Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA7992

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
Awb 06/1838
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Angola / Amv / TBV 1996/1 / zesmaandentermijn / frustreren opvang

De rechtbank overweegt dat nu de aanvraag van eiseres dateert van 18 januari 2000 het ten tijde van de indiening van de asielaanvraag het in TBV 1996/1 en hoofdstuk B7/13 Vc (oud) neergelegde beleid van toepassing is. Voorts dient, gelet op artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, Vb 2000 en TBV 1996/1, in beroep bij de boordeling te worden betrokken of in de beschikking door verweerder geen feiten en omstandigheden aan eiseres zijn tegengeworpen, die zich hebben voorgedaan na het verstrijken van een periode van drie jaar, terwijl in die periode door eiseres (mogelijk) steeds aan de voorwaarden voor verlening van een amv-vergunning is voldaan. In het geval dat binnen zes maanden na indiening van de aanvraag niet vast is komen te staan dat er voor de minderjarige in het land van herkomst adequate mogelijkheid tot opvang redelijkerwijs is gewaarborgd en deze tevens onder voogdij van een voogdijinstelling is gesteld, wordt de minderjarige ingevolge TBV 1996/1 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen van de oudere zus van eiseres niet aan eiseres kunnen worden tegengeworpen. Daarnaast acht de rechtbank het onzorgvuldig en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dat verweerder eerst na zes jaar na het indienen van de aanvraag de ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaring van de zus aan eiseres tegenwerpt. Niet kan in redelijkheid worden gezegd dat eiseres ten tijde van het indienen van de aanvraag op 18 januari 2000 dan wel op enig moment daarna het onderzoek naar adequate opvang in Angola heeft gefrustreerd.

Voorts is overwogen dat verweerder niet zonder nader onderzoek, zo nodig naar andere adequate opvang als voorgeschreven in TBV 1996/1, heeft mogen aannemen dat in het land van herkomst adequate opvang aanwezig is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de in TBV 1996/1 neergelegde verplichting voor verweerder, om binnen zes maanden zich ervan te vergewissen dat in het land van herkomst adequate opvang redelijkerwijs is gewaarborgd, niet aan te merken als fatale termijn. Verweerder heeft eerst na negentien maanden een eerste beslissing op de aanvraag genomen, terwijl in die periode geen onderzoek naar adequate opvang door ouders, aanverwante dan wel plaatselijke welzijnsinstellingen heeft plaatsgevonden. Deze gang van zaken staat haaks op de ratio van de zesmaandentermijn. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het de vraag is of verweerder de aanwezigheid van opvang in redelijkheid aan eiseres kan tegenwerpen nu de mogelijkheid van opvang in het opvanghuis te Mulemba ten tijde van aanvraag en gedurende drie jaar nadien nog niet aan de orde was. Verwezen is naar TBV 2003/63, in werking getreden op 1 januari 2004. Het tegenwerpen van de aanwezigheid van adequate opvang in Mulemba is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Beroep gegrond wegens schending van de artikelen 3:2 en 3:46 Awb en het rechtszekerheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Groningen, vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 06/1838

Uitspraak in het geschil tussen:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum],

van Angolese nationaliteit,

V-nummer: 200.744.1753,

eiseres,

gemachtigde: mr. M. Grimm, advocaat te Groningen,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE, voorheen de Minister van Justitie, daarvoor de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, (Immigratie-en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. A. Flos, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 18 januari 2000 is namens eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft bij beschikking van 20 augustus 2002 afwijzend op de aanvraag beslist en tevens overwogen dat eiseres niet in aanmerking komt voor het bijzondere toelatingsbeleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers.

1.2. Bij beroepschrift van 16 september 2002 heeft eiseres tegen de hiervoor genoemde beschikking, voor zover gericht tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning asiel, beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij schrijven van 7 oktober 2002 van de toenmalige gemachtigde van eiseres is het beroep ingetrokken.

1.3. Tevens heeft eiseres tegen eerdergenoemde beschikking, voor zover gericht tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking verblijf als alleenstaande minderjarige asielzoeker, op 16 september 2002 bezwaar gemaakt. Bij brief van 2 oktober 2002 zijn de gronden van het bezwaar ingediend.

1.4. Bij beschikking van 24 oktober 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard en tevens overwogen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking verblijf als alleenstaande minderjarige asielzoeker.

1.5. Bij beroepschrift van 19 november 2002 heeft eiseres tegen de hiervoor genoemde beschikking, voor zover het bezwaarschrift niet-ontvankelijk is verklaard, beroep ingesteld. Bij brief van 18 december 2002 zijn de gronden van het beroep ingediend. Eveneens bij brief van 19 november 2002 is bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 24 oktober 2002, voor zover eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid “alleenstaande minderjarige asielzoekers” (amv) is onthouden. Bij brief van

9 december 2002 zijn de gronden van het bezwaar ingediend.

1.6. Bij beschikking van 18 december 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze beschikking heeft eiseres bij brief van 14 januari 2003, voorzien van gronden bij brief van 24 maart 2003, beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.7. Bij brief van 14 september 2004 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiseres bericht dat de bestreden beschikkingen van 24 oktober 2002 en 18 december 2002 zijn ingetrokken en dat opnieuw zal worden beslist. Bij brief van 22 september 2002 heeft de gemachtigde van eiseres de beroepschriften van 19 november 2002 en

14 januari 2003 ingetrokken.

1.8. Bij beschikking van 14 oktober 2004 heeft verweerder opnieuw het bezwaarschrift van 12 september 2002 ongegrond verklaard. Tegen deze beschikking heeft eiseres op

9 november 2004 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 8 december 2004 zijn de gronden van beroep ingediend.

1.9. Bij brief van 31 december 2004 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres bericht dat de bestreden beschikking van 14 oktober 2004 is ingetrokken en dat opnieuw op het bezwaarschrift zal worden beslist. Bij brief van 11 januari 2005 heeft de gemachtigde van eiseres het beroepschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken.

1.10. Bij beschikking van 12 december 2005 heeft verweerder wederom het bezwaarschrift van 12 september 2002 ongegrond verklaard. Tegen deze beschikking heeft eiseres bij brief van 5 januari 2006 beroep, voorzien van gronden bij brief van

6 februari 2006, bij de rechtbank ingesteld. Bij brieven 23 mei 2006 zijn de gronden van het beroep aangevuld. Bij brieven van 9 februari 2007 heeft de gemachtigde van eiseres stukken aan de rechtbank doen toekomen. Deze stukken zijn tevens per fax aan verweerder gezonden.

1.11. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres toegezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.12. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 28 februari 2007. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens waren ter zitting de pleegouders van eiseres, [naam] en [naam], en haar voogd, [naam], aanwezig. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Verweerder heeft de beschikking op bezwaar van 12 december 2005 als volgt gemotiveerd. Eiseres is, gezien haar leeftijd bij inreis in Nederland, niet gehoord omtrent haar asielmotieven. De oudere zus van eiseres, [naam], heeft tijdens haar procedure ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen afgelegd, zodat zij ten aanzien van eiseres (eveneens) een mogelijk onderzoek naar de opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land waar eiseres redelijkerwijs naar toe zou kunnen gaan toerekenbaar heeft gefrustreerd. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 18 mei 2005 (Awb 02/71076 en 02/87663), waarin de beroepen van de oudere zus ongegrond zijn verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres reeds hierom niet in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning op grond van het bijzondere beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen. De omstandigheid dat eiseres jonger is dan vijftien jaar leidt volgens verweerder, die in dit verband heeft verwezen naar paragraaf C2/7.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), niet tot het oordeel dat het frustreren van onderzoek haar niet kan worden tegengeworpen. Niettegenstaande het voorgaande heeft verweerder gesteld dat bij terugkeer de aanwezigheid van adequate opvang voor eiseres, gelet op haar leeftijd, noodzakelijk is. Nu de oudere zus van eiseres is uitgeprocedeerd, kan zij geacht worden eiseres adequate opvang te bieden in het land van herkomst. In alle redelijkheid kan van de oudere zus worden verwacht dat zij zorg draagt voor de opvang van eiseres in het land van herkomst. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat de oudere zus inmiddels de meerderjarige leeftijd heeft bereikt. De inhoud van de verklaring van NIDOS Groningen van 14 november 2005 leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een ernstig verstoorde relatie. Van belang is dat de gestelde psychische problemen waarmee eiseres als gevolg van de relatie met haar zus zou kampen niet door middel van stukken is onderbouwd, zodat hieraan geen geloof wordt gehecht. Voorts heeft verweerder, onder verwijzing naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 december 2004 (kenmerk: DPV/AM-863604), gesteld dat eiseres adequate opvang in het opvanghuis te [plaats] kan genieten. Indien in het landgebonden asielbeleid is neergelegd dat opvang beschikbaar en toereikend is, mag ervan worden uitgegaan dat adequate opvang aanwezig is. Voor zover opvang in het lokale opvangcentrum van [plaats] niet adequaat wordt geacht, heeft verweerder verwezen naar WBV 2005/14 en naar eerder genoemd ambtsbericht van 9 december 2004. Hieruit kan in redelijkheid worden geconcludeerd dat in Angola adequate opvang naar lokale maatstaven gemeten beschikbaar is. Verder heeft verweerder gesteld dat daadwerkelijke plaatsing ten tijde van het uitbrengen van de beslissing niet behoeft te zijn geregeld. Eerst bij feitelijke terugkeer zal, conform het landgebonden beleid, de toegang tot [plaats] of een andere concrete opvangplaats worden geregeld. Het moet niet op voorhand onmogelijk worden geacht bij uitzetting aan die voorwaarde te voldoen. In dit kader heeft verweerder verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juni 2004. Tot nu toe is niet gebleken dat er voor terugkerende alleenstaande minderjarige vreemdelingen niet voldoende opvangplaatsen beschikbaar waren. Hierbij heeft verweerder verwezen naar de ambtsberichten van 5 juni 2004 (kenmerk: DPV/AM-845450/04) en 9 december 2004. Eiseres kan nog altijd geen geslaagd beroep doen op het speciale beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Niet gebleken is van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, aanleiding bestaat eiseres toch in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Dat eiseres op jonge leeftijd naar Nederland is gekomen en dat zij hier zou zijn ingeburgerd is bij de afweging betrokken. De door eiseres opgebouwde banden met Nederland maken dit niet anders. Gelet op de jonge leeftijd van eiseres is het aannemelijk dat zij in staat zal zijn in Angola te wortelen. Er bestaat geen aanleiding de aanvraag in te willigen in afwijking van de in de Vc 2000 neergelegde beleidsregels.

2.2. Eiseres heeft in beroep in de eerste plaats verwezen naar al hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd. Voorts stelt zij zich op het standpunt dat de mogelijke onjuiste informatieverstrekking door haar zus ten tijde van de inreis niet zonder nader onderzoek aan haar kan worden tegengeworpen en dat het onjuist, onredelijk en onbillijk is dat de verlopen tijd in de procedure, haar leeftijd en haar worteling in Nederland, bij afweging van de belangen niet in haar voordeel uitpakt. Verder meent eiseres dat zij geen adequate opvang in het land van herkomst heeft. Voorts geldt dat indien verweerder binnen zes maanden op haar aanvraag had beslist, zij in het bezit was gesteld van een amv-vergunning en dat zij na drie jaar in aanmerking was gekomen voor een vergunning onder de beperking “voortgezet verblijf”. Daarnaast stelt eiseres dat zij ten tijde van de inreis niet door haar ouders werd begeleid en dat ook haar zuster niet meerderjarig was. Zij was en is alleenstaand. Ten aanzien van de eventuele opvangmogelijkheid meent eiseres dat verweerder de bereidheid tot opvang bij familieleden zal moeten onderzoeken. Eiseres en haar zus verblijven niet op hetzelfde adres. Bovendien is eiseres ervan op de hoogte dat haar zus in Nederland verblijft en dat zij een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar dochter heeft ingediend. Eiseres weet niet wat de stand van zaken is in die procedure. Eiseres meent dat het standpunt van verweerder dat haar zus opvang in het land van herkomst kan bieden niet, althans onvoldoende is gemotiveerd of onderbouwd. Zij meent voorts dat verweerders enkele verwijzing naar het opvanghuis te [plaats] onvoldoende is. Zij stelt dat de beoogde instellingen de verzekering moeten hebben gegeven dat zij bereid zijn opvang te bieden. Daarnaast moet duidelijk zijn op welke wijze de overdracht van de verantwoordelijkheid plaatsvindt en welke vorm de opvang heeft. De enkele opmerking dat de opvang in [plaats] adequaat zou zijn acht eiseres niet voldoende. Zij wijst op informatie van de Internationale Organisatie voor Migratie waaruit blijkt dat er voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen die uit Nederland terugkeren, slechts twintig plaatsen gereserveerd zijn. Een probleem is dat de twintig door Nederlandse gereserveerde plaatsen vooralsnog worden bezet door Angolese weeskinderen. Eiseres meent dat gezien haar relaas en haar omstandigheden tenminste aannemelijk is gemaakt dat zij bij terugkeer ernstig zal worden beperkt in haar bestaansmogelijkheden, zonder dat de autoriteiten haar hiertegen kunnen beschermen. Zij vreest bij terugkeer het reële risico te lopen van een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Eiseres meent dat verweerder gebruik had moeten maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid of van zijn discretionaire bevoegdheid. Verder meent eiseres dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat zij in het land van herkomst zou kunnen wortelen. In dit verband wijst zij op een rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees van januari 2004, het jaarboek 2005 van Amnesty International en een brief van Human Rights Watch van 1 maart 2005. Tot slot wijst eiseres op een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 23 mei 2003 (Awb 03/26682). Ten slotte acht eiseres het onbegrijpelijk dat verweerder meent dat onherroepelijk vaststaat dat zij geen vluchtelinge is. Op grond van paragraaf C2/7.9.3 Vc 2000 is haar asielaanvraag herleefd en daarop is nog geen beslissing genomen. Eiseres meent dat zij in dat kader ten onrechte niet is gehoord en dat zij geen gelegenheid heeft gehad daartoe van belang zijnde feiten en omstandigheden naar voren te brengen. De suggestie van verweerder dat eiseres niet gehoord zou willen worden, is niet juist. In dit verband verwijst zij naar haar brief van 13 oktober 2005.

Beoordeling van het beroep

2.3. Ten aanzien van de door eiseres naar voren gebrachte gronden gericht tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, overweegt de rechtbank dat in de onderhavige procedure geen besluit met een dergelijke strekking voorligt. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat het door eiseres op 16 september 2002 ingestelde beroep tegen een afwijzend besluit van verweerder van 20 augustus 2002 op de asielaanvraag van eiseres van 18 januari 2000 blijkens gedingstuk 19a door haar toenmalige gemachtigde is ingetrokken op 7 oktober 2002.

2.4. Ten aanzien van de door eiseres naar voren gebrachte gronden gericht tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’, overweegt de rechtbank het volgende. De verblijfsvergunning regulier kan worden afgewezen op de gronden genoemd in artikel 16, eerste lid, Vw 2000. De bijzondere voorwaarden, waaronder een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdende met het verblijfsdoel ‘verblijf als amv’ wordt verleend, zijn in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) uitgewerkt in artikel 3.56 Vb 2000. Ingevolge artikel 3.56, eerste lid, aanhef en onder c, Vb 2000 geldt als voorwaarde voor verlening van een amv-vergunning dat naar het oordeel van verweerder, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang voor de amv ontbreekt in het land van herkomst.

2.5. Met betrekking tot de vraag welk beleid van toepassing is overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens de gronden van bezwaar van 4 november 2002, waarnaar eiseres in beroep heeft verwezen, stelt eiseres zich op het standpunt dat Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1996/1 van 12 maart 1996 van toepassing is.

Bij TBV 1996/1 heeft de (toenmalige) Staatssecretaris van Justitie beleid bekend gemaakt inzake “alleenstaande minderjarige asielzoekers”. Genoemd TBV 1996/1 was oorspronkelijk geldig van 15 maart 1996 tot en met 15 maart 1998. Bij brief van 12 februari 1998 (Stcrt. 1998, nr. 42, p. 9) heeft de Staatssecretaris meegedeeld dat de geldigheidsduur van dit TBV is verlengd tot 1 maart 2000. Vervolgens is bij TBV 2000/7 van 4 april 2000 meegedeeld dat TBV 1996/1 nogmaals zal worden verlengd, te weten tot 1 januari 2001. Voorts heeft verweerder in zijn beleid - laatstelijk in TBV 2001/33 - bepaald dat op aanvragen ingediend vóór 4 januari 2001 hoofdstuk B7/13 Vc (oud) en de TBV’s 1996/1, 2000/6 en 2007 van toepassing blijven. Alhoewel deze overgangsregeling niet direct in de Vc 2000 is opgenomen, is deze wel steeds als bestendige gedragslijn van toepassing gebleven. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 mei 2005 (JV 2004, 343). Bij Wijziging Vreemdelingencirculaire (WBV) 2005/12, in werking getreden met ingang van 3 april 2005, is de overgangsregeling neergelegd in paragraaf C2/7.9.1 Vc 2000.

2.6. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 18 januari 2000 de onderhavige aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, gold ten tijde van de indiening van die aanvraag het in TBV 1996/1 en hoofdstuk B7/13 van de Vc (oud) neergelegde beleid.

2.7. De rechtbank stelt voorts vast dat gelet op artikel 26, eerste lid, Vw 2000 de verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. In WBV 2005/12 onder 5 is deze regel eveneens neergelegd, met dien verstande dat als vroegst mogelijke ingangsdatum de datum van indiening van de asielaanvraag geldt. Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, Vb 2000 en TBV 1996/1 kan een verblijfsvergunning (verband houdend met voortgezet verblijf) worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning onder de beperking verblijf als amv indien in deze periode is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. Gelet op deze regelgeving dient bij de beoordeling in beroep te worden betrokken of in de beschikking door verweerder geen feiten en omstandigheden aan eiseres zijn tegengeworpen, die zich hebben voorgedaan na het verstrijken van een periode van drie jaar, terwijl in die periode door eiseres (mogelijk) steeds aan de voorwaarden voor verlening van een amv-vergunning is voldaan. Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat indien verweerder zoals voorgeschreven door TBV 1996/1 binnen zes maanden op haar aanvraag had beslist, zij in het bezit was gesteld van een amv-vergunning en dat zij na drie jaar in aanmerking was gekomen voor een vergunning onder de beperking “voortgezet verblijf”.

2.8. De rechtbank overweegt verder als volgt. Ingevolge TBV 1996/1 geldt dat indien is vastgesteld dat de minderjarige niet in aanmerking komt voor toelating op asielgerelateerde gronden, beoordeeld dient te worden of verwijdering van de minderjarige verantwoord is te achten. Daartoe zal in eerste instantie worden getracht de minderjarige met zijn ouders in het buitenland te herenigen. Als dit niet mogelijk is, zal worden beoordeeld of er andere adequate opvang in het land van herkomst aanwezig is. Tijdens het gehoor zal de contactambtenaar speciale aandacht besteden aan het achterhalen van gegevens met betrekking tot de verblijfplaats van de ouders en/of de aanwezigheid van verwanten van de minderjarige in het land van herkomst. Op basis van de gegevens verkregen bij het eerste en nader gehoor kan besloten worden tot het instellen van nader onderzoek naar de ouders van de minderjarige in het buitenland en/of aanverwanten van de minderjarige dan wel naar de aanwezigheid van andere adequate opvang, bijvoorbeeld door plaatselijke welzijnsinstellingen, in het land van herkomst. In haar uitspraak van 4 september 2003 (JV 2003, 527) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat in deze passage ligt besloten dat, indien de minderjarige vreemdeling tijdens de gehoren geen medewerking verleent aan het onderzoek naar adequate opvang, de afwezigheid van adequate opvang, zijnde voorwaarde voor verlening van de verblijfsvergunning, niet kan worden vastgesteld. Voor het oordeel dat het beleid neergelegd in TBV 1996/1 geen grondslag biedt voor het niet verlenen van de verblijfsvergunning wegens het frustreren van het onderzoek naar adequate opvang, bestaat naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen grond. In het geval dat binnen zes maanden na indiening van de aanvraag niet vast is komen te staan dat er voor de minderjarige in het land van herkomst adequate mogelijkheid tot opvang redelijkerwijs is gewaarborgd en deze tevens onder voogdij van een voogdijinstelling is gesteld, wordt de minderjarige ingevolge TBV 1996/1 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf.

2.9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres (van aanvang af) niet aan alle voorwaarden voor vergunningverlening heeft voldaan. In de bestreden beschikking heeft verweerder - onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle van 18 mei 2005 - overwogen dat nu de oudere zus van eiseres, [naam, tijdens haar asielprocedure ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, zij ten aanzien van eiseres (eveneens) een mogelijk onderzoek naar de opvangmogelijkheden in Angola, of een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe zou kunnen gaan, toerekenbaar heeft gefrustreerd. Reeds om die reden zou eiseres volgens verweerder niet voor een vergunning onder de beperking “verblijf als amv” in aanmerking komen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verklaringen van de oudere zus [naam] evenwel niet aan eiseres worden tegengeworpen. In de eerste plaats zijn voor het standpunt dat ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen van een familielid van een amv - die zelf vanwege haar jonge leeftijd niet over haar asielmotieven is gehoord en die derhalve zelf het onderzoek naar de aanwezigheid van adequate opvang niet heeft gefrustreerd - aan die amv kunnen worden tegengeworpen in wet, beleid dan wel jurisprudentie geen aanknopingspunten te vinden. In de tweede plaats overweegt de rechtbank dat verweerder het standpunt dat de zus [naam] ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd niet in de eerdere - ingetrokken - beschikkingen aan eiseres heeft tegengeworpen, terwijl verweerder zich kennelijk van aanvang af in de asielprocedure van de zus [naam] op het standpunt heeft gesteld dat deze ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Dat verweerder eerst bijna zes jaar na het indienen van de aanvraag in de thans voorliggende bestreden beschikking de door de zus [naam] in diens asielprocedure afgelegde ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen aan eiseres tegenwerpt, acht de rechtbank onzorgvuldig en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Gelet op het voorgaande kan het er in redelijkheid niet voor worden gehouden dat eiseres ten tijde van het indienen van de aanvraag op 18 januari 2000 dan wel enig moment daarna het onderzoek naar adequate opvang in Angola heeft gefrustreerd. Overigens wijst de rechtbank er op dat verweerder in de bestreden beschikking op pagina 2, zevende alinea, heeft onderschreven dat afgezien van het (beweerdelijk) frustreren van het onderzoek naar de aanwezigheid van adequate opvang, gelet op de leeftijd van eiseres adequate opvang voor eiseres noodzakelijk is.

2.10. Verder heeft verweerder zich in de bestreden beschikking op het standpunt gesteld dat de zus [naam] geacht kan worden adequate opvang te bieden in het land van herkomst. De rechtbank stelt vast dat [naam zus], geboren op 26 juli 1984, ten tijde van het indienen van de aanvraag op 18 januari 2000 nog minderjarig was en dat deze vanwege haar voortdurende minderjarigheid derhalve gedurende ruim twee-en-een-half jaar na de indiening van de aanvraag door eiseres sowieso in redelijkheid niet in staat kon worden geacht voor de opvang van eiseres in het land van herkomst zorg te dragen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich zonder nadere motivering niet in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat de zus Helena ondanks het bereiken van de meerderjarige leeftijd in staat kon worden geacht eiseres in het land van herkomst op verantwoordelijke wijze op te vangen. In de gedingstukken, te weten een aanvullend bezwaarschrift van 2 oktober 2002 van de toenmalige gemachtigde van eiseres mr. M. Pals en een brief van mw. H. van Ellen, werkzaam bij het NIDOS van 28 oktober 2005, staat vermeld dat de zus [naam] zich vanwege het stichten van een gezin en psychische problemen weinig gelegen liet liggen aan eiseres. Om deze redenen zou eiseres in 2002 in een pleeggezin zijn geplaatst. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen staat vermeld in de brief van NIDOS, te weten dat de zus [naam] eiseres in december 2003 na een weekend logeren niet heeft teruggebracht en zonder toestemming van de voogd heeft meegenomen naar een onbekend adres, waar eiseres vijf weken zou hebben doorgebracht. Dit terwijl eiseres naar school had moeten gaan en zou worden geopereerd. Voor eiseres zou deze ervaring, aldus het NIDOS, traumatisch zijn geweest. Op grond van het voorgaande is de rechtbank eveneens van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet zonder nader onderzoek, zo nodig naar andere adequate opvang als voorgeschreven in TBV 1996/1, heeft mogen aannemen dat in het land van herkomst adequate opvang aanwezig is.

2.11. Bij de vorige rechtsoverwegingen overweegt de rechtbank nog dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de in TBV 1996/1 neergelegde verplichting voor verweerder, zich binnen zes maanden ervan te vergewissen dat in het land van herkomst adequate opvang redelijkerwijs is gewaarborgd, niet is aan te merken als een fatale termijn. Wel geeft het beleid met die in TBV 1996/1 opgenomen verplichting uitdrukking aan de zorg om een amv zo snel mogelijk zekerheid over zijn verblijf in Nederland te verschaffen. In de onderhavige zaak heeft verweerder eerst na negentien maanden een eerste beslissing op de aanvraag genomen, terwijl verweerder binnen deze periode van negentien maanden geen onderzoek naar adequate opvang door ouders, aanverwanten dan wel plaatselijke welzijninstellingen heeft gestart. Deze gang van zaken alsook het na bijna zes jaar na indiening van de aanvraag tegenwerpen van door de zus [naam] afgelegde ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen, staat haaks op de ratio van de zesmaandentermijn en geeft naar het oordeel van de rechtbank blijk van onzorgvuldigheid van besluitvorming en ondeugdelijkheid van de motivering van de bestreden beschikking.

2.12. Verder heeft verweerder zich in de bestreden beschikking op het standpunt gesteld dat eiseres, gelet ook op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 december 2004, adequate opvang kan genieten in het opvanghuis [plaats]. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het de vraag is of verweerder de aanwezigheid van deze opvang in redelijkheid aan eiseres kan tegenwerpen nu de mogelijkheid van opvang in het opvanghuis te [plaats] ten tijde van het indienen van de aanvraag op 18 januari 2000 en gedurende drie jaar nadien nog niet aan de orde was. Eerst in TBV 2003/64, in werking getreden op 1 januari 2004, is verwezen naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 oktober 2003 (DPV/AM-818704). Daarin staat, voor zover hier van belang, voor het eerst vermeld dat het opvangcentrum te [plaats] in de verslagperiode van april 2003 tot en met september 2003 met middelen uit Nederland is uitgebreid, waardoor ook de opvang van meisjes mogelijk is geworden. Op grond van voornoemd ambtsbericht wordt in TBV 2003/64 geconcludeerd dat adequate opvang in Angola, in de vorm van het opvanghuis [plaats], voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen beschikbaar is. Nu gelet op hetgeen hiervoor onder 2.10 en 2.11 is overwogen niet valt uit te sluiten dat eiseres ten tijde van de aanvraag en gedurende drie jaar nadien aan de voorwaarden voor verlening van een amv-vergunning voldeed, op grond waarvan zij daarna mogelijk in aanmerking kwam voor verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking “voortgezet verblijf” op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, Vb 2000 en TBV 1996/1, acht de rechtbank het tegenwerpen van de aanwezigheid van adequate opvang in [plaats] in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

2.13. Gezien het bovenstaande, in onderling verband en samenhang beziende, is de rechtbank van oordeel dat zonder nadere motivering en zonder nader onderzoek niet kan worden gezegd dat eiseres ten tijde van de indiening van de aanvraag en gedurende drie jaar nadien niet voldeed aan de voorwaarden voor verlening van een amv-vergunning. De bestreden beschikking kan niet in stand worden gelaten vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb en het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep is derhalve gegrond.

2.14. Er bestaat aanleiding om verweerder als de in de ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1). Voorts bestaat ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van 12 december 2005;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzenden van deze uitspraak opnieuw op bezwaar dient te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan de griffier en het griffierecht ad € 138,-- aan eiseres dient te vergoeden, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. S. Stenfert Kroese, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.A. Ruiter als griffier op 17 april 2007.

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: