in beginsel bij helfte wordt verdeeld. De man heeft verzocht zowel een positieve als een negatieve opbrengst bij helfte te verrekenen. De vrouw heeft verzocht alleen in het geval een positieve opbrengst resteert deze bij helfte te verrekenen. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat zij de echtelijke woning op 7 september 2004 uit angst voor de man heeft moeten verlaten. Zij verbleef vervolgens in een opvanghuis terwijl de man in de echtelijke woning bleef wonen. Zij heeft de afgelopen jaren veel te verduren gehad. Daarnaast had zij enkel een bijstandsuitkering waarvan zij amper kon rondkomen. Ter terechtzitting heeft de vrouw hieraan toegevoegd dat de man steeds het genot van de woning heeft gehad terwijl zij in die tijd in een erbarmelijke situatie verkeerde.

De rechtbank overweegt als volgt.

Partijen hebben de echtelijke woning en de hypothecaire lening in 2003 in vrije mede-eigendom verkregen. Dit betekent dat de man en de vrouw in beginsel een gelijk aandeel in deze goederen hebben. Afwijking hiervan is met name aan de orde wanneer één van de partijen een groter aandeel in deze goederen heeft geleverd. Het verzoek van de vrouw om de opbrengst enkel bij helfte te verrekenen wanneer er sprake is van een positief saldo en anders de schuld aan de man toe te rekenen wordt door de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd afgewezen. De door de vrouw aangevoerde argumenten acht de rechtbank onvoldoende om van genoemd beginsel af te wijken.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de echtelijke woning dient te worden verkocht onder verrekening van de netto opbrengst bij helfte tussen partijen, ongeacht of deze opbrengst wordt gevormd door een positief of een negatief saldo.

Ad b. Het saldo van de bankrekeningen

De vrouw vermoedt dat de man van zijn spaarrekening geld heeft weggesluisd. Volgens de vrouw stond op deze rekening ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen op 7 september 2004 een bedrag van € 25.000,-- en op de normale rekening een bedrag van € 8.000,--. Volgens de vrouw dient uitgegaan te worden van de saldi van de bankrekeningen per peildatum 7 september 2004. Dit is volgens de vrouw overeenkomstig het Turkse huwelijksvermogensrecht. Volgens dit recht wordt volgens de vrouw heel praktisch gekeken naar het moment dat een echtgenoot de woning heeft verlaten en hier geen toegang meer toe heeft. Vanaf dat moment wordt ervan uitgegaan dat de gemeenschap uiteen is gevallen. Volgens de vrouw is het niet de bedoeling dat de peildatum in haar nadeel werkt.

De man betwist dat hij geld heeft weggesluisd. Volgens hem bedroeg het saldo ten tijde van het uiteengaan van partijen op de spaarrekening € 2.833,-- en was het saldo op de normale rekening € 3.365,-- negatief. Voorts stelt de man dat het saldo op de rekening ten name van de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen € 5.000,-- positief was. De man stelt dat hij in april 2004 € 25.000,-- van de spaarrekening heeft opgenomen en aan de vrouw heeft gegeven ten behoeve van een lening voor haar familie in Turkije. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt bankafschriften overgelegd gedateerd 28 september 2004. De man betwist de door de vrouw voorgestelde peildatum van 7 september 2004. Hij is van mening dat uitgegaan dient te worden van de peildatum 19 oktober 2005, zijnde de datum van ontbinding van het huwelijk door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daarvoor bestemde registers. Het saldo op de spaarrekening bedroeg op die datum € 400,94. Het saldo op de normale rekening was op die datum € 7.056,36 negatief. Het saldo van de bankrekening van de vrouw d.d. 19 oktober 2005 is de man niet bekend. De man heeft ter terechtzitting verklaard over geen andere bankrekeningen te beschikken. Bij zijn belastingaangiftes is ook geen sprake van andere inkomsten- of vermogensbronnen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de saldi op de bankrekeningen op grond van art. 219 TBW kunnen worden aangemerkt als verwervingen tijdens het huwelijk. Op grond van het hiervoor weergegeven art. 231 TBW betekent dit enerzijds dat de vrouw recht heeft op de helft van de optelsom van de saldi van de beide bankrekeningen van de man per peildatum voor zover er sprake is van een positief saldo. Dit betreft de zogenaamde deelgenootschapsvordering van de vrouw op de man. Anderzijds betekent dit dat de man recht heeft op de helft van het saldo van de bankrekening ten name van de vrouw per peildatum voor zover dit saldo positief is. Dit betreft dan de deelgenootschapsvordering van de man op de vrouw. Vervolgens dient de meest bedeelde partij ter afrekening van het huwelijksvermogen de helft van het verschil tussen de beide deelgenootschapsvorderingen - indien aanwezig - aan de andere partij te betalen. Het door de man betwiste standpunt van de vrouw dat de man geld weggesluisd heeft, wordt door de rechtbank als onvoldoende onderbouwd verworpen.

Nu partijen geen overeenstemming hebben over de peildatum van de waarde op genoemde bankrekeningen zal de rechtbank deze op grond van het hiervoor genoemde art. 235 TBW bepalen op het tijdstip van de vereffening. De rechtbank beschouwt als zodanig de datum van de zitting, te weten 6 april 2007. Het standpunt van de vrouw dat op grond van het Turkse huwelijksvermogensrecht uitgegaan dient te worden van de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen evenals het standpunt van de man dat uitgegaan dient te worden van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daarvoor bestemde registers.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank op na te melden wijze bepalen dat de partij met de hoogste deelgenootschapsvordering - indien aanwezig - ter afrekening van het huwelijksvermogen aan de andere partij de helft van het verschil van de beide deelgenootschapsvorderingen per 6 april 2007 dient te voldoen.

Ad c. De sieraden

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de vrouw genoemde sieraden geen gemeenschappelijk eigendom betreffen doch enkel aan de vrouw toebehoren. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man wordt veroordeeld deze sieraden aan haar af te geven, dan wel te bepalen dat de man de waarde van de sieraden aan haar dient te vergoeden. Het gaat om tien gouden armbanden waarvan de waarde volgens de vrouw ongeveer € 3.000,-- bedraagt. De vrouw stelt dat zij de echtelijke woning plotseling heeft moeten verlaten. Zij vermoedde dat haar sieraden in een bankkluis lagen en zij had geen tijd om naar de bank te gaan. De vrouw baseert het vermoeden dat de sieraden in een bankkluis lagen op een mededeling van de man in 2001 toen zij bij hem informeerde naar haar sieraden. Bij deze gelegenheid deelde de man aan haar mede dat deze in een bankkluis lagen. Sindsdien heeft zij de sieraden niet meer teruggezien, aldus de vrouw.

De man betwist dat hij over de sieraden beschikt. Hij stelt evenmin over een bankkluis te beschikken. Volgens de man had de vrouw op de dag van haar vertrek op [datum] 2004 haar sieraden in haar bezit en heeft zij deze allemaal meegenomen. Hij was die dag van 07.00 uur tot 19.00 uur afwezig. De vrouw had daardoor die dag de vrije toegang tot de echtelijke woning en was daarmee ook in staat haar sieraden mee te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat de man over haar sieraden beschikt. De vrouw heeft immers geen bewijs geleverd (noch aangeboden) van haar stelling dat de man over een bankkluis beschikt en dat haar sieraden hierin zijn opgeborgen. Het verzoek van de vrouw zal dan ook als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

Ad d. De auto

Partijen hebben ter terechtzitting overeenstemming bereikt dat de auto, [auto merk A], zonder verdere verrekening aan de man kan worden toebedeeld.

Ad e. Aandelen

Ter terechtzitting is tussen partijen komen vast te staan dat er geen aandelen zijn, zodat de rechtbank het verzoek voor zover het hierop betrekking heeft, zal afwijzen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

BESLISSING

De rechtbank:

bepaalt de verdeling/verrekening van het huwelijksvermogen van partijen als volgt:

1. partijen dienen over te gaan tot verkoop van de echtelijke woning te [adres], onder verrekening van de helft van de netto opbrengst (zowel in geval van een positief als een negatief saldo);

2. a. de vrouw heeft een deelgenootschapsvordering op de man ter hoogte van het opgetelde saldo

per 6 april 2007 van de bankrekeningen van de man met de nummers [000000000] en

[0000000001] mits dit saldo positief is;

b. de man heeft een deelgenootschapsvordering op de vrouw ter hoogte van het saldo per

6 april 2007 van de bankrekening van de vrouw met nummer [0000000002] mits dit saldo positief is;

de partij met de hoogste deelgenootschapsvordering - indien aanwezig - dient de helft van het verschil tussen a. en b. aan de andere partij te betalen;

3. aan de man wordt de auto, [auto merk A], zonder verdere verrekening, toebedeeld;

verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Bouritius, bijgestaan door mr. T.A. Willems-Dijkstra als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 mei 2007.