Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA7125

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
287026 - KG ZA 07-528
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil in octrooizaak. Provisioneel verbod op directe en indirecte inbreuk op Europees octrooi in vonnis van 25 april 2007. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat de rechtbank, indien zij de beschikking zou hebben gehad over hetgeen thans naar voren is gekomen, het provisionele verbod zou hebben opgelegd. De voorzieningenrechter verbiedt gedaagde het provisioneel verbod, opgelegd bij vonnis van 25 april 2007, ten uitvoer te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 287026 / KG ZA 07-528

Vonnis in kort geding van 11 juni 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap

LG ELECTRONICS BENELUX SALES B.V.,

gevestigd te Almere,

eiseres,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaat mr. P.L. Reeskamp te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennnootschap

KONINKLIJKE PHILIPS ELECTRONICS N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

procureur mr. H.J.A. Knijff,

advocaat mr. B.J. van den Broek te Amsterdam.

Partijen zullen hierna LG en Philips genoemd worden.

1. Het procesverloop

1.1. Bij exploot van 14 mei 2007 heeft LG Philips gedagvaard om te verschijnen op de zitting van 4 juni 2007 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Voorafgaand aan de zitting heeft LG 48 producties overgelegd. Philips heeft 19 producties in geding gebracht.

1.2. Ter terechtzitting heeft de raadsman van LG de vorderingen aan de hand van pleitnotities en producties (nader) toegelicht. De raadsman van Philips heeft, eveneens aan de hand van pleitnotities en producties, verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van de vorderingen.

1.3. Philips heeft ter zitting ingestemd met de schorsing van de executie van na te noemen provisioneel verbod tot en met de dag van deze uitspraak. Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd, onder overlegging van stukken, waaronder de pleitnotities.

1.4. Het vonnis is bepaald op 18 juni 2007. Het vonnis wordt heden bij vervroeging uitgesproken.

2. De feiten

2.1. In een procedure met rolnummer 06-0955 betreffende het Europees octrooi EP 0 260 748 B1 (hierna: Vogel) tussen enerzijds Philips en anderzijds LG en vier andere LG-entiteiten is op 25 april 2007 uitspraak gedaan. De beslissing in deze zaak luidt als volgt:

De rechtbank

in conventie

verklaart zich onbevoegd kennis nemen van de hoofdvorderingen voor zover dat betrekking heeft op of voortvloeit uit de gestelde inbreuk op Europees octrooi 0 260 748 B1 in Oostenrijk, Italië en Zweden;

en ten aanzien van de overige vorderingen:

in de zaak tegen de gedaagden 1 tot en met 4 (de andere LG-entiteiten, voorzieningenrechter):

wijst het gevorderde af;

veroordeelt Philips in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gedaagden 1 tot en met 4 begroot op € 198,40 aan griffierecht en € 1446,40 aan salaris van de procureur;

in de zaak tegen de gedaagde 5 (= LG, voorzieningenrechter):

verbiedt gedaagde sub 5 voor de duur van de procedure, maar uiterlijk tot 10 september 2007, directe dan wel indirecte inbreuk op Europees octrooi 0 260 748 B1, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per product waarmee of per dag, een gedeelte van een dag voor een hele gerekend, dat het verbod na betekening van dit vonnis wordt overtreden;

verwijst de zaak naar de rol van 6 juni 2007 voor akte, eerst aan de zijde van Philips;

houdt iedere verdere beslissing aan;

in reconventie

vernietigt EP 0 260 748 B1 met rechtsgevolg voor Nederland en uitsluitend voor zover het betreft conclusies 1, 2, 3, 5 tot en met 8, 9 voor zover deze conclusie voortbouwt op conclusie 8, en conclusies 10, 11, 13 en 14;

laat het octrooi in stand voor zover het betreft conclusie 4, conclusie 9 voor zover deze conclusie voortbouwt op conclusie 4, en conclusies 12, 15, 16 en 17;

wijst het meer of anders gevorderde af;

bepaalt dat partijen elk de eigen proceskosten dragen.

Het provisioneel verbod in conventie is bij vonnis ex artikel 31 Rv. van 9 mei 2007 uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.2. In het vonnis van 25 april 2007 is voorts overwogen:

rechtsverwerking

5.22. LG doet beroep op rechtsverwerking dan wel misbruik van recht door Philips. In dit verband voert zij kort samengevat het volgende aan. Philips heeft in de periode 1986 - 1994 actief deelgenomen aan de ontwikkeling en aanvaarding van de JPEG-standaard in studiegroepen van de International Telegraph en Telephone Consultative Committee (CCITT), The International Standards Organization (ISO) en de British Standards Institution. Op alle deelnemers aan deze studiegroepen rustte de verplichting om voor de JPEG-standaard relevante octrooien aan te melden. De deelnemer moet daarbij de bereidheid uitspreken om een redelijke, niet-discriminerende licentie te verlenen aan degenen die de standaard willen toepassen. Als die bereidheid niet bestaat kan de werkgroep besluiten voor een andere standaard te kiezen. Philips was zich van deze verplichting bewust maar heeft nagelaten Vogel aan te melden. LG heeft, in het vertrouwen dat de JPEG-standaard geen inbreuk maakt op enig octrooi van Philips, op grote schaal de standaard toegepast. Onder die omstandigheden kan Philips Vogel thans niet meer aan LG tegenwerpen. Zij kan hoogstens aanspraak maken op een eenmalige redelijke licentievergoeding.

5.23. Philips bestrijdt dat zij actief betrokken is geweest bij de ontwikkeling van de JPEG-standaard. Philips meent verder dat zij niet verplicht was Vogel te melden.

5.24. De rechtbank ziet niet in dat de door LG geschetste gang van zaken (zou leiden, typefout in vonnis, voorzieningenrechter) misbruik van recht door Philips zou opleveren. De in artikel 3:13 lid 2 B.W. vermelde gevallen zijn niet van toepassing.

5.25. Van rechtsverwerking kan sprake zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht (H.R. 7 juni 1991, N.J. 1991/708). Philips bestrijdt niet dat zij op de hoogte was van de in zijn algemeenheid geldende verplichting voor deelnemers aan werkgroepen voor standaardisering om relevante octrooien aan te melden. Daarvan uitgaande is de rechtbank met LG van oordeel dat Philips in beginsel het recht heeft verwerkt zich thans nog op Vogel te beroepen indien komt vast te staan dat Philips als deelnemer bij de werkgroepen voor ontwikkeling van de JPEG-standaard betrokken is geweest.

5.26. De door LG overgelegde productie 13 met bijlagen is onvoldoende om deelname van Philips aan de werkgroepen te bewijzen. Zoals LG uitdrukkelijk heeft aangeboden, zal zij indien nodig in een later stadium van de procedure tot nadere bewijslevering worden toegelaten. In haar pleitnota heeft LG zich kennelijk willen beperken tot deelname van Philips aan werkgroepen van de CCITT en ISO, zodat de bewijsopdracht op die deelname dient te worden toegespitst.

5.27. Alvorens aan nadere bewijslevering toe te komen, dient een voorvraag te worden beantwoord. Duidelijk is dat het beroep op rechtsverwerking niet op zal gaan indien, zoals Philips stelt, LG niet bereid is een redelijke, niet-discriminerende licentie-overeenkomst met Philips te sluiten. Indien Philips Vogel wel zou hebben aangemeld, zou LG hiertoe immers wel verplicht zijn geweest. Op dit punt heeft de rechtbank behoefte aan nadere inlichtingen van partijen, in het bijzonder aangaande de voorwaarden van een dergelijke overeenkomst, de omstandigheden die voor bepaling van die voorwaarden in aanmerking genomen zouden moeten worden en de voorwaarden van de licentie-overeenkomst die Philips naar zij stelt aan LG heeft aangeboden. De zaak wordt daartoe verwezen naar de rol voor een akte van partijen, eerst aan de zijde van Philips.

provisionele vordering

5.28. In het voorgaande is vastgesteld dat de codering volgens de JPEG-standaard inbreuk maakt op Vogel volgens conclusie 4. Aan het door Philips gevorderde verbod op inbreuk staat nog slechts het beroep op rechtsverwerking in de weg. Dat beroep gaat in ieder geval niet op indien LG er niet in slaagt het van haar gevraagde bewijs te leveren. De deelname van Philips aan de werkgroepen van de CCITT en ISO is niet af te leiden uit de overgelegde producties. Onder deze omstandigheden dient het door Philips gevorderde verbod voor de duur van de procedure te worden toegewezen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het mogelijk nog geruime duurt voordat in conventie een eindbeslissing kan worden gegeven. Het verbod dient te worden beperkt tot de periode tot 10 september 2007, de datum waarop het octrooi afloopt. Philips heeft niet toegelicht waaruit de betrokkenheid van gedaagde sub 5 bij octrooi-inbreuk, die zij ook verboden wenst te zien, zou bestaan, zodat het verbod beperkt dient te zijn tot directe en indirecte inbreuk.

5.29. Gelet op de door artikel 223 lid 2 Rv. vereiste samenhang met de hoofdvordering en nu de hoofdvordering slechts kan leiden tot een verbod, geldend voor Nederland, dient ook het provisionele verbod daartoe te worden beperkt. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd. Een verbod op 'anderszins onrechtmatig handelen' wordt afgewezen omdat een dergelijk verbod in de context van het geschil geen zelfstandige betekenis heeft.

3. Het geschil

3.1. LG vordert - samengevat - dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Philips verbiedt het vonnis van 25 april 2007 tussen partijen gewezen, ten uitvoer te leggen en verbiedt enige maatregel te nemen gericht op de tenuitvoerlegging van dat vonnis;

2. Philips gebiedt alle eventueel genomen maatregelen van tenuitvoerlegging van het vonnis ongedaan te maken;

3. Philips veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 2.500.000 per keer of per dag - zulks ter keuze van LG - dat Philips geheel of gedeeltelijk in strijd handelt met een of meer van deze verboden;

4. Philips veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. Philips voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.2. De voorzieningenrechter begrijpt dat de overweging van de rechtbank onder 5.28: De deelname van Philips aan de werkgroepen van de CCITT en ISO is niet af te leiden uit de overgelegde producties, in de visie van LG een feitelijke misslag is. De rechtbank is daartoe gebracht doordat zij door onware mededelingen van Philips op het verkeerde been was gezet. LG stelt dat uit het thans door haar overgelegde materiaal de deelname van Philips afdoende blijkt en dat de rechtbank indien zij bekend zou zijn geweest met deze werkelijke stand van zaken de provisionele vordering niet zou hebben toegewezen.

4.3. Enigerlei vorm van deelname aan de werkgroepen wordt door Philips niet ontkend. Waar het om gaat is of de betrokkenheid van Philips bij de werkgroepen zo groot was dat zij gehouden was opgave te doen van Vogel omdat deze las op de overeen te komen standaard. (vergelijk overweging 5.23 en 5.25 van het vonnis van 25 april 2007.)

4.4. Omtrent de gehoudenheid van deelnemers opgave te doen hebben Philips en LG nadere informatie overgelegd. LG verwijst ook naar de internetsite www.jpeg.org. Op de homepage van deze site is vermeld dat dit is: the official site of the Joint Photographic Experts Group, JPEG, and Joint Bi-level Image experts Group, JBIG. As well as our members' site, it offers other useful sources of information about the JPEG and JBIG committees and their standards. De in dit kort geding door LG overgelegde informatie is grotendeels ontleend aan deze site waaronder het gesloten deel daarvan.

4.5. Op deze site is ook informatie te vinden omtrent de patent policy van het JPEG-comité. Onder de FAQ's zijn de volgende vraag en antwoord opgenomen:

Question What is the patent situation on JPEG?

Answer

Note: This is a personal contribution from the Webmaster and does not constitute a formal position from the JPEG Committee.

JPEG members are often asked about the patent position with regard to JPEG standards, and in particular the original JPEG standard IS 10918-1 / T.81. The JPEG committee is always interested to examine any claims that patents may apply to the standards that they create and encourages any organisation or individual having information about a claim to submit it to ISO and ITU-T for inclusion in their respective databases.

JPEG, as a joint ISO/IEC and ITU-T committee has to work under the operational directives of those two bodies, aligning them insofar as it is possible. At every meeting of JPEG, the following resolution is passed unanimously concerning software used to verify current JPEG standards work, and hence create the documented Standard/Recommendations of the JPEG Committee.

"WG 1 requires all participants within all National Bodies to disclose and identify any and all patent rights and the specific technologies within the Verification Model to which they apply. Further, WG 1 requires this disclosure and identification at the time of submission of technology for VM consideration if submitted by the patent holder or no later than one meeting after submission of technology if the technology is not submitted by the patent holder. Further, WG 1 requires that the form contained in WG 1 N1267 be completed as part of this disclosure. This request is in accordance with ISO/IEC directives Part II, Annex A, Section A.2.

The relevant ISO/IEC directives are public documents held on the websites at www.iso.ch and www.itu.int respectively.

Again, at every JPEG meeting the following resolution is also passed unanimously concerning the work of the JPEG committee's parent body within ISO, JTC1/SC29.

"SC 29 affirms and supports ISO policy that requires disclosure of the existence of Intellectual Property (IP) rights or pending rights (such as patents or pending patent applications), hereafter referred to as "IP rights", associated with any technology submitted to SC 29/WGs for consideration for inclusion in any ISO/IEC standard. Specifically, SC 29 affirms the ISO policy of only considering technology that is free of "IP rights" or which is available on a royalty and license fee free basis or which is available under reasonable terms and conditions on a non-discriminatory basis. "

What does this mean in the context of the JPEG series of standards?

Firstly, the JPEG committee have always tried to ensure in their standardisation work that the 'baseline' part of their standards should be implementable without payment of either royalty fees (volume related) or license fees (non-volume related). This applied equally to the original JPEG standard IS10918-1 and to all the parts of the new JPEG 2000 standard IS 15444.

For the JPEG standard, IS 10918-1 no patent declarations were received prior to its publication that, in the opinion of the committee at the time, applied to the baseline implementation.

For additional parts of the standard, and in particular those applications using arithmetic rather than Huffman coding (Editor's note - these are not used in general implementations of 'JPEG' coding as widely implemented in digital cameras and the Internet) a total of 11 such declarations from 4 companies or individuals are held in the ITU-T online database available at http://www.itu.int/ITU-T/dbase/patent/ (as at January 2004).

In 2002, it became widely publicised that one or more companies were making claims in some countries that they had patents which they believed read on the original JPEG standard IS10918-1. The JPEG Committee produces standards, which have a global basis, and are unable to comment on the validity of such claims, or potential infringement by particular implementations within specific jurisdictions. No such claims have (at January 2004) been registered formally through the appropriate channels at ISO and ITU-T, so far as the Webmaster is aware. In an attempt to provide as much technical background as possible to assist companies approached concerning such patent claims, JPEG have assembled a Historical Archive of as much material as possible, which helps show how decisions were taken, what the technical inputs were behind those decisions, and some of the background information concerning the involvement of companies and individuals in the standardisation process. These are currently provided without further commentary as a service to members of the JPEG committee only, primarily for copyright reasons. For details of how to join JPEG see www.jpeg.org/join.html.

The JPEG committee recognise the importance of being able to implement their core standards free of the need to pay patent holders, and continue to strive to achieve this goal wherever possible.

In addition, the JPEG committee recognises that there may be occasions where the use of non fee-free technology is unavoidable, or where it offer significant technical advantages over a fee-free solution. In these cases, JPEG may include such technology in its standards in accordance with ISO and ITU patent policy, which require that a signed declaration be obtained prior to publication stating that such patents are available on 'reasonable and non-discriminatory' terms (RAND). As an example, Part 2 of JPEG 2000 details many extensions to the baseline specification, some of which may require the use of patented technology only available on a RAND basis. As of 17th July 2003, only one such declaration was registered within the ITU-T database.

4.6. Philips heeft gesteld dat de verplichting relevante octrooien op te geven slechts rust op proposers, dat wil zeggen deelnemers die daadwerkelijk een zekere techniek als onderdeel van de overeen te komen standaard hebben voorgesteld.

4.7. Naar voorlopig oordeel is deze uitleg te beperkt. Uit het hierboven opgenomen antwoord blijkt dat de verplichting tot disclosure algemener is en zich uitstrekt tot all participants within all National Bodies. Deze aanwijzing is ook te begrijpen. Uit het antwoord blijkt immers ook dat de werkgroepen in beginsel een standaard nastreven welke vrij is van IE-rechten. Indien een niet-rechtenvrije oplossing onvermijdelijk is, bijvoorbeeld omdat de geoctrooieerde techniek duidelijke voordelen heeft, dient de deelnemer toe te zeggen dat hij een licentie zal verstrekken op 'reasonable and non-discriminatory' (RAND) voorwaarden.

4.8. De verplichting tot disclosure kan zich niet uitstrekken tot buiten de kring van de participants. In beginsel blijven de werkgroepen initiatieven zonder publiekrechtelijke bevoegdheid. Ter zitting heeft Philips wel bevestigd dat de werkgroep, indien op enig moment de keuze op zekere techniek wordt bepaald, zelfstandig een search doet om na te gaan of delen van de gekozen techniek wellicht door andere IE-rechten, van niet-deelnemers, wordt beschermd. Een niet-deelnemer zou anders een onwenselijk profijt hebben van het bestaan van de standaard omdat de standaard dan door de industrie alleen kan worden toegepast op basis van een licentie, welke de niet-deelnemer niet is gehouden te verstrekken, en waarbij de deelnemer zich niet heeft gebonden aan RAND voorwaarden.

4.9. Naar voorlopig oordeel heeft LG in deze procedure voldoende, zo al niet ruimschoots, aannemelijk gemaakt dat Philips deelnemer (participant) was bij de totstandkoming van de JPEG standaard. In totaal noemt LG 13 verschillende namen van Philips medewerkers die betrokken zijn geweest bij de JPEG-standaardisatie.

4.10. Als voorbeeld uit het door LG overgelegde materiaal noemt de voorzieningenrechter de producties 36 en 37 van LG. Hieruit blijkt dat [A] namens Philips aanwezig was op een JPEG bijeenkomst in Kopenhagen die werd gehouden van 25 tot 27 januari 1988. Deze bijeenkomst is van belang omdat bij die gelegenheid de principiële keuze werd bepaald op de ADCT techniek welke kenmerkend is voor de JPEG standaard. Kennelijk werd het gebeuren van zo groot belang gevonden dat er een foto is gemaakt van de verzamelde deelnemers. De afgebeelde personen hebben die foto, met het onderschrift WG8 and JPEG Members at Historical Moment, met hun naam en handtekening onderschreven. [A] is verbonden aan Philips Research Labs in het Verenigd Koninkrijk.

4.11. Philips heeft met betrekking tot genoemde [A] gesteld dat deze niet op de hoogte was van het JPEG project en dat hij als vervanger naar de bijeenkomst van Kopenhagen was gegaan. Naar voorlopig oordeel ontzenuwt dat niet dat Philips als participant heeft deelgenomen aan de ontwikkeling van de JPEG standaard. Dat Philips daartoe op enig moment een persoon heeft afgevaardigd die niet op de hoogte was doet daar niet aan af en dient dan ook voor rekening van Philips te blijven.

4.12. De resultaten van voornoemde bijeenkomst te Kopenhagen zijn besproken op de Joint Photographic Experts Group Meeting van 9 tot 13 mei 1988, die in Ottawa werd gehouden. De Philips medewerker [B] staat op de List of attendees namens Philips, Germany. Philips heeft een schriftelijke verklaring overgelegd van [B] waarin deze erkent deze bijeenkomst te hebben bijgewoond en dat deze onder meer still picture coding tot onderwerp had. Hij verklaart verder dat hij de bijeenkomst bijwoonde op verzoek van een collega en voorts: Because I did not have any relevant knowledge, I only attended the meeting as a listener. I do not recall any discussions of patent at the meeting.

4.13. Uit het verslag van deze bijeenkomst (productie 11 LG) blijkt evenwel dat ook Patent Issues zijn besproken: It was reported in N741 that the patent search instigated by DEC had so far not turned up any obviously applicable patents. Known patents appeared to relate to moving picture coding. Members were advised to have searches of their own performed.

4.14. Het document N741 is overgelegd door Philips (productie 17 Philips). Hieruit blijkt dat de search betreft het ADCT proposal zoals die in Kopenhagen aan de orde kwam. Voorshands is derhalve voldoende duidelijk dat dhr. [B], hoewel hij zich dit kennelijk niet meer kan herinneren, tijdens genoemde bijeenkomst zelfs er op gewezen is een patent search te laten uitvoeren. Dat dhr. [B] hier kennelijk binnen Philips geen vervolg aan heeft gegeven moet voor rekening van Philips blijven.

4.15. De verder door LG opgegeven namen van Philips medewerkers laat de voorzieningenrechter onbesproken. De deelname van de twee hiervoor besproken medewerkers illustreert dat Philips wel participeerde in het JPEG overleg. De rol van Philips was kennelijk niet die van een proposer die technische voorstellen deed met betrekking tot de standaard. De deelnemers namens Philips waren op het technisch gebied van still picture coding mogelijk niet zeer op de hoogte, maar dat neemt niet weg dat zij als listener op de hoogte hadden moeten zijn van de aanwijzing relevante octrooien te melden.

4.16. Voorshands oordeelt de voorzieningenrechter dan ook, anders dan de rechtbank voorshands oordeelde aan de hand van de in die procedure beschikbare stukken in r.o. 5.28 van het vonnis van 25 april 2007, dat uit de door LG in dit kort geding overgelegde stukken voldoende blijkt dat, Philips wel heeft deelgenomen aan de werkgroepen van de CCITT en ISO waarbinnen de JPEG standaard is vastgesteld en voorts dat die deelname van dien aard was dat daaruit voor Philips een gehoudenheid voortvloeide Vogel te openbaren.

4.17. Het is niet aannemelijk dat de rechtbank, indien zij de beschikking zou hebben gehad over hetgeen thans naar voren is gekomen, het provisionele verbod zou hebben opgelegd. Dit voert tot de slotsom dat de vorderingen van LG zullen worden toegewezen.

4.18. Als in het ongelijk gesteld zal Philips worden veroordeeld in de kosten van de procedure. LG vordert de volledige kosten, de voorzieningenrechter begrijpt in de zin van artikel 1019h Rv, nu de dagvaarding is uitgebracht na 1 mei 2007. Dit executiegeding heeft evenals de procedure die leidde tot het vonnis van 25 april 2007 de handhaving van een IE-recht tot inzet. De proceskosten voorzover gevorderd zullen derhalve worden toegewezen. LG heeft geen verdere proceskosten gespecificeerd dan de dagvaardingskosten ten bedrage van € 70,85 en griffierecht van € 251,-. Deze kosten zijn niet betwist; Philips zal tot betaling daarvan worden veroordeeld. Voor wat betreft de advocaatkosten is door LG zodoende evenmin gesteld dat deze het (gebruikelijke) liquidatietarief overstijgen, zodat deze aldus worden toegewezen.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

verbiedt Philips het provisioneel verbod en de daaraan verbonden nevenvorderingen, opgelegd bij vonnis van 25 april 2007 (inclusief het herstelvonnis van 9 mei 2007) tussen partijen gewezen, ten uitvoer te leggen en verbiedt enige maatregel te nemen gericht op de tenuitvoerlegging van dat verbod;

gebiedt Philips alle eventueel genomen maatregelen van tenuitvoerlegging van voornoemd vonnis ongedaan te maken;

veroordeelt Philips tot betaling van een dwangsom van € 2.500.000 per keer of per dag - zulks ter keuze van LG - dat Philips geheel of gedeeltelijk in strijd handelt met dit verbod respectievelijk gebod;

veroordeelt Philips in de proceskosten, aan de zijde van LG tot op heden begroot op € 1.137,85;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Chr.A.J.F.M. Hensen en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2007, in het bijzijn van de griffier.