Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6984

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
09/758422-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aangever bevond zich in zijn woning toen zijn auto op oudejaarsavond 2006 in brand raakte. Hij heeft dus niet kunnen waarnemen hoe dit is gebeurd. Zij verklaring houdt met betrekking tot het daderschap van verdachte een conclusie in die niet wordt gedragen door eigen waarneming of door andere feiten en omstandigheden. Hetzelfde geldt voor aangevers verklaring met betrekking tot een andere auto die in brand is geraakt. Nu zich geen andere wettige bewijsmiddelen in het dossier bevinden, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat voor verdachtes betrokkenheid bij deze brandstichting geen wettig bewijs voorhanden is. Vrijspaak van hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 2 is telastgelegd. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van heroïne en dextropropoxyfeen. De aangetroffen hoeveelheid heroïne is van dien aard dat er sprake is van een handelsindicatie. Artikelen - 9a, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c van het Wetboek van Strafrecht; 2, 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I. Gevangenisstraf 180 dagen met aftrek waarvan 62 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden Reclasseringstoezicht. Taakstraf 206 uren waarvan 180 uren een werkstraf en 26 uren een leerstraf te weten 'Sociale Vaardigheidstraining'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/758422-06

's-Gravenhage, 12 juni 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [gemeente A] op [datum] 1988,

adres: [adres]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting 'De Geniepoort' te Alphen aan den Rijn.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 29 mei 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. Van der Bom, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. Brekelmans heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 2,13,19, verbeurd zullen worden verklaard en dat nummer dat nummer 18 zal worden onttrokken aan het verkeer en dat de overige voorwerpen zullen worden geretourneerd aan de verdachte.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 8738, subsidiair 73 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

De tenlastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging tenlastelegging, gemerkt A1.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 2 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Op oudejaarsavond 2006 worden er op en rondom het [adres] te [gemeente A] auto's in brand gestoken, abri's vernield en hangt er een grote groep jongeren rond. Er wordt veel en zwaar vuurwerk afgestoken en zogenaamde brandbommen naar rijdende en stilstaande auto's gegooid, waardoor auto's in brand komen te staan. Ook de auto van de aangever brandt die avond uit.

De aangever verklaart dat hij op 31 december 2006 achter zijn computer zat te werken, toen er bij hem lang en hard werd aangebeld en op zijn deur werd gebonsd. Toen hij de voordeur opendeed, zag hij dat zijn auto in brand stond. De aangever verklaart dat hij eerder op die avond al een groep jongeren had gezien, waaronder de verdachte, die brandbommen naar auto's gooiden. Later op de avond heeft hij de groep weer gezien bij het [adres] en zag hij dat de [auto merk A] die achter zijn eigen auto geparkeerd stond, ook begon te branden. In zijn aangifte beschrijft de aangever de verdachte als één van de jongeren uit de groep die brandbommen gooiden. Op [datum] 2007 herkent de aangever de verdachte in een fotoconfrontatie. De verdachte verklaart dat hij op oudejaarsavond 2006 op het plein aanwezig was, maar ontkent de auto's in brand te hebben gestoken.

Uit de verklaring van aangever blijkt dat hij zich in zijn woning bevond toen zijn auto in brand raakte en hij dus niet heeft kunnen waarnemen hoe zulks is gebeurd. Aangevers verklaring houdt met betrekking tot het daderschap van verdachte een conclusie in die niet wordt gedragen door eigen waarneming of door andere feiten en omstandigheden. Hetzelfde geldt voor aangevers verklaring met betrekking tot de in brand geraakte [auto merk A]. Nu zich naast de verklaring van aangever geen andere wettige bewijsmiddelen in het dossier bevinden, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat voor verdachtes betrokkenheid bij deze brandstichting geen wettig bewijs voorhanden is.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van heroïne en dextropropoxyfeen. Het gebruik ervan levert een onaanvaardbaar risico op voor de volksgezondheid. De aangetroffen hoeveelheid heroïne is van dien aard dat er sprake is van een handelsindicatie.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Blijkens de justitiële documentatie is de verdachte reeds eerder in aanraking geweest met justitie, maar niet wegens een soortgelijke feit als thans bewezen wordt geacht. Uit het voorlichtingsrapport opgesteld door de afdeling reclassering van het Leger des Heils, blijkt dat de verdachte dakloos is en inkomen noch dagbesteding heeft, waardoor hij veel op straat rondhangt en in aanraking komt met kennissen die strafbare feiten plegen. De verdachte heeft verklaard hulp te wensen voor het oplossen van de problemen op het gebied van huisvesting en werk. De rechtbank hecht geloof hieraan. De reclassering acht een leerstraf Sociale Vaardigheden geïndiceerd. Tevens bepleit de reclassering een verplicht reclasseringscontact.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de na te melden duur passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 9a, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet opgegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 eerste lid van de Opiumwet, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 62 dagen niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde; verplicht reclasseringstoezicht;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 14 februari 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 16 februari 2007,

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf en gelast de onmiddellijke invrijheidsstelling;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf, voor de tijd van 206 (tweehonderd zes) uren; bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 180 (honderd tachtig) uren; alsmede uit een leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject, te weten 'Sociale Vaardigheidstraining', voor de tijd van 26 (zes en twintig) uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van respectievelijk 103 (honderd drie) dagen;

bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

verklaart verbeurd de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 12,13, en 19, te weten: een assimilatielamp, een fles chemicaliën en een lege simkaarthouder met bruine substantie;

verklaart onttrokken aan het verkeer het blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 18, te weten: heroïne;

gelast de teruggave aan de verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 16 en 17, te weten: een telefoontoestel [merk 1], een telefoontoestel [merk 2], twee geheugensimms, 6 sleutels, 17 enveloppen, een zakboekje, een bon, een huishoudhandschoen en een herenhorloge [merk A];

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. De Graaff, voorzitter,

Van Nooijen en Steenhuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Doornik, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juni 2007.