Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6800

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
kg 07-514
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2009:BK1766, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil tussen de Stichting WMO en de NOvAA over de totstandkoming van de nieuwe Verordening Gedragscode Accountants (VGC). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorshands niet gebleken dat de de besluitvorming over de VGC op de ledenvergadering van de NOvAA ondemocratisch is geschied. Daarnaast hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat de NOvAA bij de totstandkoming van de VGC onrechtmatig of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Dit geldt eveneens voor de door eisers gestelde strijd met wet- en regelgeving. Er is geen aanleiding om een deel van de Wet AA (Wet op de Accountants-Administratieconsulenten) buiten werking te stellen en het bestuur van de NOvAA bevoegdheden te ontnemen. Facilitering van een door eisers genoemde groep van leden van de NOvAA die van haar bevoegdheid ingevolge de Verordening op de ledenvergadering gebruik wil maken om zelf een buitengewone vergadering bijeen te roepen, wordt thans niet opportuun geacht. Eisers willen deze buitengewone vergadering benutten om door middel van een recht van initiatief de VGC te wijzigen. De betreffende regelgeving voorziet echter niet in een dergelijk recht van initiatief voor de leden van de NOvAA. Alle onderdelen van de vordering worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 11 juni 2007,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/514 van:

1. de stichting Stichting Werkgroep Minnelijk Overleg (WMO),

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Gouda,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. R.Th.R.F. Carli,

advocaat mr. L.G.M. Delahaije te Breda,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (NOvAA),

statutair gevestigd en kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. E.J. Daalder.

Partijen worden hierna ook genoemd: de WMO, [eiser sub 2] en de NOvAA.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 5 juni 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. De NOvAA is een bij wet ingesteld openbaar lichaam voor het beroep van accountant-administratieconsulent (AA). AA's, die in het register voor Accountants-Administratieconsulenten staan ingeschreven, zijn op grond van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten (hierna: Wet AA) lid van de NOvAA. In artikel 2 lid 2 van de Wet AA is bepaald dat de NOvAA tot taak heeft de bevordering van een goede beroepsuitoefening door AA's en de behartiging van hun gemeenschappelijk belang.

1.2. De WMO is in januari 2007 opgericht door [eiser sub 2] (lid van de NOvAA en voorzitter van de WMO) en andere leden van de NOvAA naar aanleiding van onvrede over besluitvorming op de algemene ledenvergadering op 11 december 2006 van de NOvAA.

1.3. De artikelen 10 tot en met 32 van de Wet AA zien op de werkwijze en de organen van de NOvAA. In artikel 10 is het volgende bepaald:

Het bestuur roept de ledenvergadering bijeen, zo dikwijls het zulks nodig oordeelt en voorts indien tenminste veertig leden van de NOvAA, onder opgaaf van de te behandelen punten, om haar bijeenroeping verzoeken.

1.4. Artikel 21 van de Wet AA luidt als volgt:

1. De ledenvergadering kan bij verordening nadere regelen stellen betreffende haar werkwijze en die van het bestuur.

2. Het bestuur kan nadere regelen stellen betreffende zijn werkwijze, voor zover niet de ledenvergadering daarin bij verordening heeft voorzien.

1.5. Door de ledenvergadering vastgestelde verordeningen binden de bij de NOvAA geregistreerde AA's. Ingevolge artikel 21 heeft de ledenvergadering op 14 oktober 1993 de Verordening op de ledenvergadering vastgesteld. Deze Verordening regelt de bijeenroeping van de vergadering. Artikel 1 van de Verordening luidt als volgt:

1. De oproeping tot een bijeenkomst van de ledenvergadering geschiedt

-de dag van verzending daaronder begrepen- ten minste veertien volle dagen tevoren door toezending aan alle leden van de NOvAA van een agenda, met vermelding van plaats, dag en aanvangsuur van de vergadering.

2. In spoedeisende gevallen ter beoordeling van het bestuur kan de in het eerste lid van dit artikel genoemde termijn worden bekort met dien verstande, dat de termijn van oproeping ten minste vijf volle dagen zal moeten zijn.

3. In een bijeenkomst van de ledenvergadering kunnen geen besluiten worden genomen ten aanzien van onderwerpen, welke niet op de agenda zijn vermeld.

1.6. In artikel 2 van de Verordening op de ledenvergadering is het volgende bepaald:

Indien het bestuur met het bijeenroepen van een vergadering binnen een maand na ontvangst van een verzoek daartoe, als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten, in gebreke blijft, zijn de aanvragende leden bevoegd de vergadering zelf bijeen te roepen.

1.7. Artikel 6 lid 2 van de Verordening op de ledenvergadering bepaalt dat het bestuur, gehoord de ledenvergadering, nadere regelen vaststelt betreffende de wijze van behandeling van ontwerpverordeningen door de ledenvergadering. Deze bepaling is uitgewerkt in de Regelen ter uitvoering van de Verordening op de ledenvergadering (hierna: de Regelen).

1.8. In artikel 7 van de Regelen is bepaald dat het vaststellen van de uitslag van een stemming door de voorzitter van de vergadering geschiedt. De artikelen 8 tot en met 10 van de Regelen zien op de bevoegdheid van de leden om op een ontwerpverordening amendementen voor te stellen en de wijze waarop dat dient te geschieden.

1.9. Ingevolge artikel 24 van de Wet AA stelt de ledenvergadering ten behoeve van een goede uitoefening van de werkzaamheden bij verordening gedrags- en beroepsregels vast die gelden voor alle AA's. Een dergelijke verordening behoeft, ingevolge het zesde lid van dit artikel, de goedkeuring van de Minister van Financiën (de Minister).

1.10. De Wet AA maakt een onderscheid tussen wettelijke controles en niet-wettelijke controles. Gedrags- en beroepsregels met betrekking tot wettelijke controles van de NOvAA dienen, ingevolge artikel 25 van de Wet AA, in overeenstemming te zijn met de regels die door haar zusterorganisatie het Nederlands Instituut voor Registeraccountants (NIVRA) worden opgesteld voor wettelijke controles voor registeraccountants. Met het oog hierop wordt door een uit beide beroepsgroepen samengestelde commissie een ontwerp betreffende gedrags- en beroepsregels opgesteld. Ingevolge artikel 26 van de Wet AA wordt een ontwerp-verordening door het bestuur in de Staatscourant geplaatst, waartegen een ieder bedenkingen naar voren kan brengen die ter kennis van de leden gebracht worden.

1.11. Tot 1 januari 2007 was voor de NOvAA-leden de Verordening op de Gedrags- en beroepsregels voor Accountants-Administratieconsulenten (laatstelijk gewijzigd op 23 juni 2003) van kracht. In een beleidsnota van de NOvAA voor 2006-2009 is als uitgangspunt vastgelegd om de voorschriften in de gedragscodes voor de AA en de RA (registeraccountant) met elkaar in overeenstemming te brengen, dit gezien de overeenkomsten tussen hun werkzaamheden. Reden voor het opstellen van een nieuwe Verordening Gedragscode Accountants (VGC) was onder meer de wens om aansluiting te zoeken bij de Code of Ethics van het IFAC (International Federation of Accountants). Deze Code of Ethics bevat gedragsregels voor accountants bij het uitvoeren van al hun werkzaamheden en is daarmee niet alleen van toepassing op accountants die wettelijke controles uitvoeren.

1.12. In mei 2002 heeft een eerste bijeenkomst van de werkgroep gedrags- en beroepsregels NIVRA-NOvAA plaatsgevonden. De uitkomst van dit overleg is in juni 2003 aan de leden voorgelegd. In 2005 heeft een vertegenwoordiger van de NOvAA alle afdelingen bezocht en aan de hand van een power point-presentatie het voorliggende concept toegelicht. Naar aanleiding van commentaar op het concept is in 2006 een nieuw gevormde NIVRA-NOvAA werkgroep ingesteld die vervolgens een gewijzigd ontwerp heeft opgesteld dat meer aansluit bij de Code of Ethics. Nadat dit concept ter consultatie aan de leden is voorgelegd, is het concept opnieuw gewijzigd en vervolgens als voorstel op de agenda van de ledenvergadering van 11 december 2006 geplaatst.

1.13. In de vergadering van 11 december 2006 is eerst gestemd over door een aantal leden ingebrachte amendementen. Vervolgens is over de verordening mondeling gestemd. Nadat de voorzitter had vastgesteld dat de verordening bij meerderheid van stemmen was aangenomen, is op verzoek van een aantal leden nog twee keer gestemd over de verordening. De voorzitter heeft telkens daarna opnieuw vastgesteld dat de verordening bij meerderheid van stemmen door de ledenvergadering is aangenomen.

1.14. De Minister heeft op 21 december 2006 goedkeuring aan de VGC gegeven. De VGC is vervolgens in de Staatscourant geplaatst en met ingang van 1 januari 2007 in werking getreden.

1.15. De WMO is een beroepsprocedure gestart bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) met als inzet de beantwoording van de vraag of de VGC al dan niet op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen.

1.16. Op 11 juni 2007 vindt een algemene ledenvergadering van de NOvAA plaats. Daarbij is onder meer de verkiezing van de nieuwe voorzitter aan de orde. [Eiser sub 2] heeft zich kandidaat gesteld voor het voorzitterschap. Op de ledenvergadering zal ook worden gesproken over een te verwachten rapport over de toegenomen regeldruk en in hoeverre deze druk onredelijk bezwarend is voor AA's die geen assuranceopdrachten verrichten (opdrachten waarbij de accountant een conclusie formuleert die bedoeld is het vertrouwen van een ander dan de opdrachtgever te versterken).

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

Eisers vorderen -zakelijk weergegeven- het NOvAA-bestuur te gelasten:

1. om de VGC en haar belangrijkste uitvoeringsbesluiten zoals de NVAK (Nadere voorschriften inzake accountantskantoren), de Periodieke Preventieve Toetsing en de verplichte VGC-cursussen voorshands niet van toepassing te verklaren voor leden die geen wettelijke controles uitvoeren in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure;

2. om geen beroep te doen op enig artikel uit de Wet AA anders dan de artikelen 10 en 24, welk beroep zou kunnen verhinderen dat de ledenvergadering zelfstandig kan besluiten -ongeacht de mening van de voorzitter of een ingehuurde notaris- om moties c.q. verordeningen dan wel amendementen op bestaande verordeningen of nadere voorschriften in stemming te brengen;

3. dat wanneer meer dan 40 leden een vergadering bijeen willen roepen of bijeen roepen, die leden te faciliteren als volgt:

a) dat die leden gebruik kunnen en mogen maken van de NAW-gegevens van het ledenbestand van de NOvAA, zodat met alle NOvAA-leden zelfstandig gecommuniceerd zal kunnen worden, zowel per post als per e-mail, zonder inmenging van NOvAA-zijde;

b) dat die leden de beschikking zullen krijgen over een deel van de NOvAA-website en wel middels een banner op de linkerzijde van de Home-Page van de NOvAA en voorts dat de door die leden aangesneden onderwerpen zullen worden geregistreerd en behandeld als ieder ander onderwerp van aandacht, zonder nodeloze inhoudelijke en/of technische beperkingen van NOvAA-zijde;

c) dat alle kosten van die leden, verband houdende met het organiseren van een extra buitengewone ledenvergadering, door NOvAA voor haar rekening zullen moeten worden genomen;

één en ander op straffe van een dwangsom.

Daartoe voeren eisers onder meer het volgende aan.

De NOvAA handelt jegens eisers onrechtmatig omdat geen geldige stemmingen hebben plaatsgevonden over de VGC en de beide ingebrachte amendementen. De VGC is niet op een transparante democratische wijze tot stand gekomen. De NOvAA heeft vormfouten gemaakt en communicatiestoornissen veroorzaakt voorafgaande aan deze stemmingen, onder meer bij de publicatie van de ingebrachte bedenkingen, en is ernstig tekort geschoten bij het betrachten van de vereiste onpartijdigheid omdat zij op vooringenomen wijze heeft geprobeerd de VGC met al haar beschikbare middelen door te drukken. Hierdoor zijn belanghebbenden benadeeld. De NOvAA handelt in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur en daarnaast is de VGC niet in overeenstemming met wet en regelgeving. Miskend is dat de ledenvergadering de hoogste macht heeft in de vereniging. Bij de verordenende bevoegdheid die de leden toekomt behoort onverbrekelijk het initiatiefrecht. Inmiddels hebben ruim 80 leden van de NOvAA twee afzonderlijke verzoekschriften ingediend voor een nieuwe ledenvergadering, ieder ondertekend door ruim 40 verschillende leden waarbij aan de orde moet komen het keren van de ongewenste gevolgen van de VGC. Het NOvAA-bestuur heeft deze verzoeken ongemotiveerd naast zich neergelegd. De NOvAA laat belangen van leden aangesloten bij grotere accountantskantoren zwaarder wegen dan de belangen van andere leden. Zij handelt onzorgvuldig en creëert rechtsonzekerheid. Daarnaast is er sprake van schending van mededingingsregels en Europese en internationale regels, meer in het bijzonder de 8e Europese Richtlijn en de Code of Ethics.

Gedaagde voert als volgt verweer.

Toewijzing van het gevorderde sub 1 is in strijd met de Wet AA en zou leiden tot een situatie waarin geen beroeps- of gedragregels meer zouden bestaan, terwijl de wetgever in het kader van de totstandkoming van de Wet toezicht accountantsorganisaties (WTA) heeft gewezen op de noodzaak van regulering door de sector. De VGC is niet onmiskenbaar onverbindend. Uit de concept-notulen blijkt dat met inachtneming van de Wet AA is gestemd. Het bestuur van de NOvAA is niet vooringenomen of partijdig geweest en de VGC is ook anderszins niet onrechtmatig. De VGC is evenmin in strijd met de Mededingingswet of de Code of Ethics of de 8e Richtlijn. Het gevorderde sub 2 moet worden afgewezen, alleen al omdat dit zou leiden tot buitenwerking stelling van de Wet AA. Voor het gevorderde sub 3 geldt dat de Wet AA c.a. niet voorzien in een verplichting voor het bestuur om de kosten van een dergelijke vergadering te dragen. Gebruikmaking van de gegevens stuit af op de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Wat het gebruik van de website betreft kan de NOvAA geen verantwoordelijkheid nemen voor informatie op haar site die niet van het bestuur van de NOvAA zelf afkomstig is.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De vraag is allereerst of het besluit op de ledenvergadering van de NOvAA van 11 december 2006 met betrekking tot het aannemen van de VGC rechtsgeldig is genomen.

3.2. Vaststaat dat stemming over de VGC ter vergadering van 11 december 2006 drie maal heeft plaatsgevonden. Voorshands is daarmee niet gebleken dat besluitvorming over de VGC ondemocratisch is geschied. Dat de stemmingen in een enigszins chaotische sfeer hebben plaatsgevonden, doet daaraan niet af.

Ter zitting heeft de raadsman van eisers desgevraagd verklaard dat de kritiek op de onzorgvuldige besluitvorming ter zake met name is gelegen in het voortraject, omdat de leden niet voldoende in de gelegenheid zijn geweest om kritiek te uiten. Hier staat tegenover dat de NOvAA onweersproken heeft gesteld dat al vanaf 2002 in werkgroepen is nagedacht over vernieuwde gedragsregels en dat daarbij ook de leden zijn geïnformeerd. Dat het bestuur van de NOvAA daarbij de leden in onvoldoende mate heeft geïnformeerd is thans niet aannemelijk geworden. Het zou kunnen zijn dat verschillende leden zich pas in een laat stadium zijn gaan realiseren welke gevolgen de VGC voor hen heeft. Vooralsnog moet echter worden geconstateerd dat er voor een meerderheid van de leden op de vergadering van 11 december 2006 geen aanleiding is geweest om tegen de VGC te stemmen.

3.3. Daarnaast hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat de NOvAA bij de totstandkoming van de VGC onrechtmatig of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Dit geldt eveneens voor de door eisers gestelde strijd met wet- en regelgeving. De verordenende bevoegdheid die de ledenvergadering ingevolge artikel 21 van de Wet AA toekomt brengt niet zonder meer met zich dat de ledenvergadering terzake ook het recht van initiatief heeft. In de Regelen zou de ledenvergadering een dergelijk recht, evenals het in de Regelen vastgelegde recht van amendement, kunnen vastleggen. Gesteld noch gebleken is dat dit thans het geval is. Dat de VGC in strijd zou zijn met de Code of Ethics of de 8e Richtlijn of andere wet- of regelgeving is door de NOvAA betwist. Eisers hebben onvoldoende gesteld om in dit kort geding aan te nemen dat de VGC daarmee in strijd zou zijn.

Een en ander brengt met zich dat het gevorderde sub 1 niet voor toewijzing vatbaar is.

3.4. Toewijzing van het gevorderde sub 2 zou erop neer komen dat een deel van de Wet AA buiten werking gesteld zou worden en dat het bestuur van NOvAA bevoegdheden zou worden ontnomen. Hiervoor is geen enkele aanleiding. Dit deel van de vordering kan dan ook niet slagen.

3.5. Het gevorderde sub 3 ziet op facilitering van een door eisers genoemde groep van meer dan veertig leden van de NOVAA die van haar bevoegdheid ingevolge artikel 2 van de Verordening op de ledenvergadering gebruik wil maken om zelf een buitengewone vergadering bijeen te roepen. De NOvAA heeft er in haar verweer op gewezen dat eisers zich in hun discussie met het bestuur van de NOvAA op het standpunt hebben gesteld dat het noodzakelijk was om een (buitengewone) ledenvergadering bijeen te roepen, zodat de VGC op voorstel van eisers kon worden ingetrokken c.q. aangepast overeenkomstig hun wensen. Eisers hebben dit niet weersproken. De omstandigheid dat eisers de door hen beoogde buitengewone vergadering willen benutten om door middel van een recht van initiatief de VGC te willen wijzigen zonder een daartoe strekkend voorstel van het bestuur van de NOvAA, leidt ertoe dat het bestuur in dat licht gezien thans niet kan worden verplicht de gevraagde faciliteiten aan eisers te verstrekken. Hiervoor is van belang dat, zoals hiervoor onder 3.3. is overwogen, de betreffende regelgeving niet voorziet in een dergelijk recht van initiatief voor de leden van de NOvAA. Daar komt bij dat de NOvAA ter zitting heeft aangegeven dat als onderwerp op de aanstaande ledenvergadering van 11 juni 2007 discussies over de vastgestelde VGC gevoerd kunnen worden en dat daarvoor een afzonderlijke vergadering niet nodig is. Bovendien heeft de NOvAA ter zitting betoogd dat het bestuur vanzelfsprekend als regel zal willen meegaan in een verzoek tot het houden van een ledenvergadering, indien duidelijk is dat voor relevante besluitvorming een reguliere ledenvergadering niet kan worden afgewacht. Onder die omstandigheden wordt facilitering zoals door eisers gevraagd thans niet opportuun geacht en is ook dit deel van de vordering niet toewijsbaar.

3.6. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.067,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 251,-- aan griffierecht;

verklaart voornoemde procesveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 11 juni 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.