Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8312

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
AWB 05/6181 OVDRBL en AWB 05/6182 OVDRBL
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

overdrachtsbelasting, vrijstelling art. 15-1-a WBR. Grond aan te merken als bouwterrein in zin van art. 11-4 Wet OB?

Geen gewekt vertrouwen door brief aan eerdere verkrijgers ter zake van eerdere levering van dezelfde grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/6181 OVDRBL en AWB 05/6182 OVDRBL

Uitspraakdatum: 16 mei 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres 1], gevestigd te [plaats],

[eiseres 2]., gevestigd te [plaats], eiseressen,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan ieder van de eiseressen een naheffingsaanslag (aanslagnummers [000000000] en [1111111111]) overdrachtsbelasting opgelegd, alsmede bij beschikking een verzuimboete.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 22 juli 2005 de naheffingsaanslagen gehandhaafd en de boetebeschikkingen vernietigd.

1.3. Eiseressen hebben daartegen bij brief van 31 augustus 2005, ontvangen bij de rechtbank op 1 september 2005, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2007 te 's-Gravenhage. Namens eiseressen is daar verschenen mr. A.F. Fruijtier. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen van [A.]. met zaaknummer AWB 05/5817 OVDRBL, [B.] met zaaknummer AWB 05/5820 OVDRBL, [C.]. met zaaknummer AWB 05/5822 OVDRBL, [D.] met zaaknummer AWB 05/5823 OVDRBL en [E.]. met zaaknummer AWB 05/6183 OVDRBL. Ter zitting zijn tevens verschenen [naam] van [C.]. en [naam] namens [E.]. Namens verweerder zijn verschenen [....].

De gemachtigde van eiseressen heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1. Bij akte van levering van 2 juli 2003 hebben eiseressen een aantal percelen grond verkregen, gelegen nabij de [adres A.] te [Q.], kadastraal bekend als gemeente [Q.], sectie L, nummers 474, 477, 524 en 556 (hierna: de percelen).

2.2. Eiseressen hebben een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet belastingen van rechtsverkeer (Wet BvR) omdat sprake is van een bouwterrein in de zin van artikel 11, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

2.3. De koopprijs bedraagt € 4.761.082 vermeerderd met een bedrag van € 672.502 aan omzetbelasting.

2.4. Op de percelen rust een zakelijk recht van opstal ten behoeve van het Hoogheemraadschap van Delfland inhoudende de bevoegdheid tot het aanleggen, gebruiken en instandhouden van een watertransportleiding met eventueel bijbehoren.

2.5. Over de percelen lopen zogenoemde persleidingen ten behoeve van de afvoer van vuil water naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

2.6. Blijkens het bestemmingplan rust op de percelen de bestemming "bouw voor industriële bedrijven". Het bestemmingsplan stamt uit 1972.

2.7. In 1978 is ten oosten van de percelen de [adres B.] aangelegd, ten oosten waarvan in de jaren daarna het industrieterrein [X.] (hierna: het industrieterrein) is ontwikkeld. Voorts is vanaf de [adres A.] een afrit gemaakt ten behoeve van voornoemd industrieterrein.

2.8. In juni 1999 is aan de gemeente [Q.] een rapport uitgebracht betreffende het bouwrijp maken van de percelen voor de uitbreiding van het industrieterrein. In september 1999 heeft een verkennend bodemonderzoek aan de percelen plaatsgevonden.

2.9. In 2002 is op de percelen een archeologisch onderzoek uitgevoerd waarover in maart 2003 een rapport is uitgebracht. In 2003 is een onderzoek aan de percelen uitgevoerd in het kader van de Flora- en faunawet waarover in juni 2003 een rapport is uitgebracht.

2.10. De percelen zijn door de verkoper gedeeltelijk verkregen bij akte van levering van 28 oktober 1999. De volledige eigendom is door verkoper verkregen bij akte van verdeling van 23 oktober 2001. Ter zake van de levering van de percelen op 28 oktober 1999 is door één van de verkrijgers gecorrespondeerd met de inspecteur omzetbelasting van de Belastingdienst, kantoor [P] (hierna: inspecteur OB).

2.11. Op 16 februari 2000 deelt de inspecteur OB aan de desbetreffende verkrijger mee dat hij niet bereid is de door haar gevraagde teruggaaf ter zake van de levering op 28 oktober 1999 te verlenen. De inspecteur OB stelt zich op het standpunt dat de gezamenlijke verkrijgers zich als combinatie dienen aan te melden en dat deze combinatie de omzetbelasting op aangifte kan terugvragen. In die brief is verder onder meer de volgende passage opgenomen.

"Overigens is het nog de vraag of de transaktie terecht in de omzetbelastingsfeer is betrokken. Op basis van hetgeen in de akte is beschreven is het niet geheel duidelijk of de grond als bouwterrein in de zin van de omzetbelastingwetgeving kan worden beschouwd."

2.12. In zijn brief van 18 februari 2000 deelt de inspecteur omzetbelasting mee dat hij bereid is de door voornoemde verkrijger gevraagde teruggaaf te verlenen onder de volgende voorwaarde.

"(...), indien u een verklaring afgeeft waaruit blijkt dat de combinatie verantwoordelijk wordt voor eventuele herzieningsbtw, etc., indien blijkt dat de bestemming of het gebruik van de aangekochte onroerende zaak in de toekomst wijzigt."

3. Geschil

3.1. In geschil is de vraag of de percelen kwalificeren als bouwterrein in de zin van artikel 11, vierde lid, Wet OB (hierna: bouwterrein). Tussen partijen is niet in geschil dat indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, eiseressen recht hebben op de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet BvR.

3.2. Indien geen sprake is van een bouwterrein is de vraag in geschil of verweerder bij eiseressen het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat sprake is van een bouwterrein.

3.3. Eiseressen beantwoorden beide vragen bevestigend en concluderen tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering van de naheffingsaanslagen tot nihil. Verweerder beantwoordt beide vragen ontkennend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet BvR is, voor zover hier van belang, van de overdrachtsbelasting vrijgesteld de verkrijging krachtens een levering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, ten eerste, van de Wet OB, ter zake waarvan omzetbelasting is verschuldigd, tenzij het goed als bedrijfsmiddel is gebruikt en de verkrijger de omzetbelasting op grond van artikel 15 van de Wet OB geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen.

4.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten eerste, van de Wet OB is de levering van een onroerende zaak vrijgesteld voor de omzetbelasting met uitzondering van, voor zover hier van belang, de levering van een bouwterrein.

4.3. Artikel 11, vierde lid, van de Wet OB definieert het begrip bouwterrein als volgt.

Onbebouwde grond:

a. waaraan bewerkingen plaatsvinden of hebben plaatsgevonden;

b. ten aanzien waarvan voorzieningen worden of zijn getroffen die uitsluitend dienstbaar zijn aan de grond;

c. in de omgeving waarvan voorzieningen worden of zijn getroffen; of

d. ter zake waarvan een bouwvergunning is verleend;

met het oog op de bebouwing van de grond.

bouwterrein

4.4. Gezien het jaar van aanleg van de [adres B.], de daarop volgende ontwikkeling van het industrieterrein en het verdere tijdsverloop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat die weg is aangelegd met het oog op de ontwikkeling van het industrieterrein. Eiseressen hebben dit op zichzelf ook niet bestreden maar stellen dat de [adres B.] tevens is aangelegd met het oog op de ontwikkeling van de percelen. De enkele omstandigheid dat de percelen baat kunnen hebben van de aanleg van de [adres B.], rechtvaardigt echter niet de conclusie dat die weg moet worden beschouwd als een voorziening die in de omgeving van de percelen is getroffen met het oog op de bebouwing van die percelen. Datzelfde geldt voor de afrit van de [adres A.] ten behoeve van het industrieterrein. Het enkele feit dat over de percelen persleidingen lopen ten behoeve van de afvoer van afvalwater leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van een bouwterrein nu niet aannemelijk is gemaakt dat die persleidingen zijn aangelegd met het oog op de bebouwing van de percelen. Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank gaat daar van uit dat de onder 2.8. en 2.9. genoemde onderzoeken geen bewerkingen zijn aan de percelen. Andere bewerkingen aan de percelen of in de omgeving daarvan zijn gesteld noch gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat ter zake van de percelen een bouwvergunning is verleend. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van de levering van een bouwterrein ter zake waarvan op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten eerste, van de Wet OB omzetbelasting verschuldigd is. De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de BvR is derhalve niet van toepassing.

vertrouwensbeginsel

4.5. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat voor de vraag of bij een levering van een onroerende zaak omzetbelasting verschuldigd is, het oordeel van de inspecteur die bevoegd is voor de omzetbelasting bepalend is. Dat betekent dat een eventueel door die inspecteur gewekt vertrouwen dat de levering van rechtswege in de omzetbelasting is betrokken, doorwerkt naar de vraag of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet BvR van toepassing is.

4.6. Eiseressen menen dat zij aan de onder 2.11. en 2.12. weergegeven correspondentie het vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat er sprake is van de levering van een bouwterrein.

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank is bij eiseressen niet het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat sprake is van de levering van een bouwterrein en dat geen overdrachtsbelasting verschuldigd is. De betreffende correspondentie heeft immers betrekking op een eerdere levering waarbij eiseressen in het geheel niet betrokken waren. Gesteld noch gebleken is dat eiseressen van die correspondentie kennis hebben genomen voorafgaand aan de levering dan wel tussen de levering en het opleggen van de naheffingsaanslag en als gevolg daarvan zijn uitgegaan van de levering van een bouwterrein dan wel er van uitgingen dat naheffing van overdrachtsbelasting achterwege zou blijven. Zo eiseressen al (vooraf) kennis genomen zouden hebben van die correspondentie, kan dit verweerder niet worden tegengeworpen nu deze correspondentie direct noch indirect was gericht tot eiseressen. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenmin worden gesteld dat de betreffende correspondentie een zodanig expliciet standpunt omtrent de feiten bevat dat een ieder die daarvan kennis zou nemen, hiervan uit zo mogen gaan.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 16 mei 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. Ebbeling, mr. T. van Rij en mr. K.M. Braun in tegenwoordigheid van

mr. L.M. Holdert, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.