Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6987

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
09/925854-06 - 09/662699-06 (vord. TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft met mededaders, na overleg en getroffen voorbereidingen, in de nacht van 22 op 23 september 2006 een overval gepleegd op een privé woning. Daar is het slachtoffer op ruwe en voor hem zeer beangstigende wijze bedreigd en met een (geladen) pistool diverse malen op/tegen zijn hoofd en gezicht geslagen en gestompt. Verdachte is er niet voor teruggedeinsd fors geweld tegen het slachtoffer te gebruiken teneinde hem geld afhandig te maken. Verdachte werd in de woning op heterdaad aangehouden in het bezit van een geladen vuurwapen. Straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: - 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 24c, 36f, 45, 57, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht; - 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Gevangenisstraf van 3 jaar en 6 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Tenuitvoerlegging voorwaardelijk opgelegde straf: gevangenisstraf van 1 maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer : 09/925854-06

09/662699-06 (vord. TUL)

's-Gravenhage, 8 juni 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden - Zoetermeer" te Zoetermeer.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 20 december 2006, 27 februari 2007 en 25 mei 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. W.N. Ferdinandusse heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem onder 1, 2 en 3 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 2.836,=, subsidiair 60 dagen hechtenis ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Tot slot heeft de officier van justitie ten aanzien van de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, waartoe verdachte bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 20 april 2006 is veroordeeld, gevorderd de proeftijd met 1 jaar te verlengen onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1. De rechtbank heeft de feiten onder 1 nader genummerd als 1a en 1b en zal die nummering in het vonnis aanhouden.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1b en feit 2 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het hem onder feit 2 telastgelegde overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de handelingen omschreven in de telastlegging onder feit 2 uitvoeringshandelingen zijn van feit 1 en derhalve geen zelfstandige vrijheidsberoving vormen. Het voorgaande brengt mee dat verdachte van het hem onder feit 2 telastgelegde zal worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de onder 1a en 3 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft met mededaders, na overleg en getroffen voorbereidingen, in de nacht van 22 op 23 september 2006 een overval gepleegd op een privé woning. Verdachte en zijn mededaders zijn met bivakmutsen op de woning binnengedrongen. Daar is het slachtoffer, [benadeelde partij], op ruwe en voor hem zeer beangstigende wijze bedreigd en met een (geladen) pistool diverse malen op/tegen zijn hoofd en gezicht geslagen en gestompt. Verdachte is er niet voor teruggedeinsd fors geweld tegen het slachtoffer te gebruiken teneinde hem geld afhandig te maken. Toen de politie binnenviel stond verdachte nog over het slachtoffer gebogen. [benadeelde partij] werd onder het bloed aangetroffen met vastgebonden polsen. Deze traumatische ervaring en het daaruit voortvloeiende gevoel nergens meer veilig te zijn zal, naar de ervaring leert, het leven van het slachtoffer langdurig beïnvloeden.

Verdachte werd in de woning op heterdaad aangehouden in het bezit van een geladen vuurwapen. Het voorhanden hebben van een vuurwapen (met bijbehorende munitie) kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen.

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het voorlichtingsrapport d.d. 22 februari 2007 opgesteld ten aanzien van de persoon van de verdachte door de reclasseringswerker [X], werkzaam bij de Stichting Reclassering Nederland, Regio Den Haag. In dit rapport wordt geconcludeerd dat verdachte weinig tot geen verantwoordelijkheid voor zijn delictgedrag neemt en een groot deel van hetgeen er is gebeurd buiten zichzelf legt. Verdachte praat liever over de toekomst dan over het verleden. Verdachte geeft aan beïnvloedbaar te zijn. Hij lijkt beperkte mogelijkheden tot verandering te hebben, die niet voortkomen uit gebrek aan motivatie, maar doordat verdachte niet alles even goed begrijpt. De reclassering acht het van belang om verdachte in een strak kader met veel controle op het nakomen van afspraken te begeleiden en is van mening dat het Exodus programma mede zorg kan dragen voor een strakke begeleiding, mocht verdachte een voorwaardelijk strafdeel met reclasseringstoezicht opgelegd krijgen. Exodus kan worden ingezet in het kader van reclasseringstoezicht na zijn detentie, maar ook in de laatste periode van zijn detentieverloop gekoppeld aan een penitentiair programma.

De reclassering adviseert om verdachte naast een onvoorwaardelijke straf een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact, ook als dit inhoudt het volgen van één of meer gedragsinterventies, en ook als dat inhoudt deelname aan het Exodus programma.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en zal bij de strafmaat rekening houden met deze conclusie.

Op deze bijzonder ernstige feiten dient naar het oordeel van de rechtbank te worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zoals blijkt uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister betreffende verdachte d.d. 25 september 2006 is verdachte eerder veroordeeld ter zake van geweldsdelicten.

Anderzijds acht de rechtbank aannemelijk uit onder meer de verklaringen van het slachtoffer dat verdachte bij deze overval geen leidende rol heeft gespeeld, hetgeen ook past in het beeld van zijn makkelijk te beïnvloeden persoonlijkheid, zoals hierboven omschreven.

Bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat een deels onvoorwaardelijke en deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht passend en geboden is.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij], wonende te [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.836,=.

Deze vordering is door de verdediging deels weersproken en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde overgelegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die gedeeltelijk eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 1a aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij gedeeltelijk ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering deels toewijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering voorzover deze hoger is dan het bedrag dat wordt toegewezen, nu dit hogere deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank overweegt hierbij dat onder meer niet duidelijk is of een eindtoestand met betrekking tot het gezichtsverlies is bereikt. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1a bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.000,= ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Vordering tenuitvoerlegging.

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 4 mei 2007 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 20 april 2006, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd, die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 24c, 36f, 45, 57, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1b en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1a en 3 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1a:

poging tot diefstal, voorafgegaan van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting reclassering Nederland, ressort Den Haag, ook als dit inhoudt het volgen van één of meer gedragsinterventies, ook als dat inhoudt deelname aan het Exodus programma, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op : 23 september 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 25 september 2006,

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], wonende te [adres], een bedrag van € 1000,=, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij, [benadeelde partij], voornoemd, voor het overige niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat deze zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.000,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij], voornoemd;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 20 april 2006, gewezen onder parketnummer 09/662699-06, te weten:

gevangenisstraf voor de duur van 1 maand;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Van Rossum, voorzitter,

Van As en Pabbruwe, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. De Vroom, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juni 2007.