Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8012

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-04-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/53490
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran / bekering tot het christendom / minimum aan kennisniveau / criteria

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn oordeel omtrent de onaannemelijkheid van de door eiser gestelde bekering niet in redelijkheid (overwegend) mogen laten afhangen van een beoordeling van de mate van juistheid waarmee eiser de hem gestelde zeer feitelijke vragen heeft beantwoord, nu zulks op zichzelf geen uitsluitsel biedt over de geloofsbeleving van eiser en eiser er geen blijk van heeft gegeven in het geheel niet over kennis van het christelijk geloof te beschikken. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 september 2003 (JV 2003/500). Voorts is de rechtbank, met eiser, van oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt welke criteria verweerder hanteert bij het vaststellen of er sprake is van een bekering en welk kennisniveau daarbij aanwezig geacht mag worden. Uit het voornemen, het bestreden besluit en het verweerschrift volgt dat verweerder als meetlat (met name) de website www.kalamekhoda.com heeft gehanteerd. Zoals blijkt uit het bestreden besluit heeft verweerder de kennis van eiser getoetst aan deze meetlat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de toetsing aan eerdergenoemde website geenszins een kenbare of voor de rechtbank toetsbare meetlat heeft toegepast. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat deze website geheel in het Farsi is opgemaakt. Verweerder heeft geen vertaling van de gebruikte teksten van deze website overgelegd en -ook ter zitting- niet kunnen aangeven aan welke delen c.q. passages van deze website is getoetst. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid nu verweerder ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) van 6 juni 2006 (hierna: WBV 2006/23). Blijkens paragraaf C8/6 van dit WBV wordt het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de gestelde feiten opgestart bij het Gemeenschappelijk Centrum Kennis, Advies en Ontwikkeling van de IND. De rechtbank is van oordeel dat noch uit de gehoren, noch uit het bestreden besluit blijkt of degene die eiser vragen heeft gesteld terzake kundig is. Evenmin blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder de door eiser gestelde feiten heeft laten onderzoeken door het Gemeenschappelijk Centrum Kennis, Advies en Ontwikkeling van de IND.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 06/53490

Datum uitspraak: 26 april 2007

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1975,

v-nummer 270.580.1361,

van Iraanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. E.C. Sluiter,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 5 november 2004 heeft eiser een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij besluit van 28 april 2005 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Eiser heeft hiertegen op 25 mei 2005 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 6 juli 2006 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle het beroep van eiser gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser wederom afgewezen.

Eiser heeft hiertegen op 1 november 2006 beroep ingesteld.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 20 maart 2007. Eiser is verschenen, bijgestaan door een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, mr. W.J.C. Robben. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.E.J. ten Berg.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Eiser heeft, kort samengevat, aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij zich in Iran heeft bekeerd tot het christendom en dientengevolge ernstige problemen (in de zin van vluchtelingrechtelijke vervolging dan wel een behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM) vreest van de zijde van de Iraanse autoriteiten.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder stelt zich allereerst op het standpunt dat op voorhand afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser nu hij niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding en hij zich niet onverwijld, onder opgave van de plaats waar of waarlangs hij Nederland is binnengekomen, heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast met grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenst.

Voorts heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser positieve overtuigingskracht ontberen. Daarbij acht verweerder van belang dat eiser slechts summier over het christendom heeft kunnen verklaren. De kennis van eiser ten aanzien van het christendom acht verweerder niet van een zodanig niveau dat de gestelde bekering van eiser, mede gelet op de situatie in Iran, geloofwaardig wordt geacht.

4. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat er wel is gebleken van een in redelijkheid te verwachten kennis over het christendom. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat uit het bestreden besluit niet blijkt welke criteria verweerder hanteert bij het vaststellen of er sprake is van een diepgewortelde geloofsovertuiging. Immers, verweerder stelt in het bestreden besluit en het verweerschrift dat aangenomen mag worden dat een bekering voortvloeit uit een diepgewortelde geloofsovertuiging, zodat een zeker kennisniveau ten aanzien van het christendom aanwezig verondersteld mag worden. Onduidelijk is echter gebleven bij welk minimum kennisniveau verweerder een bekering aannemelijk acht, aldus eiser. Eiser stelt voorts dat hij tijdens de gehoren enkele elementen heeft genoemd die voor hem dermate zwaarwegend waren dat deze reeds voldoende waren voor een diepgewortelde geloofsovertuiging en dat hij derhalve weloverwogen tot zijn geloofsovergang is gekomen.

Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat verweerder met het bestreden besluit geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle van 6 juli 2006. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen nu verweerder geen nieuw onderzoek naar zijn verklaringen heeft laten uitvoeren en er nauwelijks een bronnenonderzoek heeft plaatsgevonden.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder, gelet op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle van 6 juli 2006, in redelijkheid artikel 31, tweede lid sub c en f aan eiser heeft kunnen tegenwerpen. Dit wordt door partijen niet betwist.

Derhalve is de oprechtheid van het asielrelaas van eiser op voorhand aangetast en wordt er afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van dat relaas. Dit brengt volgens vaste jurisprudentie met zich dat verweerder bij zijn verdere beoordeling slechts van de juistheid van de verklaringen van eiser hoeft uit te gaan, indien in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen en van het asielrelaas dus een positieve overtuigingskracht uitgaat.

7. De rechtbank stelt verder vast dat bij uitspraak van 6 juli 2006, van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, in rechte vast is komen te staan dat “eiser over meer heeft verklaard dan de elementen die verweerder in het voornemen en de bestreden beslissing heeft vermeld en waarvan verweerder heeft overwogen dat deze elementen ook in de Islam bekend zijn. Eiser heeft niet alleen in algemene bewoording gesproken over hel, hemel, paradijs, God, Jezus, satan en Adam en Eva, ook kent hij de twee belangrijkste Christelijke feesten, weet hij van het bestaan van het onderscheid tussen protestanten en katholieken, heeft hij een behoorlijk aantal van de Tien Geboden opgesomd, benoemt hij het aspect van vergeving van zonden en verklaart hij dat hij gelooft dat Jezus Christus is vermoord vanwege zijn zonden en na drie dagen is herrezen. Dit zijn geen elementen die eiser uit de Islam bekend kunnen zijn. Nu deze elementen door eiser zijn genoemd teneinde zijn relaas aannemelijk te maken, hadden deze door verweerder in de beoordeling dienen te worden betrokken. Dit heeft verweerder ten onrechte niet gedaan.”

Vervolgens is bij voormelde uitspraak geoordeeld dat verweerder “ten onrechte geen aandacht besteed aan de verklaring van eiser dat hij eerst korte tijd tevoren is “bekeerd” en wat dit voor hem inhoudt.”

Voorts overweegt de rechtbank in haar uitspraak van 6 juli 2006 dat “de verklaring van eiser, anders dan verweerder meent, niet in strijd is met de ambtsberichten uit 2005 en 2006.”

Tot slot heeft de rechtbank overwogen (voor zover thans relevant) dat “eisers verklaringen dat hij en zijn vrienden materiaal en informatie over het christendom in huis hadden niet ongeloofwaardig is geacht.”

8. Uit het thans bestreden besluit kan worden afgeleid dat verweerder van oordeel is dat het relaas positieve overtuigingskracht ontbeert. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De rechtbank ziet zich tevens voor de vraag gesteld of verweerder het bestreden besluit heeft genomen met inachtneming van voornoemde uitspraak van 6 juli 2006. In dit verband wordt het volgende overwogen.

9. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het bestreden besluit van 4 oktober 2006 er onvoldoende blijk van dat verweerder uitvoering heeft gegeven aan de overwegingen die deze rechtbank in haar uitspraak van 6 juli 2006 heeft neergelegd. Hiertoe acht de rechtbank redengevend dat verweerder weliswaar in het voornemen en het bestreden besluit summier ingaat op de door eiser genoemde elementen, doch verweerder acht deze elementen alsnog onvoldoende om een diepgewortelde geloofsovertuiging aannemelijk te achten. Verweerder stelt zich hieromtrent op het standpunt dat de door eiser gegeven informatie over het christendom reeds bij hem aanwezig mag worden verwacht op grond van de overeenkomsten tussen de Bijbel en de Koran. Echter, verweerder miskent met deze argumentatie het overwogene van deze rechtbank in haar uitspraak van 6 juli 2006, dat eiser wel degelijk over verschillende elementen heeft verklaard die hem niet uit de Islam bekend kunnen zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn oordeel omtrent de onaannemelijkheid van de door eiser gestelde bekering niet in redelijkheid (overwegend) mogen laten afhangen van een beoordeling van de mate van juistheid waarmee eiser de hem gestelde zeer feitelijke vragen heeft beantwoord, nu zulks op zichzelf geen uitsluitsel biedt over de geloofsbeleving van eiser en eiser er geen blijk van heeft gegeven in het geheel niet over kennis van het christelijk geloof te beschikken. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 september 2003 (JV 2003/500).

Voorts laat verweerder wederom na om in te gaan op het feit dat eiser kort voor zijn vlucht uit Iran is bekeerd en wat voor invloed dit kan hebben op de verklaringen van eiser. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat het geloofwaardig is dat eiser en zijn vrienden materiaal en informatie over het christendom in huis hadden.

10. Voorts is de rechtbank, met eiser, van oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt welke criteria verweerder hanteert bij het vaststellen of er sprake is van een bekering en welk kennisniveau daarbij aanwezig geacht mag worden. Uit het voornemen, het bestreden besluit en het verweerschrift volgt dat verweerder als meetlat (met name) de website www.kalamekhoda.com heeft gehanteerd. Zoals blijkt uit het bestreden besluit heeft verweerder de kennis van eiser getoetst aan deze meetlat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de toetsing aan eerdergenoemde website geenszins een kenbare of voor de rechtbank toetsbare meetlat heeft toegepast. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat deze website geheel in het Farsi is opgemaakt. Verweerder heeft geen vertaling van de gebruikte teksten van deze website overgelegd en -ook ter zitting- niet kunnen aangeven aan welke delen c.q. passages van deze website is getoetst. Weliswaar heeft verweerder ter zitting het standpunt ingenomen dat er onderzoek heeft plaatsgevonden en dat het niet noodzakelijk is dat de rechtbank dit kan verifiëren, doch de rechtbank volgt dit standpunt niet. Immers, de motivering van een besluit dient voor eiser én de rechtbank voldoende toegankelijk en kenbaar te zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit op deze punten een deugdelijke motivering ontbeert en dat verweerder onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de overwegingen die deze rechtbank in haar uitspraak van 6 juli 2006 heeft neergelegd.

11. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid nu verweerder ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) van 6 juni 2006 (hierna: WBV 2006/23). Blijkens paragraaf C8/6 van dit WBV wordt het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de gestelde feiten opgestart bij het Gemeenschappelijk Centrum Kennis, Advies en Ontwikkeling van de IND. De rechtbank is van oordeel dat noch uit de gehoren, noch uit het bestreden besluit blijkt of degene die eiser vragen heeft gesteld terzake kundig is. Evenmin blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder de door eiser gestelde feiten heeft laten onderzoeken door het Gemeenschappelijk Centrum Kennis, Advies en Ontwikkeling van de IND. Ook tijdens het onderzoek ter zitting heeft verweerder niet kunnen aangeven of er een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit om deze redenen onzorgvuldig tot stand is gekomen.

12. De voorgaande aspecten beschouwend komt de rechtbank tot het oordeel dat de motivering van het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd, en onzorgvuldig is voorbereid. Het bestreden besluit komt derhalve wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

13. Derhalve is het beroep gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 4 oktober 2006;

draagt verweerder op binnen tien weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan eiser

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. Overbeeke en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2007 in tegenwoordigheid van L.E. Huberts als griffier.

de griffier de rechter