Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA7999

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
Awb 06/32913
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8 EVRM / inmenging gezinsleven / belangenafweging / lopende procedure tot vaststelling van een omgangsregeling

Verweerder heeft geweigerd de beperking waaronder eiser een vergunning is verleend te wijzigen van ‘verblijf bij echtgenote’ in ‘verblijf bij kind’. Niet in geschil is dat het onthouden van de gevraagde wijziging van de beperking een inmenging in het familie- en gezinsleven oplevert als bedoeld in artikel 8, tweede lid, EVRM. In geschil is of inmenging gerechtvaardigd is in het belang van het economisch welzijn van Nederland. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van het EHRM van 11 juli 2000 (29192/95, JV 2000/187) inzake Ciliz tegen Nederland en stelt vast dat er in hoger beroep nog immer geen definitieve omgangsregeling tussen eiser en zijn minderjarige zoon is vastgesteld. De rechtbank stelt voorts vast dat het uitblijven van deze definitieve omgangsregeling niet aan eiser verweten kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, door afwijzend te beslissen op eisers aanvraag en het tegen deze beslissing ingediende bezwaarschrift ongegrond te verklaren, ondanks het feit dat de procedure van eiser in verband met het omgangsrecht met zijn zoon in hoger beroep nog niet was afgerond, de deelname van eiser aan de procedure in verband met dat omgangsrecht in het gedrang gebracht. Dit klemt temeer nu ten aanzien van eisers zoon sprake is van een ontwikkelingsstoornis en deze zoon, zoals de Raad voor de Kinderbescherming blijkens de gedingstukken ook aanneemt, belang heeft bij herstel van het contact met zijn vader. De lange duur van de procedure in verband met het omgangsrecht doet aan het voorgaande niet af, aangezien deze lange duur niet is te wijten aan eiser, die bovendien – tussen partijen is dit niet in geschil – geen beroep doet op de openbare kas. Derhalve geeft de bestreden beschikking geen blijk van een belangenafweging die in overeenstemming is met de relevante overwegingen in genoemde uitspraak van het EHRM. Alle omstandigheden bezien kan verder niet uitgesloten worden geacht dat het onthouden van de gevraagde wijziging van de verblijfsvergunning strijd oplevert met artikel 8 EVRM. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Groningen, vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 06/32913

Uitspraak in het geschil tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Surinaamse nationaliteit,

V-nummer: 010.502.4196,

eiser,

gemachtigde: mr. S.S. Ilahi, advocaat te Groningen,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE, voorheen de Minister van Justitie, daarvoor de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, (Immigratie-en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. A. Vos, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 21 oktober 2002 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het wijzigen van de aan hem onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote’ verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij kind’. Verweerder heeft bij beschikking van 9 april 2003 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Eiser heeft daartegen op 8 mei 2003 bezwaar gemaakt.

1.3. Bij beschikking van 10 februari 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze beschikking heeft eiser op 12 februari 2004 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 20 mei 2005 heeft verweerder de beschikking van 10 februari 2004 ingetrokken, waarop het daartegen ingestelde beroep eveneens is ingetrokken.

1.4. Bij beschikking van 7 juni 2006 heeft verweerder het bezwaarschrift van 8 mei 2003 ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 6 juli 2006 heeft eiser tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.5. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 4 juni 2007. Eiser is aldaar noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten

2.1. Eiser is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote [naam echtgenote]’ met ingang van 30 januari 2001, geldig tot 30 januari 2002. Op 30 januari 2002 is de geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning verlengd tot 30 januari 2007. Bij beschikking van 20 december 2002 is deze verblijfsvergunning ingetrokken met ingang van 13 februari 2002. Het tegen deze beschikking ingediende bezwaarschrift is bij beschikking van 10 februari 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beschikking heeft eiser beroep ingesteld bij deze rechtbank, welk beroep bij uitspraak van 13 juni 2005 (Awb 04/26299) ongegrond is verklaard.

2.2. Uit de zich onder de gedingstukken bevindende processtukken inzake de vaststelling van een omgangsregeling tussen eiser en zijn minderjarige kind [naam kind] kan het volgende worden afgeleid. Bij beschikking van 11 maart 2002 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, sector civielrecht, onder meer bepaald dat voor de duur van de echtscheidingsprocedure tussen eiser en zijn echtgenote [naam kind] aan de echtgenote van eiser wordt toevertrouwd. Bij tussenbeschikking van 14 november 2002 heeft de rechtbank Groningen, sector civielrecht, onder meer, tot dat nader wordt beslist, de voorlopige omgangsregeling vastgesteld dat eiser gerechtigd is om omgang met [naam kind] te hebben één keer per 3 weken gedurende twee uren. Bij tussenbeschikking van 3 april 2003 heeft genoemde rechtbank bepaald dat de bij beschikking van 14 november 2002 vastgestelde omgangsregeling wordt voortgezet. Bij beschikking van 14 augustus 2003 heeft genoemde rechtbank de omgangsregeling vastgesteld dat eiser gerechtigd is één keer per drie weken gedurende twee uren omgang met [naam kind] te hebben. Eiser heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Het Hof Leeuwarden heeft op 16 juni 2004 en 12 januari 2005 tussenbeschikkingen gegeven. Bij laatstgenoemde beschikking heeft het Hof onder meer een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, in die zin dat eiser gerechtigd is [naam kind] één keer per twee weken gedurende drie uren bij zich te ontvangen. Daarbij heeft het Hof de definitieve beslissing op het beroepschrift aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming te Groningen opgedragen de mogelijkheden van een omgangsregeling tussen eiser en [naam kind] te onderzoeken. De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, sector civielrecht, heeft bij vonnis van 11 februari 2005 de moeder van [naam kind] veroordeeld om, totdat het Hof heeft beslist in hoger beroep, de door het Hof vastgestelde omgangsregeling na te komen. Tevens heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de moeder van [naam kind] iedere keer dat zij de omgangsregeling niet nakomt een dwangsom zal verbeuren van 125 euro per keer met een maximum van 2500 euro. Bij brief van 17 mei 2006 heeft de gemachtigde van eiser verweerder meegedeeld dat het Hof te Leeuwarden op 15 februari 2006 opnieuw een tussenbeschikking heeft gegeven en dat daarin de Raad voor de Kinderbescherming is verzocht de mogelijkheden van een omgangsregeling tussen eiser en [naam kind] te onderzoeken en het Hof daarover uiterlijk 1 juni 2006 te rapporteren. Tevens heeft eisers gemachtigde meegedeeld dat de Raad voor de Kinderbescherming inmiddels het Hof heeft bericht dat zij niet in staat is voor 1 juni 2006 te rapporteren. Bij beschikking van 9 mei 2007 heeft de rechtbank Groningen, sector civielrecht, [naam kind] onder toezicht gesteld en de ondertoezichtstelling opgedragen aan het Bureau Jeugdzorg te Groningen voor een termijn van 1 jaar.

Standpunten van partijen

2.3. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de afwijzing van eisers aanvraag om de volgende redenen ongegrond verklaard. Indien door eiser is beoogd dat hij verblijf in Nederland wenst op grond van artikel 3.25 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt geconcludeerd dat eiser hiervoor niet in aanmerking komt. Eiser is dertig jaar oud waardoor hem reeds hierom, gelet op de in artikel 3.25, eerste lid, Vb 2000 neergelegde minimumleeftijd van 65 jaar, de verblijfsvergunning niet kan worden verleend. In bezwaar is voorts niet gebleken dat eiser verblijf in Nederland dient te worden toegestaan teneinde het gezinsleven conform artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met zijn minderjarige zoon [naam kind] uit te kunnen oefenen. Weliswaar is sprake van inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, echter deze inmenging is gerechtvaardigd in het belang van het economisch welzijn van Nederland. Nu bij beschikking van 20 mei 2002 de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote’ is ingetrokken en is geconcludeerd dat eiser niet voldoet aan de nationale voorwaarden voor voortgezet verblijf, terwijl hij wel beschikt over een arbeidsplaats, is het economisch welzijn van Nederland in het geding. Verder is van belang de wijze waarop en de mate waarin de omgangsregeling tussen eiser en zijn zoon [naam kind], na eisers echtscheiding niet alleen in juridische zin, maar met name in praktische zin invulling heeft gekregen. Uit de overgelegde bescheiden kan geconcludeerd worden dat er weliswaar een omgangsregeling is vastgesteld door de rechtbank, maar dat door eisers gemachtigde hoger beroep is ingesteld, in welke procedure tot op heden nog geen einduitspraak is gedaan. Wat er ook zij van de mogelijke inhoud van de uitspraak in hoger beroep over een definitieve omgangsregeling tussen eiser en [naam kind], gebleken is dat er in de afgelopen jaren geen sprake is geweest van een structureel, frequent en regelmatig contact tussen eiser en zijn zoon [naam kind]. Dat de oorzaak hiervan, zoals door eiser en zijn gemachtigde is aangevoerd, is gelegen in de houding van de ex-echtgenote van eiser c.q. de moeder van [naam kind] – aan wie [naam kind] bij uitspraak van de rechtbank is toevertrouwd en die eveneens het gezag over [naam kind] bezit – maakt dit niet anders. Geconcludeerd wordt derhalve dat niet is aangetoond dat eiser daadwerkelijk praktische invulling geeft en heeft gegeven aan de vastgestelde omgangsregelingen. Voorts is niet aangetoond noch gebleken dat eiser is betrokken bij (het nemen van beslissingen aangaande) de opvoeding en verzorging van [naam kind].

2.4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij verweerder niet kan volgen in de redenering dat inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is in het belang van het economisch welzijn van Nederland, aangezien hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor de kosten van zijn levensonderhoud niet is aangewezen op een uitkering ten laste van de staatskas en dat hij duurzaam beschikt over voldoende inkomen uit arbeid. In hoger beroep heeft het Hof geoordeeld dat de vastgestelde omgangsregeling aan de magere kant was. De Raad voor de Kinderbescherming heeft het Hof geadviseerd tussen eiser en [naam kind] een normale omgangsregeling vast te stellen. De omgangsregeling is echter nog steeds niet goed van de grond gekomen door de onwillige houding van de moeder van [naam kind]. Dit komt onder meer doordat het opleggen van een dwangsom geen effect heeft gesorteerd en doordat de Raad voor de Kinderbescherming telkenmale om aanhouding verzoekt. Alleen door verblijf in Nederland kan eisers ‘family life’ met [naam kind] worden uitgebouwd en verstevigd. Voorts heeft de moeder van [naam kind] psychische problemen en zou zij, zo heeft eiser vernomen, de opvoeding van [naam kind] aan haar adoptiefvader overlaten. Niet alleen eiser, maar ook de huisarts van [naam kind] maakt zich zorgen over het gedrag van de moeder van [naam kind]. Eiser maakt zich grote zorgen over [naam kind] en een gedwongen verblijf in Suriname zal tot grotere zorgen leiden. Bovendien zal eiser, bij terugkeer naar Suriname, niet kunnen voldoen aan zijn onderhoudsverplichtingen jegens [naam kind], waardoor [naam kind] ten laste van de staatskas zal komen. Verweerder verwijt eiser ten onrechte dat hem ruimschoots de tijd en gelegenheid is geboden om niet alleen juridische stappen te ondernemen voor het vaststellen en uitbreiden van de omgangsregeling met [naam kind] maar ook om aan te tonen met welke frequentie en regelmaat hij het contact met [naam kind] onderhoudt. Eiser is van mening dat zich in casu bijzondere individuele omstandigheden voordoen op grond waarvan de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen en dat niet van hem gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.

2.5. Bij brief van 17 mei 2007 is namens eiser de in overweging 2.2. genoemde beschikking van de rechtbank Groningen van 9 mei 2007 overgelegd, waaruit blijkt dat de rechtbank de ondertoezichtstelling van eisers zoon [naam kind] heeft uitgesproken. Uit deze beschikking blijkt naar de mening van eiser dat het niet aan hem heeft gelegen dat hij geen goede invulling heeft kunnen geven aan een goede omgangsregeling met [naam kind]. Eiser heeft de rechtbank verzocht de onderliggende stukken die hebben geleid tot de ondertoezichtstelling van [naam kind] ambtshalve in de beoordeling te betrekken, met name het GGZ-rapport, dat hij vanwege het vertrouwelijke karakter daarvan niet als openbaar processtuk kan inbrengen.

2.6. Bij verweerschrift van 25 mei 2007 heeft verweerder de vraag opgeworpen of eiser nog wel belang heeft bij een beoordeling van het onderhavige beroep, aangezien eiser met ingang van 12 februari 2007 in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Zo moet worden aangenomen dat eiser een dergelijk belang heeft, heeft verweerder zijn standpunt als neergelegd in de bestreden beschikking gehandhaafd. Daartoe is, onder verwijzing naar de gronden van beroep en de aanvulling daarop van 17 mei 2007, onder meer aangevoerd dat de stelling van eiser dat de omgang tussen hem en zijn zoon door zijn ex-echtgenote is gefrustreerd, een omstandigheid betreft die niet kan aandoen aan het feit dat er slechts zeer beperkt contact is tussen eiser en zijn zoon.

Beoordeling van het beroep

2.7. In het verweerschrift heeft verweerder de vraag opgeworpen of eiser nog wel belang heeft bij een beoordeling van het onderhavige beroep, aangezien eiser thans in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Deze vergunning is verleend onder de beperking ‘verblijf bij partner [partner]’. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding voor het oordeel dat eiser geen (proces-)belang meer heeft. Daartoe overweegt de rechtbank dat gegrondverklaring van het onderhavige beroep zou kunnen leiden tot inwilliging van het verzoek om wijziging van de verblijfsvergunning met ingang van 21 oktober 2002 met als mogelijk gevolg dat eiser eerder, dan op grond van de thans aan hem verleende verblijfsvergunning, in aanmerking komt voor bijvoorbeeld een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

2.8. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 3.25 Vb 2000 op eiser van toepassing is en dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van dat artikel. Partijen zijn echter verdeeld over het antwoord op de vraag of het weigeren van de door eiser gevraagde vergunning strijd oplevert met artikel 8 EVRM.

2.9. Niet in geschil is dat het onthouden van de gevraagde wijziging van de beperking waaronder de vergunning is verleend een inmenging in het familie- en gezinsleven oplevert als bedoeld in artikel 8, tweede lid, EVRM. In geschil is of inmenging gerechtvaardigd is in het belang van het economisch welzijn van Nederland. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.10. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft bij uitspraak van 11 juli 2000 (29192/95, JV 2000/187) inzake Ciliz tegen Nederland, geoordeeld dat, wanneer een procedure tot vaststelling van een omgangsregeling samenvalt met een procedure tot uitwijzing van één van beide ouders, de bescherming van het recht op familie- en gezinsleven als neergelegd in artikel 8 EVRM een coördinatie vergt tussen beide procedures. Met name mag de deelname van de ouder aan de procedure in verband met het omgangsrecht niet in het gedrang worden gebracht door beslissingen genomen in het kader van het verblijfsrecht.

2.11. De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat er inmiddels in hoger beroep een definitieve omgangsregeling tussen eiser en zijn zoon [naam kind] is vastgesteld. De rechtbank stelt voorts vast dat blijkens de processtukken inzake de vaststelling van een omgangsregeling het uitblijven van deze definitieve omgangsregeling niet aan eiser verweten kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, door afwijzend te beslissen op eisers aanvraag van 21 oktober 2002 en het tegen deze beslissing ingediende bezwaarschrift ongegrond te verklaren, ondanks het feit dat de procedure van eiser in verband met het omgangsrecht met zijn zoon [naam kind] in hoger beroep nog niet was afgerond, de deelname van eiser aan de procedure in verband met dat omgangsrecht in het gedrang gebracht. Dit klemt temeer nu ten aanzien van [naam kind] mogelijk sprake is van een ontwikkelingsstoornis en [naam kind], zoals de Raad voor de Kinderbescherming blijkens de gedingstukken ook aanneemt, belang heeft bij herstel van het contact met zijn vader. De lange duur van de procedure in verband met het omgangsrecht doet aan het voorgaande niet af, aangezien deze lange duur niet is te wijten aan eiser, die bovendien – tussen partijen is dit niet in geschil – geen beroep doet op de openbare kas. Derhalve geeft de bestreden beschikking geen blijk van een belangenafweging die in overeenstemming is met de relevante overwegingen in genoemde uitspraak van het EHRM. Alle omstandigheden bezien kan verder niet uitgesloten worden geacht dat het onthouden van de gevraagde wijziging van de verblijfsvergunning strijd oplevert met artikel 8 EVRM.

2.12. De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat verweerder de bestreden beschikking niet voldoende zorgvuldig heeft voorbereid en dat deze beschikking niet berust op een deugdelijke motivering. De bestreden beschikking dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Hetgeen overigens nog is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking meer.

2.13. Het beroep is derhalve gegrond.

2.15 Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat thans aanleiding. Dit bedrag wordt vastgesteld op € 322,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). Voorts bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 141,-.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking;

- draagt verweerder op opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad € 141,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. S. Stenfert Kroese en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van W.A. Jager als griffier op 8 juni 2007.

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: