Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8399

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
09/755091-03
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BV2959, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift en oplichting. Verdachte heeft zich in zijn hoedanigheid van apotheker schuldig gemaakt aan fraude door recepten te "knippen", waardoor hij meerdere keren de wettelijke vergoeding per afgegeven receptregel kon declareren bij de zorgverzekeraars. Verdachte heeft zich op voornoemde wijze gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan grootschalige oplichting. Voorts zijn tengevolge van zijn werkwijze de medische patiëntgegevens inzake de voorgeschreven en verstrekte medicamenten van de op het geautomatiseerde netwerk aangesloten huisartsen ten onrechte aangepast met alle gezondheidsrisico's van dien voor de betreffende patiënten. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het gegeven dat het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn is geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een werkstraf. De rechtbank acht een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf passend en geboden. De straf is gegrond op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 57, 225, 326 van het Wetboek van Strafrecht. Gevangenisstraf van 14 maanden met aftrek, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 14a
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2007/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/755091-03

's-Gravenhage, 29 juni 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 05 april 2005, 18 oktober 2005, 14 april 2006 en 15 juni 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. A. Moskowicz, advocaat te Amsterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er hebben zich benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr. Van Die heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Beroep op nietigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft als verweer gevoerd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard. Daartoe heeft hij - overigens eerst pas ter zitting van 15 juni 2007 - aangevoerd dat het samenstel van handelingen dat is telastgelegd zeer algemeen en uitgebreid is, zodat uit hoofde van de telastlegging niet is te bepalen welk concreet verwijt aan zijn cliënt wordt gemaakt.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Naar het oordeel van de rechtbank behelst de dagvaarding, in onderlinge samenhang bezien met het dossier, een voldoende duidelijke en eenduidige opgave van de aan verdachte verweten gedragingen. Verdachte heeft onder meer bij de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting van 5 april 2005 en 15 juni 2007 ook blijk gegeven dat het hem voldoende duidelijk was welke handelingen hem worden verweten. De dagvaarding voldoet, ook overigens, aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt.

Beroep op schorsing der vervolging.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de vervolging te schorsen op grond van artikel 14 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv). De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat thans een civiele procedure aanhangig is tussen (het voormalig apothekersbedrijf van) verdachte en zorgverzekeraar [A], waarvan de uitkomst relevant is voor de onderhavige strafzaak.

De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman af en overweegt daartoe als volgt.

Op grond van artikel 14, eerste lid, Sv kan de rechter, indien de waardering van het telastegelegde feit afhangt van de beoordeling van een geschilpunt van burgerlijk recht, de vervolging, in welke stand ook, voor bepaalde tijd schorsen teneinde de uitspraak van de burgerlijke rechter over het geschilpunt af te wachten.

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat de civiele kamer van deze rechtbank bij vonnis van 1 december 2004 verdachte en zijn apothekersbedrijf - kort gezegd - hoofdelijk heeft veroordeeld tot betaling van een bedrag van ruim 500.000 euro aan zorgverzekeraar [A] (verder: [A]) in verband met door [A] over 2001 ten onrechte uitgekeerde bedragen. Een gedeelte van de toegewezen vordering, ruim 100.000 euro, had betrekking op zg. receptregelvergoedingen die verdachte in 2001 ten onrechte bij deze zorgverzekeraar in rekening had gebracht. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft dit vonnis bij arrest van 19 december 2006 bekrachtigd. Verdachte heeft cassatieberoep tegen dit vonnis ingesteld.

De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval geen enkele aanleiding om de vervolging te schorsen in afwachting van een oordeel van de Hoge Raad in bovengenoemde civiele procedure. Daartoe wordt vooropgesteld dat onder de telastgelegde gedragingen weliswaar tevens is begrepen het ten onrechte declareren van receptregelvergoedingen in de periode van 2001 bij zorgverzekeraar [A], doch dat de telastgelegde feiten zien op een periode van bijna vijf jaar en op declaraties bij diverse andere zorgverzekeraars. Ook overigens valt niet in te zien dat de waardering van de telastgelegde feiten in deze zaak afhangt van de afloop van bovengenoemde civiele procedure in hoogste instantie.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Bewijsoverweging.

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij met toestemming van de zorgverzekeraar(s) per recept meer receptregels heeft gedeclareerd dan op grond van de regelgeving was toegestaan, omdat hij op die wijze in het verleden gemiste opbrengsten kon compenseren. Deze afspraken zouden op schrift zijn gesteld. Ter zitting heeft verdachte voorts verklaard dat hij de afgekeurde recepten heeft bewaard (in dozen) en dat hij bij de verstrekking van medicamenten aan de patiënt van wie in het verleden receptregels waren afgekeurd, het nieuwe recept "knipte". Deze werkwijze was volgens de verdachte zeer bewerkelijk. Er is naar het oordeel van verdachte geen sprake van "oogmerk van bevoordeling" als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht het standpunt van verdachte niet aannemelijk en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft geen stukken kunnen overleggen waaruit van de gestelde afspraken met een of meer zorgverzerkeraar(s) blijkt. In dit verband heeft verdachte verklaard dat deze stukken zich vóór zijn aanhouding in de boekhouding van de apotheek bevonden en dat hem nadien door justitie de toegang tot de apotheek was ontzegd. Toen hij op een gegeven moment wel gelegenheid kreeg om zijn apotheek te bezoeken, bleken de desbetreffende stukken niet meer voorhanden. Naar het oordeel van de rechtbank zouden de gestelde afspraken eenvoudigweg kunnen worden opgevraagd bij de betreffende zorgverzekeraar, doch ieder van de in deze zaak betrokken zorgverzekeraars heeft het bestaan van de gestelde schriftelijke afspraken ontkend. Voorts ziet de rechtbank niet in waarom de zorgverzekeraars een nog aan verdachte uit te keren vergoeding over eerdere jaren niet ineens zouden uitkeren, wanneer - zoals verdachte stelt - over de aard en de omvang van dat bedrag overeenstemming bestaat. Dat een zorgverzekeraar toestemming zou verlenen om op de wijze zoals verdachte dat heeft gesteld een achterstallige vordering van - volgens verdachte - ca. 3,2 miljoen Nederlandse gulden in te lopen acht de rechtbank zozeer afwijkend van hetgeen in het verkeer tussen zorgverleners en zorgverzekeraars gebruikelijk is, dat verdachtes standpunt hieromtrent niet kan worden gevolgd. Niet alleen brengt dat een zeer arbeidsintensieve werkwijze met zich, maar ook zou daarmee worden toegestaan dat de verstrekkingenadministratie van verdachte gedurende een lange periode niet overeen zou komen met de daadwerkelijke verstrekking van medicamenten aan patiënten. Daarenboven hebben de zorgverzekeraars vorderingen van een aanzienlijke omvang ingediend wegens ten onrechte gedeclareerde vergoedingen en dat staat eveneens haaks op het standpunt van verdachte. Ten slotte heeft verdachte ter zitting desgevraagd niet kunnen verklaren op welke wijze het "inlopen" van de gemiste opbrengsten zou worden bewaakt.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in zijn hoedanigheid van apotheker schuldig gemaakt aan fraude door recepten te "knippen", waardoor hij meerdere keren de wettelijke vergoeding per afgegeven receptregel kon declareren bij de zorgverzekeraars. Verdachte heeft zich op voornoemde wijze gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan grootschalige oplichting. Voorts zijn tengevolge van zijn werkwijze de medische patiëntgegevens inzake de voorgeschreven en verstrekte medicamenten van de op het geautomatiseerde netwerk aangesloten huisartsen ten onrechte aangepast met alle gezondheidsrisico's van dien voor de betreffende patiënten.

De samenleving moet kunnen vertrouwen op de integriteit van apothekers wegens hun prominente rol bij de geneesmiddelenvoorziening. De zorgverzekeraars moeten erop kunnen vertrouwen dat de apothekers juiste declaraties indienen. Verdachte heeft dit vertrouwen door zijn handelwijze ernstig geschonden. Bovendien kunnen deze gedragingen ertoe leiden dat de zorgverzekeraars onnodige kosten maken, die tot verhoging van de verzekeringpremies kunnen leiden. Het is van groot maatschappelijk belang dergelijke gedragingen te bestrijden.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het gegeven dat het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn is geschonden. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat van het totale tijdsverloop van 45 maanden tussen het eerste verhoor van verdachte en het onderhavige vonnis, een termijn van 14 maanden niet voor rekening van verdachte mag komen. Op verzoek van de verdediging is de behandeling van de zaak op de zitting van 5 april 2005 en op 18 oktober 2005 immers aangehouden voor het horen van getuigen. Vervolgens heeft de voorgenomen inhoudelijke behandeling van de zaak op 14 april 2006 geen doorgang gevonden omdat nog één getuige moest worden gehoord. Deze getuige is eerst op de zitting van 15 juni 2007 door de rechtbank gehoord. Nu het Openbaar Ministerie sinds 14 april 2006 geen voortvarendheid heeft betracht in het opnieuw aanbrengen van de zaak, is de overschrijding van de redelijke termijn vanaf dat moment verdachte niet aan te rekenen.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een op naam van de verdachte staand Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 24 mei 2007 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een werkstraf omdat daarin onvoldoende de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten tot uitdrukking komt, zoals onder meer in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf passend en geboden. Indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, hebben opgelegd. De rechtbank zal het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf thans verminderen met 10%.

De vordering van de benadeelde partij.

[Zorgverzekeraar B], gevestigd te [vestigingsplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 59.342,=;

[Zorgverzekeraar C], gevestigd te [vestigingsplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 24.523,91;

[Zorgverzekeraar D], gevestigd te [vestigingsplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 20.256,60.

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet ontvankelijk verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding, aangezien de vorderingen niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partijen kunnen de vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a (oud), 14b (oud), 14c, 57, 225, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

T.a.v. feit 1:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

en

T.a.v. feit 2:

Oplichting, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op : 10 september 2003,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 12 september 2003,

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van : 03 oktober 2003;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 5 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

bepaalt dat de navolgende benadeelde partijen niet ontvankelijk zijn in hun respectievelijke vorderingen tot schadevergoeding, en dat zij deze vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen:

- [Zorgverzekeraar B], gevestigd te [vestigingsplaats];

- [Zorgverzekeraar C], gevestigd te [vestigingsplaats];

- [Zorgverzekeraar D], gevestigd te [vestigingsplaats];

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Bergman, voorzitter,

Bockwinkel en Steenhuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Hardon, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2007.