Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA7621

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/6588 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschadezaak. Omzetschade hotel-restaurant als gevolg van aanleg Rijksweg 11 (Alphen-Bodegraven). Voorzienbaarheid schade. Onafgebroken voortzetting familiebedrijf? Verweerder heeft niet voldoende onderzoek gedaan naar de feiten en omstandigheden rond de veronderstelde bedrijfsovername in 1988.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/6588 WRO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], h.o.d.n. [naam hotel], gevestigd te Bodegraven, eiser,

en

de raad der gemeente Bodegraven, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 26 april 2002 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend om vergoeding van schade, samenhangend met het onherroepelijk geworden bestemmingsplan Rijksweg 11 (gedeelte tussen Alphen aan den Rijn en de A12 bij Bodegraven).

Bij besluit van 3 februari 2005, bekendgemaakt op 25 februari 2005, heeft verweerder het verzoek om planschadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 24 mei 2006, bekendgemaakt bij brief van 28 juni 2006, heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 augustus 2006, ingekomen bij de rechtbank op 9 augustus 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn nadien ingediend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 27 april 2007 ter zitting behandeld.

Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. W. van de Wetering, advocaat te Enschede.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B.A. Drost-Westland.

Motivering

Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Eiser exploiteert een hotel-restaurant langs de oorspronkelijke N11, die van oudsher een belangrijke tweebaans verbindingsweg was tussen de autosnelweg A12 en Alphen aan den Rijn/Leiden.

Eiser stelt als ondernemer omzetschade te hebben geleden ten gevolge van de bepalingen van het bestemmingsplan "Rijksweg 11" (gedeelte Alphen aan den Rijn - Bodegraven), waardoor de aanleg van een doorgaande autoweg met twee keer twee rijstroken in de nabijheid van het hotel-restaurant mogelijk is geworden. Via de oude N11 is en blijft het hotel-restaurant bereikbaar, doch er is geen directe aansluiting op de nieuwe doorgaande route. Mede omdat de oorspronkelijke weg autoluw wordt gemaakt stelt eiser dat het hotel-restaurant aanzienlijk minder bezoekers zal trekken.

Niet in geschil is dat eiser omzetschade lijdt als gevolg van de bepalingen van het (inmiddels goedgekeurde en onherroepelijk geworden) bestemmingsplan Rijksweg 11, dat de aanleg van een autoweg voor doorgaand verkeer mogelijk maakt.

Verweerder heeft echter, in navolging van het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) van oktober 2004, geen schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO toegekend. Hiertoe is beslissend geacht dat eiser, samen met zijn broer en zijn twee zusters, het bedrijf in 1988 heeft overgenomen en dat eiser ten tijde van deze bedrijfsovername wist of had kunnen weten dat de doorgaande weg waaraan het hotel-restaurant lag, in de nabije toekomst een beduidend minder belangrijke verkeersfunctie zou krijgen. De planologische ontwikkeling was volgens verweerder destijds reeds kenbaar op grond van het op 15 augustus 1978 door de Minister van Verkeer en Waterstaat vastgestelde Tracébesluit met betrekking tot de voorgenomen aanleg van Rijksweg 11. Ook in latere relevante beleidsstukken, zoals het Streekplan Zuid-Holland Oost, was de voorgenomen aanleg van Rijksweg 11 opgenomen.

Eiser heeft in beroep onder meer aangevoerd dat het hier ging om een bedrijfsovername binnen de familiesfeer. Zijn vader was destijds vanwege gezondheidsredenen genoodzaakt om de exploitatie van het bedrijf over te dragen. Het lag voor de hand het bedrijf op deze locatie te laten voortzetten door de kinderen. Er was redelijkerwijs geen andere oplossing mogelijk. Eiser heeft benadrukt dat sprake is geweest van onafgebroken voortzetting van een familiebedrijf en dat de nieuwe generatie geleidelijk taken en verantwoordelijkheden heeft gekregen. In de visie van eiser is in dit geval sprake van bijzondere omstandigheden, waardoor het risico van waardevermindering niet, althans niet geheel, voor eisers risico zou behoren te blijven.

[naam hotel] is blijkens de stukken van oudsher een familiebedrijf, gesticht in 1935 door de grootvader van eiser. De moeder van eiser is in 1945 bij het bedrijf in dienst getreden. In 1956 heeft zij samen met eisers vader het bedrijf overgenomen. Eiser, diens broer en twee zusters, die allen vanaf de jaren 70 in het bedrijf werkzaam waren, hebben in 1988 de vennootschap onder firma "[naam wegrestaurant]" opgericht. Deze v.o.f. draagt vanaf 1 april 1987 rekening en risico van het bedrijf. Blijkens het advies van de SAOZ heeft deze v.o.f. op 27 december 1988 door inschrijving van de notariële akte van levering de eigendom verkregen van de onroerende zaak, kadastraal bekend als gemeente Bodegraven, sectie G, nummer 250, groot 2.133 m2 en plaatselijk bekend [adres].

De vader is op 1 februari 1987 met de werkzaamheden gestopt. Door het uittreden van zijn familieleden is [eiser] sinds 31 december 2002 de enige firmant.

De rechtbank overweegt dat de schade die een belanghebbende lijdt als gevolg van een planologische maatregel die hem in een nadeliger positie brengt, in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt. De schade dient niettemin redelijkerwijs geheel of gedeeltelijk ten laste van de betrokkene te blijven indien de schadeveroorzakende maatschappelijke ontwikkeling voorzienbaar was. Die voorzienbaarheid dient te kunnen worden vastgesteld op het moment van vestiging van het plaatsgebonden bedrijf dan wel op het moment van een bedrijfsovername of bedrijfsvoortzetting. Uit de jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State van 5 februari 1993, BR 1993, 986, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 februari 2003, BR 2003, 811) kan worden afgeleid dat het risico van waardevermindering op grond van bijzondere omstandigheden niet geheel voor rekening van betrokkene behoort te blijven, indien de bedrijfsovername plaatsvindt in het kader van de onafgebroken voortzetting van een familiebedrijf. Of van dat laatste sprake is, zal aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval dienen te worden vastgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen, zoals verweerder heeft gedaan, dat de oprichting van de v.o.f. in 1988 moet worden beschouwd als een reguliere bedrijfsovername, en dat deze oprichting, dan wel het moment waarop de onroerende zaak is overgegaan op eiser en zijn medefirmanten, heeft te gelden als het tijdstip waarop het risico van omzetschade als gevolg van planologische maatregelen door eiser bewust is aanvaard. Evenmin zijn er voldoende aanwijzingen dat eisers betoog, dat er op neerkomt dat sprake is van onafgebroken voortzetting van een familiebedrijf, zonder meer juist is.

Verweerder heeft niet voldoende onderzoek gedaan naar de feiten en omstandigheden rond de veronderstelde bedrijfsovername in 1988. Zo is onduidelijk gebleven of de reeds in het bedrijf werkzame familieleden (eiser, diens broer en twee zusters) na het intreden van de arbeidsongeschiktheid van de vader het bedrijf onder de gewijzigde omstandigheden met de moeder min of meer automatisch hebben voortgezet. Niet uit te sluiten valt dat op grond van met name commerciële overwegingen en onder commerciële condities bewust is gekozen voor een bedrijfsovername in de vorm van een op te richten v.o.f. Alleen indien alsnog voldoende aannemelijk zou kunnen worden gemaakt dat sprake is geweest van een bewuste bedrijfsovername - waarbij onder meer van belang is onder welke condities de onroerende zaak (het bedrijfspand) aan de v.o.f. is overgedragen (krachtens erfenis, door middel van schenking of tegen een commerciële prijs) - zou verweerder met recht kunnen staande houden dat de oprichting van de v.o.f. heeft te gelden als moment waarop eiser het risico van omzetdaling als gevolg van de aanleg van Rijksweg 11 bewust heeft aanvaard.

Gelet hierop verdraagt het bestreden besluit zich niet met artikel 3:2 van de Awb, dat voorschrijft dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte proceskosten.

Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 644,-, waarbij 1 punt is toegekend voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1; bedrag per punt € 322,-)

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van de inhoud van deze uitspraak;

Veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, onder aanwijzing van de gemeente Bodegraven als rechtspersoon die dit bedrag aan eiser moet vergoeden;

Bepaalt dat de gemeente Bodegraven als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht, zijnde € 281,-, vergoedt;

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mrs. C.J. Waterbolk, A. Stehouwer en W.E. Doolaard, en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.P. Jadoenathmisier.