Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8518

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-04-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
612808 \ CV EXPL 06-7122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oproepovereenkomst voor onbepaalde tijd gevolgd door arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Ragetlie regel niet onverkort van toepassing op oproepovereenkomst. Of de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege is geëindigd, is afhankelijk van de vraag of de oproepovereenkomst in de loop der tijd is verworden tot een gewone arbeidsovereenkomst. Een arbeidsrelatie van 1 jaar en 10 maanden is in casu te kort om dit aan te nemen. Werknemer stelt bijna 5 jaar onafgebroken voor Werkgever te hebben gewerkt. Werkgever stelt dat de arbeidsrelatie in de periode september 2003 tot 1 mei 2004 is onderbroken. Gelet op art. 7:610a en 7:610b BW gaat de kantonrechter uit van het weerlegbare rechtsvermoeden dat er sprake is geweest van een doorlopende arbeidsrelatie, behoudens door de werkgever te leveren tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie Delft

CF/EP

Rolnr. 612808 \ CV EXPL 06-7122

26 april 2007

Vonnis in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. J. Marges,

tegen

[gedaagde], h.o.d.n. [naam restaurant],

wonende te [plaats],

gedaagde partij,

procederend in persoon.

Partijen worden aangeduid als [eiseres] en [gedaagde].

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- tussenvonnis van 8 februari 2007;

- comparitie van partijen van 5 maart 2007.

1. Feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

1.1 Op 1 augustus 2001 is [eiseres] bij [gedaagde], ten behoeve van diens hamburgerrestaurant [naam restaurant] te [plaats], in dienst getreden op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor losse oproepkrachten.

1.2 Uit hoofde van de onder 1.1 bedoelde overeenkomst is [eiseres] in de periode 1 augustus 2001 tot september 2003 op afroepbasis in de onderneming van [gedaagde] als cafetariamedewerkster werkzaam geweest, hoofdzakelijk op zaterdagen en zondagen.

1.3 In september 2003 is [eiseres] het praktijkdeel van een kappersopleiding gaan volgen, waarmee [eiseres] op 1 mei 2004 is gestopt.

1.4 Sinds 1 mei 2004 is [eiseres] voor een wisselend aantal uren bij [naam restaurant] werkzaam geweest op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor losse oproepkrachten. Haar netto maandloon in die functie varieerde van € 405,-- tot € 765,--.

1.5 In het jaar 2005 werkte [eiseres] gemiddeld 144,66 uur per maand bij [naam restaurant]. In de maanden januari t/m april 2006 werkte [eiseres] gemiddeld 152 uren per maand (respectievelijk 173 uren in januari, 145 uren in februari, 152 uren in maart en 137 uren in april).

1.6 Op 2 februari 2006 heeft [eiseres] een arbeidsovereenkomst met [gedaagde] ondertekend waarin is vermeld dat zij met ingang van 1 november 2005 in vaste dienst treedt voor een dienstverband van zes maanden en voor minimaal 32 uur per week, tegen een salaris van in ieder geval € 717,75 per maand. Met verwijzing naar de CAO voor het Horecabedrijf is daarin verder opgenomen dat het dienstverband zonder nadere opzegging eindigt op de eerste dag van de maand waarop de arbeidsovereenkomst is verstreken.

1.7 Bij brief van 12 april 2006 heeft [eiseres] [gedaagde] bericht dat zij in de veronderstelling verkeerde meer zekerheden te hebben met een schriftelijke arbeidsovereenkomst, maar dat zij inmiddels heeft begrepen dat zij het contract niet had moeten tekenen en dat zij zich daaraan niet gebonden acht. [eiseres] heeft [gedaagde] daarbij om een nieuw contract gevraagd waarin moet staan dat zij vanaf 1 augustus 2001 in dienst is, dat het contract voor onbepaalde tijd is en dat de werkweek 36 uren bedraagt.

1.8 Bij brief van 25 april 2006 heeft [gedaagde] aan [eiseres] geschreven dat haar arbeidsovereenkomst zal aflopen op 30 april 2006 en dat het niet mogelijk is [eiseres] een nieuw contract aan te bieden.

1.9 Sedert 1 mei 2006 heeft [eiseres] geen loon meer ontvangen.

1.10 Bij brief van 2 mei 2006 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] gewezen op het bepaalde in artikel 7:667, leden 4 en 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en gesteld dat het dienstverband op grond van het aldaar bepaalde niet rechtsgeldig is geëindigd. Daarbij is medegedeeld dat [eiseres] op iedere afroep van [gedaagde] bereid is haar werkzaamheden te verrichten, en dat zij daartegenover ook aanspraak maakt op loon.

1.11 Met ingang van 1 januari 2007 heeft [gedaagde] zijn bedrijf gestaakt.

1.12 Op de arbeidsovereenkomsten tussen partijen is de CAO voor het Horecabedrijf van toepassing (hierna "de CAO").

1.13 De CAO kent de mogelijkheid om wachtperiodieken toe te passen. Een wachtperiodiek eindigt op 31 december van enig jaar en omvat minimaal een kalenderjaar. Tijdens een wachtperiodiek is de werkgever aan de werknemer een salaris ter hoogte van het minimum(jeugd)loon verschuldigd.

2. Vordering

[eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:

1. de somma van € 1.193,20 bruto per maand als loon en overige emolumenten, ingaande 1 mei 2006;

2. de somma van € 5.140,40 bruto terzake van achterstallig loon t/m april 2006;

3. de somma van € 1.875,03 bruto terzake van achterstallige vakantietoeslag;

4. de wettelijke verhoging ex. art. 7:625 BW over het sub 1, 2 en 3 gevorderde;

5. de wettelijke rente over de sub 1 t/m 4 gevorderde bedragen ingaande de dag der opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;

B) [gedaagde] te veroordelen om [eiseres] binnen een week na het in dezen te wijzen vonnis in de gelegenheid te stellen de bedongen werkzaamheden van medewerkster fastfoodbedrijf te verrichten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor elke dag of deel daarvan, dat gedaagde ook na betekening van het te dezer zake te wijzen vonnis in gebreke mocht blijven aan een zodanige veroordeling te voldoen;

C) [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

[eiseres] legt aan de vordering voormelde vaststaande feiten ten grondslag alsmede de volgende stellingen.

2.1 [eiseres] is reeds op 1 augustus 2001 bij [gedaagde] in dienst getreden als algemeen medewerkster, voor wie zij als oproepmedewerkster werkzaam was. In de periode dat [eiseres] het praktijkdeel van de kappersopleiding volgde - september 2003 tot 1 mei 2004 - werkte zij ook voor [gedaagde], zij het gedurende het weekend, althans op de koopavonden. In die periode vond de uitbetaling steeds contant plaats en er werden geen loonstroken verstrekt.

2.2 Per 1 mei 2004 werkte [eiseres] uitsluitend nog voor [gedaagde], laatstelijk, zo blijkt uit de loonstrook over april 2006, voor 36 uur per week.

2.3 [eiseres] betreurt dat zij zo onverstandig is geweest de onder 1.6 bedoelde overeenkomst te ondertekenen en dat [gedaagde] geen gevolg heeft gegeven aan haar verzoek om een nieuwe arbeidsovereenkomst. Zij meende voor een op handen zijnde aanvraag van een zwangerschapsuitkering over een schriftelijke overeenkomst te moeten beschikken.

2.4 Op grond van het bepaalde in artikel 7:667 leden 4 en 5 BW duurt het dienstverband van [eiseres] ook vanaf 1 mei 2006 ongewijzigd voort. Immers, er is sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die aanstonds is gevolgd door een overeenkomst voor bepaalde tijd, terwijl die eerdere overeenkomst voor onbepaalde niet door rechtsgeldige opzegging of rechterlijke tussenkomst is geëindigd.

2.5 [eiseres] heeft zich beschikbaar gehouden voor de bedongen arbeid en zij maakt aanspraak op betaling van € 1.193,20 bruto per maand met overige emolumenten, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging.

2.6 Toen [eiseres] in augustus 2001 bij [gedaagde] ging werken, had zij moeten worden ingedeeld in de referentiefunctie "assistent bediening/fastfood" (functiegroep 2), aangezien deze is bedoeld voor medewerkers die geen opleiding en ervaring hebben in het horecabedrijf. Over de jaren 2001 en 2002 heeft [gedaagde] ongeveer het bij die functie behorende loon betaald. [eiseres] is van mening dat zij per 1 januari 2003 had moeten worden uitbetaald naar functiegroep 3, aangezien per die datum werd voldaan aan de bepaling: "als de bedrijfsfunctie meer verantwoordelijkheden heeft, zoals het na de vastgestelde periode uitvoeren van de werkzaamheden, conform de referentiefuncties medewerker bediening en medewerker fastfoodbedrijf, dan indeling in groep 3". In ieder geval per 1 januari 2003 verrichtte [eiseres] haar werkzaamheden niet meer onder intensieve begeleiding en onder toezicht van [gedaagde], maar volstrekt zelfstandig. Derhalve is sinds 1 januari 2003 te weinig loon uitbetaald, in verband waarmee [eiseres] aanspraak maakt op nabetaling van achterstallig salaris ad € 5.140,40, wettelijke verhoging en wettelijke rente.

2.7 Onjuist is dat [gedaagde] gedurende vier jaren de wachtperiodiek kon toepassen. Weliswaar kent de CAO met looptijd 1 juli 2005 tot en met 31 maart 2009 vier wachtperiodieken bij functiegroep 1, 2 of 3), maar de CAO die gold op het moment dat [eiseres] bij [gedaagde] in dienst trad (met looptijd 1 juli 2000 tot 1 juli 2002), kende twee wachtperiodieken. Ditzelfde geldt voor de CAO die van kracht was per 1 januari 2003.

2.8 [eiseres] is het niet eens met de stelling van [gedaagde] dat de tweede wachtperiodiek eindigde op 31 december 2004, omdat zij op 31 december 2003 niet in dienst was. Zij was op dat moment wel degelijk in dienst en heeft toen ook gewerkt, zij het gedurende minder uren dan daarvoor. Daarnaast wijst [eiseres] erop dat de CAO uitgaat van maximaal twee wachtperiodieken; het is dus mogelijk dat eerdere indeling in functiegroep 3 plaatsvindt.

2.9 [eiseres] heeft gedurende het dienstverband nimmer vakantietoeslag ontvangen, met uitzondering van een bedrag van € 74,60 bruto in de afrekening over april 2006. Aan vakantietoeslag is een bedrag ad € 1.875,03 bruto verschuldigd.

3. Verweer

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. Hij voert daartoe het navolgende aan.

3.1 [eiseres] is in de periode van september 2003 tot 1 mei 2004, terwijl zij het praktijkdeel van haar kappersopleiding volgde, niet in de weekenden voor [gedaagde] blijven werken. Gedurende deze periode heeft [eiseres] niet voor [gedaagde] gewerkt en was de arbeidsrelatie tussen [gedaagde] en [eiseres] feitelijk geëindigd.

3.2 Zou het ter comparitie door [eiseres] ingenomen standpunt dat zij in die periode tijdens de koopavonden werkte wel juist zijn - hetgeen [gedaagde] ook betwist - dan waren er in ieder geval in de maanden januari, februari en maart 2004 in [plaats] geen koopavonden, zodat de arbeidsrelatie gedurende tenminste drie maanden is onderbroken.

3.3 In de periode 1 mei 2004 tot 1 november 2005 is [eiseres] weer als oproepkracht voor [gedaagde] komen werken. In het schriftelijke oproepcontract is uitdrukkelijk overeengekomen dat bij niet werken geen loon wordt uitbetaald en dat uit enige regelmaat in gewerkte uren niet de conclusie kan worden getrokken dat van een vast dienstverband sprake is.

3.4 De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 november 2005 tot 1 mei 2006 is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de moeder van [eiseres], omdat [eiseres] een arbeidsovereenkomst met garantie-uren nodig had om in aanmerking te komen voor een huurwoning.

3.5 [naam restaurant] heeft te maken gehad met een enorme omzetdaling (40% ten opzichte van een paar jaar geleden) als gevolg van hinder van de verbouwingswerkzaamheden aan het gemeentehuis, waar [naam restaurant] inpandig is gevestigd, alsmede de werkzaamheden van het in aanbouw zijnde winkelcentrum tegenover [naam restaurant], op 10 meter afstand. De prognose is evenmin positief. Daarom was het niet mogelijk om de arbeidsovereenkomst van [eiseres] na 1 mei 2006 nog te verlengen.

3.6 Er is sprake van een ongeschoolde medewerkster, waarvoor de CAO een speciale regeling kent, de zogenaamde wachtperiodiek. Die regeling bepaalt dat gedurende twee/vier jaren het minimumjeugdloon mag worden toegepast. Er is € 25.301,00 aan [eiseres] betaald, terwijl uitgaande van het minimumjeugdloon eigenlijk € 21.945,99 verschuldigd was. Derhalve heeft [gedaagde] ruimschoots aan zijn financiële verplichtingen jegens [eiseres] voldaan.

3.7 De werkzaamheden welke [eiseres] heeft verricht gedurende de periode dat zij ten behoeve van [naam restaurant] werkzaam is geweest zijn onveranderd gebleven. De verantwoordelijkheid en zelfstandigheid in de functie zijn gedurende de gehele periode op hetzelfde niveau gebleven en er is dus ook geen sprake geweest van verandering van het functieniveau. [eiseres] had tot het einde toe begeleiding nodig bij zaken als lastige klanten en heeft nooit zelfstandig gewerkt. De bedrijfsleider was altijd aanwezig om bij te sturen.

4. Beoordeling

4.1 De kantonrechter neemt hier over hetgeen zij heeft overwogen en beslist in het op 8 februari 2007 gewezen tussenvonnis.

4.2 [eiseres] heeft in de periode voorafgaand aan de schriftelijke overeenkomst met als ingangsdatum 1 november 2005, in ieder geval vanaf 1 mei 2004 werkzaamheden verricht op basis van een (schriftelijke) oproepovereenkomst voor onbepaalde tijd. Indien de lezing van [gedaagde] van de feiten juist is, dan is een oproepovereenkomst voor onbepaalde tijd, die op 1 mei 2004 is aangevangen en met wederzijds goedvinden is geëindigd op 31 oktober 2005, per 1 november 2005 gevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden. Indien de lezing van [eiseres] juist is, dan is de oproepovereenkomst voor onbepaalde tijd op 1 augustus 2001 aangevangen en per 1 november 2005 gevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden. De vraag is of die arbeidsovereenkomst vervolgens van rechtswege is geëindigd per 30 april 2006.

4.3 Zoals uit de navolgende rechtsoverwegingen blijkt, acht de kantonrechter voor de beoordeling van de vraag of de overeenkomst per 30 april 2006 van rechtswege is geëindigd van doorslaggevend belang of [eiseres] werkzaamheden heeft verricht in de periode september 2003 tot 1 mei 2004, zoals [eiseres] stelt maar [gedaagde] betwist.

4.4 [eiseres] heeft gewezen op de zogenaamde Ragetlie-regel, die is gecodificeerd in art. 7:667 lid 4 BW, waaruit volgt dat indien een voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst, die anders dan door rechtsgeldige opzegging of door ontbinding door de rechter is geëindigd, éénmaal of meermalen is voortgezet door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, voor de beëindiging van die laatste arbeidsovereenkomst voorafgaande opzegging nodig is. Anders gezegd eindigt een dergelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die volgt op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet van rechtswege en dient de werkgever deze - na verkregen toestemming van de CWI - op te zeggen. Aangezien [gedaagde] niet beschikte over toestemming van de CWI om de arbeidsovereenkomst met [eiseres] op te zeggen, zou dit betekenen dat de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] niet rechtsgeldig per 30 april 2006 is geëindigd.

4.5 De Ragetlie-regel is niet onverkort van toepassing indien er sprake is van een oproepovereenkomst voor onbepaalde tijd. De oproepovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf 1 mei 2004, die juridisch gekwalificeerd kan worden als een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (immers, afgesproken is dat [eiseres] alleen arbeid dient te verrichten na daartoe te zijn opgeroepen en [gedaagde] is alleen loon verschuldigd over de uren waarop arbeid is verricht), kan naar het oordeel van de kantonrechter namelijk niet gelijk gesteld worden met een 'gewone' arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

4.6 Weliswaar heeft de Hoge Raad in het Agfa-arrest (HR 8 april 1994, JAR 1994/94) geoordeeld dat een werknemer, die krachtens oproepcontract werkzaam is, aanspraak kan maken op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wanneer hij zo permanent werkzaam is dat de wijze waarop hij zijn werkzaamheden verricht zich vrijwel niet onderscheidt van die van het personeel in vaste dienst, maar daarmee is de onderhavige situatie niet gelijk te stellen. In het genoemde arrest van de Hoge Raad was er sprake van een arbeidsrelatie die meer dan vijf jaar had geduurd.

4.7 Veronderstellenderwijs uitgaande van de door [gedaagde] gestelde onderbreking van de arbeidsrelatie gedurende meer dan drie maanden in de periode september 2003 tot 1 mei 2004, is uiterlijk per laatstgenoemde datum tussen [gedaagde] en [eiseres] een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan, die per 1 november 2005 1 jaar en 7 maanden liep (en per 2 februari 2006, de datum waarop [eiseres] de betreffende arbeidsovereenkomst feitelijk heeft ondertekend, 1 jaar en 10 maanden). Naar het oordeel van de kantonrechter zijn deze periodes te kort om aan te nemen dat tussen partijen - stilzwijgend - een ‘gewone’ arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan. De Ragetlie-regel van artikel 7:667 lid 4 BW gaat dan ook niet op. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege is geëindigd per 1 mei 2006, indien het verweer van [gedaagde] slaagt dat de eerdere arbeidsrelatie tussen [gedaagde] en [eiseres] in de periode september 2003 tot 1 mei 2004 gedurende meer dan drie maanden is onderbroken.

4.8 Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat dit niet wegneemt, mede gelet op de urenomvang waarin [eiseres] werkzaam was ten behoeve van [gedaagde], dat het [gedaagde] vanzelfsprekend niet vrij stond om [eiseres] van de ene op de andere dag niet langer op te roepen. Dit heeft [gedaagde] echter ook niet gedaan; hij heeft [eiseres] per 1 november 2005 immers een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangeboden voor 32 uren per week. In beginsel liep die arbeidsovereenkomst, gelet op bovenstaande overwegingen, van rechtswege af op 30 april 2006.

4.9 Onder omstandigheden zou [gedaagde] op grond van goed werkgeverschap gehouden kunnen zijn geweest om aan [eiseres] per 1 mei 2006 wederom een arbeidsovereenkomst aan te bieden. [eiseres] heeft echter onvoldoende gesteld om die conclusie te kunnen rechtvaardigen, in het licht van de door [gedaagde] aangevoerde en door [eiseres] niet weersproken omstandigheden dat als gevolg van verbouwingswerkzaamheden rondom [naam restaurant] de hoeveelheid werkzaamheden aanzienlijk was teruggelopen en dat [gedaagde] met ingang van 1 januari 2007 de exploitatie van [naam restaurant] zelfs geheel heeft gestaakt vanwege slechte bedrijfsresultaten en vooruitzichten.

4.10 Indien de arbeidsverhouding tussen [gedaagde] en [eiseres] niet gedurende meer dan drie maanden is onderbroken in de periode tussen september 2003 en 1 mei 2004, dan is de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd naar het oordeel van de kantonrechter niet van rechtswege geëindigd per 30 april 2006. De arbeidsrelatie duurde dan immers gerekend vanaf 1 augustus 2001 per 30 april 2006 al bijna vijf jaren, zonder relevante onderbreking, dat wil zeggen zonder onderbreking van meer dan drie maanden. Alsdan dient te worden aangenomen dat de arbeidsrelatie in de periode tot 1 november 2005 inmiddels wel kwalificeerde als een ‘gewone’ arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op grond van het bepaalde in artikel 7:667 lid 4 BW (de Ragetlie-regel), is de daaropvolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op 30 april 2006 dan niet van rechtswege geëindigd.

4.11 Essentieel voor de beantwoording van de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] per 1 mei 2006 van rechtswege is geëindigd, is derhalve of de arbeidsrelatie tussen partijen in de periode september 2003 tot 1 mei 2004 gedurende meer dan drie maanden is onderbroken. De kantonrechter ziet gelet op de rechtsvermoedens van artikel 7:610a en 7:610b BW - mede gezien de bedoeling van de wetgever om de positie van de oproepkracht jegens de oproepwerkgever te versterken - aanleiding om uit te gaan van het - weerlegbare - rechtsvermoeden dat sprake is geweest van een doorlopende arbeidsrelatie, behoudens door [gedaagde] te leveren tegenbewijs. Derhalve wordt [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van zijn stelling dat de arbeidsrelatie met [eiseres] in de periode september 2003 tot 1 mei 2004 gedurende meer dan drie maanden is onderbroken.

4.12 Beantwoording van de vraag of de arbeidsrelatie tussen [gedaagde] en [eiseres] in de periode september 2003 tot 1 mei 2004 gedurende meer dan drie maanden is onderbroken, is ook van belang voor de beoordeling van de vordering van [eiseres] ten aanzien van achterstallig loon. Indien tussen [gedaagde] en [eiseres] een nieuwe arbeidsrelatie is aangegaan per 1 mei 2004 - na een onderbreking van meer dan drie maanden - dan biedt de CAO naar het oordeel van de kantonrechter aan [gedaagde] de mogelijkheid om bij deze nieuwe arbeidsovereenkomst twee wachtperiodieken toe te passen. De CAO biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de werkervaring die [eiseres] als losse oproepkracht in de periode 1 augustus 2001 tot september 2003 heeft opgedaan ertoe zou moeten leiden dat het [gedaagde] niet was toegestaan om bij (her)indiensttreding per 1 mei 2004 twee wachtperiodieken toe te passen. Daarbij acht de kantonrechter mede van belang dat de urenomvang van de door [eiseres] in die periode verrichte werkzaamheden vrij beperkt was, zodat haar werkervaring eveneens relatief beperkt was. Indien komt vast te staan dat de arbeidsrelatie tussen [gedaagde] en [eiseres] in de periode september 2003 tot 1 mei 2004 gedurende meer dan drie maanden is onderbroken, dan zal de vordering terzake van achterstallig loon derhalve worden afgewezen.

4.13 Indien niet komt vast te staan dat de arbeidsrelatie in de periode september 2003 tot 1 mei 2004 gedurende meer dan drie maanden is onderbroken, dan gaat de kantonrechter er gelet op de CAO vanuit dat [gedaagde] gerechtigd was om twee wachtperiodieken toe te passen met ingang van 1 augustus 2001, terwijl vanaf 1 januari 2004 dan de verplichting bestond om [eiseres] tenminste op het basisloon behorende bij de toepasselijke functiegroep in te schalen. De CAO met looptijd 1 juli 2005 tot en met 31 maart 2009, die vier wachtperiodieken toestaat, is hoe dan ook niet van toepassing in deze situatie omdat die CAO niet van kracht was per 1 januari 2004, op welke datum de periode waarover twee wachtperiodieken die op grond van de toen toepasselijke CAO mochten worden toegepast, was verstreken, terwijl [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat de eerdere CAO’s slechts twee wachtperiodieken kenden. Mocht [gedaagde] niet slagen in de bewijsopdracht, dan zal de kantonrechter in het eindvonnis hieromtrent een definitieve beslissing nemen.

4.14 Tegen de vordering terzake van achterstallige vakantiebijslag, heeft [gedaagde] geen separaat verweer gevoerd. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] slechts eenmaal vakantiebijslag heeft uitbetaald, te weten een bedrag van € 74,60 bruto bij de eindafrekening over de maand april 2006. Voor het overige is geen vakantiebijslag uitbetaald. Uitgangspunt van artikel 17 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is dat de vakantiebijslag in de maand juni wordt uitbetaald. Daarvan kan bij publiekrechtelijke regeling of schriftelijke overeenkomst worden afgeweken. Niet gesteld noch gebleken is dat een dergelijke afwijking tussen [gedaagde] en [eiseres] van toepassing is. [eiseres] heeft derhalve recht op achterstallige vakantiebijslag. De hoogte van haar vordering is eveneens afhankelijk van vraag of de arbeidsrelatie tussen [gedaagde] en [eiseres] in de periode september 2003 tot 1 mei 2004 gedurende meer dan drie maanden is onderbroken. Is er geen sprake geweest van deze onderbreking, dan is de vordering van [eiseres] terzake van achterstallige vakantiebijslag hoger omdat in dat geval over het te weinig betaalde loon tot 1 mei 2006 alsmede over de loonvordering vanaf 1 mei 2006 ook nog vakantiebijslag verschuldigd is. Ook hieromtrent zal de kantonrechter in het eindvonnis een definitieve beslissing nemen.

4.15 Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.16 Tot slot geeft de kantonrechter partijen nog in overweging om te bezien of zij naar aanleiding van dit vonnis mogelijkheden zien om hun geschil in der minne op te lossen.

Beslissing

De kantonrechter:

1. laat [gedaagde] toe tegenbewijs te leveren tegen het rechtsvermoeden dat de arbeidsrelatie met [eiseres] in de periode september 2003 tot 1 mei 2004 niet gedurende meer dan drie maanden is onderbroken;

2. verwijst de zaak naar de openbare terechtzitting van donderdag 24 mei 2007 te 11.00 uur alwaar [gedaagde] in de gelegenheid is zich uit te laten of hij voormeld bewijs wenst te leveren, eventuele schriftelijke bewijsstukken in het geding te brengen en, zo hij bewijs wenst te leveren door middel van het doen horen van getuigen, opgave te doen van de personalia van de getuigen alsmede van de verhinderdata van alle betrokkenen in de periode 15 juni 2007 tot 1 september 2007;

3. [eiseres] is op 24 mei 2007 eveneens in de gelegenheid haar eventuele verhinderingen alsmede de verhinderingen van haar gemachtigde op te geven;

4. houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Frikkee, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.