Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6771

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-06-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/4837 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder (UWV) heeft aan eiser meegedeeld dat hij geen recht heeft op een herziening van zijn WAO-uitkering (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering) omdat er geen sprake is van toename van de klachten voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak. In haar verweerschrift en ter zitting heeft verweerder de grondslag van het bestreden besluit gewijzigd door te stellen dat het in deze zaak primair gaat om een niet verzekerde beperking. Secundair heeft verweerder het standpunt ingenomen dat mocht de rechtbank stellen dat het wel gaat om een verzekerde beperking, dat geen sprake is van herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid. Beroep reeds hierom gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat de medische beperkingen die voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid betrokken moeten worden. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat voor zover de psychische klachten zouden leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid, op grond van artikel 37 van de WAO, herziening van de lopende uitkering wegens die toeneming achterwege blijft. De toeneming van de arbeidsongeschiktheid is immers voortgekomen uit een andere ziekteoorzaak, te weten psychische klachten, dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan de WAO-uitkering wordt ontvangen, is voortgekomen, te weten de rugklachten. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/4837 WAO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [gemeente A], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij geen recht heeft op een herziening van zijn uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) omdat er geen sprake is van toename van de klachten voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak.

Bij besluit van 1 mei 2006 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 9 juni 2006, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft enige stukken overgelegd. Verweerder heeft hierop gereageerd.

Het beroep is op 5 april 2007 ter zitting behandeld.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.M. Brouwer.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J. Latenstein

Motivering

Eiser heeft zich op 15 juni 1998 ziekgemeld wegens rugklachten. Per datum einde wachttijd ontvangt eiser een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Eiser heeft zich op 17 augustus 2005 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser weliswaar per 1 januari 2005 toegenomen arbeidsongeschikt is, maar dat dit het gevolg is van een andere ziekte oorzaak dan die op 15 november 2000 bestond. Een Amber beoordeling is niet van toepassing.

Eiser stelt zich op het standpunt dat wel sprake is van toename van klachten uit dezelfde ziekte oorzaak. De ziekte van zijn dochter heeft zijn rugklachten en psychische klachten doen verergeren.

In haar verweerschrift en ter zitting heeft verweerder de grondslag van het bestreden besluit gewijzigd door te stellen dat het in deze zaak primair gaat om een niet verzekerde beperking. Secundair heeft verweerder het standpunt ingenomen dat mocht de rechtbank stellen dat het wel gaat om een verzekerde beperking, dat geen sprake is van herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Reeds hierom is het beroep gegrond.

De rechtbank zal bezien of de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten.

Naar aanleiding van de melding van eiser dat hij zich toegenomen arbeidsongeschikt acht, is eiser op 26 september 2005 verschenen op het spreekuur van verzekeringsarts [arts 1]. Deze arts heeft geconcludeerd dat de ziekte van de dochter van eiser spanningsklachten veroorzaakt, het betreft hier echter een nieuwe klacht welke niet is gerelateerd aan de rugklachten. Omdat de spanningsklachten pas eind 2004 zijn ontstaan geldt een wachttijd van 2 jaar.

De reeds bestaande rugklachten van eiser kunnen zijn toegenomen wegens de recente spanningen, maar daarbij dient wel in aanmerking worden genomen dat de rugklachten van eiser nimmer zijn geobjectiveerd, er is geen onderliggende medische oorzaak aangetoond. Ook uit de verkregen informatie van de huisarts van 19 oktober 2005 blijkt niet dat de rugklachten zijn toegenomen of dat sprake is van verwijzing naar een neuroloog of orthopeadisch chirurg. Derhalve is niet aangetoond dat de rugklachten zijn toegenomen, de in 2004 opgestelde FML behoeft geen aanpassing.

Bezwaarverzekeringsarts [arts 2] concludeert in zijn rapportage van 6 maart 2006 dat de per 1 januari 2005 afgenomen psychische belastbaarheid een gevolg is van een andere ziekteoorzaak dan die waarvoor eiser in het verleden arbeidsongeschikt is verklaard. De bezwaarverzekeringsarts heeft een nieuwe FML opgesteld, rekening houdend met de afgenomen psychische belastbaarheid van eiser.

Eiser heeft voorts geen medische stukken in het geding gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen. Uit het huisartsenjournaal van 19 oktober 2005 volgt weliswaar dat eiser regelmatig is onderzocht wegens zijn rugklachten, maar dat nimmer afwijkingen zijn gevonden. De rugklachten zijn volgens de neuroloog tendo myogeen, wat niet meer betekent dan dat de rugklachten voortvloeien uit een verkeerde lichaamshouding.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de belastbaarheid van eiser juist is vastgesteld.

In artikel 37, eerste lid, van de WAO is bepaald dat ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid herziening van een arbeidsongeschiktheids-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, plaatsvindt zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde herziening niet plaatsvindt, indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b als werknemer wordt beschouwd en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, terzake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.

In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp van de WAO (Stb. 1966, 84, Kamerstukken 7171) is uiteengezet dat, anders dan bij de voorheen geldende Ongevallenwet, voor de WAO is gekozen voor een systeem van één uitkering, die bij toeneming of afneming van arbeidsongeschiktheid wordt verhoogd of verlaagd, zonder dat de oorzaak van de ongeschiktheid relevant is.

Een uitzondering op dit uitgangspunt is neergelegd in artikel 37 van de WAO. Dit artikel strekt ertoe dat, voor de in dat artikel aangegeven personen, het risico van ontstaan van een grotere mate van arbeidsongeschiktheid dan waarnaar de lopende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend, buiten het verzekerde risico valt in zoverre die toeneming is gelegen in een andere oorzaak, dan die welke tot toekenning van die uitkering heeft geleid. Hieruit volgt niet dat de medische beperkingen die kennelijk voortvloeien uit een andere ziekte-oorzaak in voormelde zin bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing dienen te blijven, doch slechts dat, indien die beoordeling tot het oordeel leidt dat de mate van arbeidsongeschiktheid is toegenomen, herziening van de lopende uitkering wegens die toeneming achterwege blijft.

In het geval van eiser heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat de medische beperkingen die voortvloeien uit een andere ziekte-oorzaak bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid betrokken moeten worden. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat voor zover de psychische klachten zouden leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid, op grond van artikel 37 van de WAO, herziening van de lopende uitkering wegens die toeneming achterwege blijft. De toeneming van de arbeidsongeschiktheid is immers voortgekomen uit een andere ziekte-oorzaak, te weten psychische klachten, dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan de WAO-uitkering wordt ontvangen, is voortgekomen, te weten de rugklachten.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten

Verweerder wordt in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend.

Aangezien ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 9 juni 2006;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 38,-, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, welk bedrag het UWV aan de griffier moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. S. Verheijen en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2007, in tegenwoordigheid van de griffier S.V. de Bart-van der Vegte.