Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8005

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/52324
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing ongewenstverklaring / bijzondere of dringende omstandigheden / 3 EVRM / Somalie

Gelet op het gebruik van de bewoordingen "in ieder geval" in artikel 6.6 van het Vb2000, dragen de opheffingstermijnen het karakter van bovengrenzen. Er kunnen zich (bijzondere) omstandigheden voordoen waarbij de persoonlijke belangen van de vreemdeling dienen te prevaleren boven het algemeen belang van de staat voordat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zijn gelegen in een verbod tot uitzetting in verband met artikel 3 EVRM, of in het recht om hier te lande het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, te kunnen uitoefenen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom met betrekking tot eiser geen bijzondere of dringende omstandigheden bestaan die een (tijdelijke) opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 68
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 6.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/397
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummers: AWB 06/52324

Datum uitspraak: 31 mei 2007

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser] ,

geboren op [datum] 1980,

v-nummer [nummer] ,

van Somalische nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. P.H. Hillen,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesververloop

Eiser is bij besluit van 4 augustus 2004 ongewenst verklaard. Op 4 juli 2006 heeft eiser verzocht om (tijdelijke) opheffing van de ongewenstverklaring in de zin van artikel 68, eerste lid, van de Vw. Bij besluit van 18 augustus 2006 heeft verweerder dit verzoek niet ingewilligd.

Daartegen is namens eiser op 22 augustus 2006 bezwaar gemaakt en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 21 september 2006 (reg.nr Awb 06/40734) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 19 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 september 2006, het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 24 oktober 2006 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit. Voorts is namens eiser verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 19 april 2007. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.M.W. Jans.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft het verzoek om (tijdelijke) opheffing van de ongewenstverklaring afgewezen en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. In het onderhavige geval is niet gebleken van een uitzonderlijke en dringende situatie die noopt tot (tijdelijke) opheffing van de ongewenstverklaring. Uit het Wijzigingsbesluit van de Vreemdelingencirculaire (WBV) 2005/34 volgt dat uit Somalië afkomstige asielzoekers, behoudens contra-indicaties, voor categoriale bescherming in aanmerking komen. Eiser is op grond van zijn criminele antecedenten ongewenst verklaard en mitsdien is in zijn geval sprake van een contra-indicatie. Centraal staat dat eiser in het onderhavige geval een vertrekplicht heeft. Ten aanzien van het beroep van eiser op de getroffen interim measures door de President van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) stelt verweerder zich op het standpunt dat deze slechts een voorlopig oordeel betreffen in de individuele zaken van de desbetreffende Somaliërs en niets zeggen over de aanvaardbaarheid van uitzetting naar Somalië in het algemeen. De hier bedoelde interim measures kunnen daardoor niet hun weerslag hebben op de onderhavige zaak.

3. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende aangevoerd. Eiser is afkomstig uit Moghadishu in Somalië en behoort tot de Shansi van de subclan Reer Bandhabow, Reer Abukerow. Hij valt daarmee om twee redenen onder het categoriale beschermingsbeleid van verweerder ten aanzien van Somalië. Hij kan dan ook niet voldoen aan de uit de ongewenstverklaring voortvloeiende vertrekplicht. Dit heeft (onder meer) tot gevolg dat hij voortdurend het risico loopt te worden vervolgd voor overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Eiser stelt dat hij niet kan terugkeren naar Somalië omdat hij gegronde vrees heeft voor schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter ondersteuning van dit standpunt heeft eiser gewezen op de door de President van het EHRM afgegeven interim measures in het kader van de aldaar aanhangige Somalische zaken. Verweerder dient de achterliggende redenen voor het instellen van het categoriale beschermingsbeleid bij zijn beoordeling te betrekken. Eiser kan voorts - daargelaten nog dat hij niet over reisdocumenten beschikt - ook niet naar een ander Europees land vertrekken, omdat hij gesignaleerd staat in het zogeheten Schengen informatiesysteem.

Eiser heeft verder een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM, omdat hij en zijn Britse partner, die het christelijke geloof aanhangt, een kind verwachten, en dat niet verwacht kan worden dat eiser met zijn partner (en inmiddels baby) het gezinsleven in Somalië kan uitoefenen.

4. Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Vw 2000 kan verweerder op aanvraag van de vreemdeling besluiten tot opheffing van de ongewenstverklaring. Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel wordt de ongewenstverklaring opgeheven, indien de vreemdeling tien jaren onafgebroken buiten Nederland verblijf heeft gehad en zich in die periode geen gronden, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Vw 2000 hebben voorgedaan.

5. Ingevolge artikel 6.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Wet, door Onze Minister in ieder geval ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging terzake van misdrijf is onderworpen en ongewenst verklaard is:

a. naar aanleiding van geweldsdelicten of opiumdelicten en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven;

b. naar aanleiding van ander misdrijven en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven, of

c. op grond van artikel 67, eerste lid, onder a, van de Wet en sinds de ongewenstverklaring één jaar buiten Nederland heeft verbleven.

6. Op grond van artikel 6.7 van het Vb 2000 kan verweerder in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen de ongewenstverklaring tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. De rechtbank stelt voorop dat de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 21 september 2006, voorzover de voorzieningenrechter daarbij een oordeel heeft gegeven over het besluit van 18 augustus 2006, een voorlopig karakter heeft en de rechtbank niet bindt bij haar beslissing in de onderhavige procedure.

9. De rechtbank constateert dat verweerder bij het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 18 augustus 2006, in verband met artikel 6.6 van het Vb heeft overwogen dat eiser, aangezien hij Nederland nimmer heeft verlaten en hij veroordeeld is wegens (onder meer) handel in verdovende middelen, eerst na tien jaar om opheffing van de ongewenstverklaring kan verzoeken.

10. Hierin kan de rechtbank verweerder niet volgen. Gelet op het gebruik van de bewoordingen ‘in ieder geval’ in artikel 6.6 van het Vb 2000, dragen de opheffingstermijnen het karakter van bovengrenzen. Bij overschrijding hiervan, verandert de discretionaire opheffingsbevoegdheid in een gebonden opheffingsverplichting voor verweerder. Deze kwalificatie en de daarmee verband houdende beoordelingsvrijheid vóór ommekomst van de toepasselijke opheffingstermijn, impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat de wet zich niet verzet tegen een opheffingsverzoek en een deugdelijke beoordeling daarvan vóór overschrijding van deze termijn. Er kunnen zich (bijzondere) omstandigheden voordoen waarbij de persoonlijke belangen van de vreemdeling dienen te prevaleren boven het algemeen belang van de Staat vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken.

11. De rechtbank stelt vast dat deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, op 15 september 2006 (zaaknummer: AWB 06/40506), het beroep van eiser tegen zijn bewaringstelling gegrond heeft verklaard omdat, gelet op de door de President van het EHRM getroffen interim measures, een daadwerkelijk zicht op uitzetting van eiser ontbreekt. Tegen deze uitspraak heeft verweerder hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft op 2 november 2006 (onder nummer: 200607058/1), de uitspraak van deze rechtbank van 15 september 2006 bevestigd en daartoe het volgende overwogen:

“ In de grieven 1 en 3 klaagt de minister, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door te overwegen dat geen zicht op de uitzetting van de vreemdeling bestaat, heeft miskend dat de enkele omstandigheid dat de President van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: de President) in met dat van de vreemdeling vergelijkbare gevallen ter voorkoming van de uitzetting naar Somalië voorlopige maatregelen (“interim measures”) heeft getroffen, aan de uitzetting van de vreemdeling niet in de weg staat.

Dat betoog faalt. Een door de President getroffen voorlopige maatregel kan, indien de motivering daarvan daartoe aanleiding geeft, ook in de weg staan aan de uitzetting van een ander dan de vreemdeling ten behoeve van wie de maatregel is getroffen. Nu de vreemdeling, naar de minister niet heeft betwist, gelet op zijn afkomst en herkomst, onder de categorie vreemdelingen valt, ten aanzien van wie als gevolg van door de President getroffen voorlopige maatregelen uitzetting naar Somalië voorlopig achterwege blijft en niet is gebleken van het voornemen om te onderzoeken of uitzetting van de vreemdeling naar enig ander land mogelijk is, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat zicht op uitzetting van de vreemdeling thans ontbreekt.”.

12. De rechtbank kan, mede gelet op deze uitspraak van de Afdeling, verweerder dan ook niet volgen in het bij het bestreden besluit ingenomen en bij het verweerschrift gehandhaafde standpunt, dat de door de President van het EHRM getroffen interim measures slechts een voorlopig oordeel betreffen in individuele zaken en geen weerslag hebben op de onderhavige zaak. In dit verband merkt de rechtbank op dat verweerder inmiddels, ter zitting van de rechtbank, heeft toegezegd dat niet tot uitzetting van eiser zal worden over gegaan.

13. De rechtbank stelt verder vast dat ingevolge verweerders beleid bijzondere feiten en omstandigheden, die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen, kunnen zijn gelegen in een verbod tot uitzetting in verband met artikel 3 EVRM, of in het recht om hier te lande het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, te kunnen uitoefenen.

14. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom met betrekking tot eiser geen bijzondere of dringende omstandigheden bestaan die een (tijdelijke) opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen.

15. Derhalve is het beroep gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

16. Nu het beroep gegrond wordt verklaard acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 19 oktober 2006;

draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan eiser;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiser € 141,- te betalen ter vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. Overbeeke en in het openbaar uitgesproken op

31 mei 2007 in tegenwoordigheid van mr. S.B.M. Vreeswijk als griffier.

de griffier de rechter