Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6595

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/55034
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 3 EVRM / Centraal-Irak / alleenstaande vrouwen / contra-indicatie / Saleh Seekh / individualiseringsvereiste

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico loopt op een behandeling welke door artikel 3 van het EVRM wordt verboden. Met verweerder acht de rechtbank de gestelde vrees van eiseres voor een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling onvoldoende aannemelijk om te kunnen concluderen tot een reëel en voorzienbaar risico op een dergelijke behandeling. Er is in het onderhavige geval geen sprake van specifieke individuele kenmerken (special distinguishing features), waaruit een verhoogd risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De rechtbank volgt niet het betoog van eiseres met verwijzing naar de uitspraak van het EHRM van 11 januari 2007 in de zaak Saleh Seekh (JV 2007/30), dat zij behoort tot de sociale groep van alleenstaande vrouwen in Irak waarvan bekend is dat deze in een zeer kwetsbare positie verkeren en dat zij derhalve geen verdere special distinguishing features moet aantonen . Toegegeven moet worden dat uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van december 2006 volgt dat de algemene positie van (alleenstaande) vrouwen in Irak zorgwekkend is, maar een beroep op de algemene situatie kan vanwege het individualiseringsvereiste nimmer leiden tot een geslaagd beroep op artikel 3 van het EVRM. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres geen specifieke, op haar persoon betrekking hebbende omstandigheden heeft aangevoerd die haar geval onderscheiden van de van talloze andere Iraakse vrouwen die terugkeren naar Irak. De rechtbank is van oordeel dat, nog daargelaten dat eiseres de groep van (alleenstaande) vrouwen in Irak met onvoldoende special distinguishing features heeft onderbouwd in die zin dat de enkele hoedanigheid van vrouw in Irak geen reëel en voorzienbaar risico vormt op een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling, uit het ambtsbericht van december 2006 weliswaar volgt dat door de verslechterde veiligheidssituatie, strenge leefregels, dan wel conservatieve normen en waarden de deelname van vrouwen aan het publieke leven in het algemeen negatief hebben beïnvloed, maar dat deze kwetsbare en beknotte (rechts)positie van de vrouw in Irak als gevolg van de toenemende islamisering niet gelijk is te stellen met een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De Staatssecretaris van Justitie heeft bij brief van 2 april 2007 besloten om – gelet op de verdere verslechtering van de situatie in Centraal-Irak en de omslag van het beleid van een aantal omringende landen – over te gaan tot het instellen van het beleid van categoriale bescherming ten aanzien van asielzoekers, afkomstig uit Centraal-Irak. Ofschoon het categoriale beschermingsbeleid ten aanzien van Centraal-Irakezen nog niet daadwerkelijk tot stand is gekomen, zal dit beleid worden gevoerd voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak, behoudens de contra-indicaties die zijn vermeld in C1/5.13 van de Vc 2000. De brief van 2 april 2007 brengt met zich dat de grief van eiseres tegen het niet voeren van een categoriaal beschermingsbeleid slaagt en dat het bestreden besluit aldus onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en bijgevolg een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert aangaande het beroep van eiseres op artikel 29, aanhef en eerste lid, onder d, van de Vw 2000. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, zulks onder gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten, nu uitgesloten is dat een nieuw door verweerder te nemen besluit tot een voor eiseres gunstiger resultaat zal leiden. In het onderhavige geval is gebleken dat er ten aanzien van eiseres sprake is van een contra-indicatie. Verweerder heeft zich in casu in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de veroordeling van eiseres terzake van een misdrijf aanleiding is – hoewel zij in beginsel viel onder de categorie asielzoekers voor wie naar het oordeel van de Minister terugkeer in verband met de algemene situatie van bijzondere hardheid was – om aan eiseres de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 te onthouden vanwege de omstandigheid dat zij een gevaar voor de openbare orde vormt. Ter zitting is dit door eiseres ook niet weersproken.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/360
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/55034

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2007

inzake

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1974,

van Iraakse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. I.M. van Kuilenburg,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

te ‘s-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde mr. R.P.G. van Bel.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de Minister van Justitie.

Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 9 november 2006 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 23 mei 2007, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 17 oktober 2006 in rechte stand kan houden.

2. Ter onderbouwing van haar aanvraag en beroep heeft eiseres het volgende aangevoerd. Eiseres heeft Irak verlaten vanwege de oorlog en de onveilige situatie. De vader van eiseres is gedood en haar echtgenoot is verdwenen. Eiseres heeft gehoord dat zij activiteiten tegen Saddam Hussein hadden verricht. De oudste zoon van eiseres is aan kanker overleden en haar jongste zoon is haar afgenomen door haar schoonfamilie, omdat zij als alleenstaande vrouw niet voor hem zou kunnen zorgen. Eiseres verkeerde in een moeilijke situatie als alleenstaande vrouw, omdat zij geen opleiding heeft gehad en niet heeft gewerkt. Een zus van eiseres en mensen in de omgeving hebben eiseres bijgestaan in haar levensonderhoud. Na de verdwijning van haar echtgenoot zijn ten huize van eiseres twee huiszoekingen verricht door de autoriteiten. Zij is eind 2003 uit Irak vertrokken en is op 29 mei 2005 Nederland binnengekomen.

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid van artikel 31 van de Vw 2000.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 kan worden verleend in de in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde gevallen.

6. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), verder te noemen: het Verdrag, is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de vreemdeling, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

7. Voorop wordt gesteld dat de algemene situatie in Irak niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit Irak in het algemeen, en die behoren tot de Arabische bevolkingsgroep in het bijzonder, zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Hierbij wordt verwezen naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 april 2006 (DPV/AM 903812). Eiseres dient derhalve aannemelijk te maken dat er haar persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

8. In dat kader heeft eiseres verklaard dat zij naar Nederland is gekomen vanwege de oorlog in Irak. Namens eiseres is verder aangevoerd dat de algemene situatie in Irak slecht is en dat alleenstaande vrouwen in Irak kwetsbaar zijn. Zij vreest zichzelf in Irak niet te kunnen handhaven omdat zij geen enkele nuttige vaardigheid heeft. De rechtbank overweegt allereerst dat het beroep van eiseres op de algemene situatie (van alleenstaande vrouwen) in het land van herkomt op zich onvoldoende is voor een geslaagd beroep op vluchtelingenschap, nu zij hierbij geen persoonlijke feiten en omstandigheden, welke zien op haar persoon gerichte vervolging om de redenen zoals genoemd in het Vluchtelingenverdrag, heeft aangevoerd. Weliswaar heeft eiseres in dit verband verklaard dat, voor de inval van de Amerikanen in Irak in het voorjaar van 2003, een man die behoorde tot de autoriteiten heeft geprobeerd haar te verkrachten, maar zij heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat hier enige Verdragsrelevante grond in het geding is. Bovendien heeft eiseres in deze gebeurtenis geen aanleiding gezien om Irak te verlaten. Nu eiseres eerst meer dan een jaar later Irak verlaten, kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot vluchtelingschap leiden.

9. Voorts heeft eiseres noch in de dood van haar vader in 1992 en verdwijning van haar echtgenoot in 1997 omdat zij activiteiten tegen Saddam Hoessein hadden verricht, noch in de huiszoekingen welke een paar maanden na de verdwijning van haar echtgenoot hebben plaatsgevonden aanleiding gezien om Irak te verlaten. De dood van haar vader, de verdwijning van haar echtgenoot en de huiszoekingen leiden derhalve niet tot vluchtelingschap. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres heeft verklaard dat zij daarna vanwege haar echtgenoot geen problemen meer heeft ondervonden.

10. Verder heeft eiseres verklaard dat haar oudste zoon [betrokkene 1] aan kanker is overleden in 1993 en haar jongste zoon [betrokkenene 2] in 1999 is meegenomen door haar schoonfamilie. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gebeurtenissen niet te herleiden tot één van de gronden van het Verdrag en heeft eiseres bovendien hierin evenmin aanleiding gezien om Irak te verlaten.

11. De door eiseres naar voren gebrachte asielmotieven kunnen derhalve niet leiden tot een geslaagd beroep op vluchtelingschap.

12. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht tot de slotsom is gekomen dat de verklaringen van eiseres onvoldoende zwaarwegend zijn om tot vluchtelingschap te concluderen. Verweerder heeft zich aldus evenzeer terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

13. Ten aanzien van het beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt de rechtbank als volgt.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico loopt op een behandeling welke door artikel 3 van het EVRM wordt verboden. Uit het asielrelaas van eiseres – bezien tegen de achtergrond van de politieke en maatschappelijke situatie in Irak – kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een reëel en voorzienbaar risico dat juist zij bij terugkeer naar Irak zal worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Met verweerder acht de rechtbank de gestelde vrees van eiseres voor een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling onvoldoende aannemelijk om te kunnen concluderen tot een reëel en voorzienbaar risico op een dergelijke behandeling. Immers, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer in Irak om enigerlei reden de bijzondere aandacht van de Iraakse autoriteiten heeft te verwachten. Er is in het onderhavige geval geen sprake van specifieke individuele kenmerken (special distinguishing features), waaruit een verhoogd risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid van schending is onvoldoende.

15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres ter onderbouwing van haar aanvraag geen daadwerkelijk concrete redenen heeft aangevoerd, gelegen in haar persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden, die de conclusie rechtvaardigen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan foltering, aan onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

16. Mitsdien heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

17. Verder overweegt de rechtbank ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel van eiseres met de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 11 januari 2007 in de zaak Saleh Seekh (JV 2007/30), omdat zij behoort tot de sociale groep van alleenstaande vrouwen in Irak waarvan bekend is dat deze in een zeer kwetsbare positie verkeren en dat zij derhalve geen verdere special distinguishing features moet aantonen, als volgt.

18. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) heeft bij uitspraak van 13 april 2005 (200410104/1, JV 2005/211) overwogen dat ook indien vreemdelingen tot een kwetsbare groep behoren, het aan de vreemdelingen is om specifiek hun persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. Voorts heeft de ABRS zich bij herhaling op het standpunt gesteld dat het enkel behoren tot een risicogroep nog niet een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert en dat de enkele mogelijkheid van schending onvoldoende is. Ook een lid van een risicogroep zal steeds aannemelijk moet maken dat juist hij een extra groot risico loopt (meer nog dan de andere groepsleden) op een behandeling welke door artikel 3 van het EVRM wordt verboden, wil hij voor bescherming op grond van die bepaling in aanmerking komen. Dit vloeit voort uit het zogenaamde individualiseringsvereiste. Uit latere jurisprudentie van het EHRM blijkt niet dat dit individualiseringsvereiste is verlaten, maar dat daarnaast betekenis toekomt aan de algemene mensenrechtensituatie in het land van herkomst waaraan het individuele asielrelaas wordt gerelateerd. Uit de uitspraak van het EHRM van 5 juli 2005 in de zaak Saïd (JV 2005/304) blijkt evenmin dat het individualiseringsvereiste volledig wordt losgelaten, maar dat nadrukkelijk wordt gesteld dat het individualiseringsvereiste niet onverkort kan worden tegengeworpen. Verder volgt uit de uitspraak van het EHRM van 11 januari 2007 in de zaak Saleh Seekh dat het behoren tot een aanwijsbare risicogroep sneller tot de conclusie kan leiden dat bij terugkeer een schending van artikel 3 van het EVRM dreigt. Het EHRM verlaat hiermee niet het vereiste dat er sprake dient te zijn van een geïndividualiseerd reëel risico op een schending van artikel 3 van het EVRM, maar verwerpt in een dergelijk geval de stelling dat asielzoekers daar bovenop dan nog meer specifiek hen betreffende kenmerken – further special distinguishing features – aannemelijk moeten maken om een succesvol beroep op artikel 3 EVRM te kunnen doen.

19. Toegegeven dient te worden aan de gemachtigde van eiseres dat uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van december 2006, kenbaar gemaakt op 11 januari 2007, volgt dat de algemene positie van (alleenstaande) vrouwen in Irak zorgwekkend is, maar een beroep op de algemene situatie kan vanwege het individualiseringsvereiste nimmer leiden tot een geslaagd beroep op artikel 3 van het EVRM. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres geen specifieke, op haar persoon betrekking hebbende omstandigheden heeft aangevoerd die haar geval onderscheiden van de van talloze andere Iraakse vrouwen die terugkeren naar Irak. Verder is de rechtbank van oordeel dat, nog daargelaten dat eiseres de groep van (alleenstaande) vrouwen in Irak met onvoldoende special distinguishing features heeft onderbouwd in die zin dat de enkele hoedanigheid van vrouw in Irak geen reëel en voorzienbaar risico vormt op een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling, uit het ambtsbericht van december 2006 weliswaar volgt dat door de verslechterde veiligheidssituatie, strenge leefregels, dan wel conservatieve normen en waarden de deelname van vrouwen aan het publieke leven in het algemeen negatief hebben beïnvloed, maar dat deze kwetsbare en beknotte (rechts)positie van de vrouw in Irak als gevolg van de toenemende islamisering niet gelijk is te stellen met een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

20. Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 15, onder c, van de Definitierichtlijn 2004/83/EG (hierna: DRI) overweegt de rechtbank het volgende.

21. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit dateert van na 10 oktober 2006. Op die datum is de implementatietermijn voor de Definitierichtlijn verstreken, zodat, voor zover bepalingen van die richtlijn niet of gebrekkig zijn geïmplementeerd in het Nederlandse recht, eiseres een beroep toekomt op rechtstreeks werkende bepalingen.

22. Ingevolge artikel 15 van de DRI bestaat ernstige schade uit:

a) doodstraf of executie; of

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

23. De rechtbank stelt vast dat eiseres ter zitting – anders dan tot dan toe – zich op het standpunt heeft gesteld dat artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn niet ziet op het nationale categoriale beschermingsbeleid. De rechtbank vat het standpunt van eiseres aldus op dat artikel 15, onder c, van de DRI een aparte verblijfstitel genereert, te weten in die gevallen dat sprake is van ernstige schade die bestaat uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, waarbij geen sprake hoeft te zijn van special distinguishing features als bedoeld in artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

24. Uit de uitspraak van de Meervoudige Kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s Hertogenbosch, van 12 april 2007 (AWB 06/54347) volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het neergelegde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 inhoudelijk slechts voor een deel overeenkomt met het bepaalde in artikel 15 van de DRI. De omschrijving van de risico’s van onderdelen a, b en c van dit artikel is niet gelijk aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

25. Voorts is de rechtbank van oordeel dat artikel 15, onder c, van de DRI niet is geïmplementeerd, nu het in dit onderdeel omschreven risico niet is terug te vinden in een algemeen verbindend voorschrift. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de Raad van State in zijn advies op het wetsvoorstel tot implementatie van de Definitierichtlijn (Tweede Kamer, 2006 2007, 30 925, nr. 3) de regering heeft geadviseerd onder meer onderdeel c van artikel 15 van de DRI in de Vw 2000 op te nemen.

26. Gelet op het vorenstaande en op het feit dat artikel 15, onder c, van de DRI voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is geformuleerd, is de rechtbank van oordeel dat eiseres hierop een beroep kan doen.

27. Verweerder heeft niet bestreden dat eiseres een rechtstreeks beroep kan doen op artikel 15, onder c, van de DRI en zich op het standpunt gesteld dat uit deze bepaling volgt dat er sprake moet zijn van een ernstige en individuele bedreiging. Verweerder heeft vervolgens ook gewezen op overweging 26 in de preambule van de DRI waarin is neergelegd dat gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt. Hieruit volgt, aldus verweerder, dat eiseres aannemelijk moet maken dat er in haar individuele geval sprake is van een ernstige bedreiging van het leven of de persoon. Eiseres is er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat in haar individuele geval sprake is van een reëel risico op het lijden van ernstige individuele schade.

28. Naar de mening van verweerder geeft de DRI een invulling van het verbod van refoulement zoals dat in diverse internationale verdragen als bindend voor de lidstaten is neergelegd. Immers, artikel 15, onder c, van de DRI juncto artikel 2, onder e, van de DRI beoogt niet meer (en niet minder) te zijn dan een invulling van artikel van het 3 EVRM zoals deze volgt uit de rechtspraak van het EHRM. Er is beoogd de bestaande rechtspraak van het EHRM ten aanzien van artikel 3 van het EVRM te codificeren. Daarmee wordt volgens verweerder artikel 15, onder c, van de DRI bestreken door het huidige artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Op zichzelf is implementatie van dit onderdeel van de DRI om uitsluitend inhoudelijke redenen daarom in feite niet nodig, aldus verweerder.

29. De rechtbank kan de zienswijze van verweerder niet onderschrijven. Op zich is het juist dat ingevolge artikel 15, onder c, van de DRI voor een geslaagd beroep op subsidiaire bescherming sprake moet zijn van ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar overweging 26 in de preambule van de DRI, waarin is neergelegd dat gevaren waaraan (een deel van) de bevolking van een land in het algemeen is blootgesteld normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt. Met deze overweging wordt echter slechts aangegeven dat de DRI geen categoriale bescherming beoogt te beiden zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

30. Daarmee is evenwel nog niet gezegd hoe het individuele bedreiging-criterium dient te worden opgevat. Verweerder heeft aangegeven dat er in het individuele geval van eiseres sprake moet zijn van een reëel risico op het lijden van ernstige individuele schade. Overeenkomstig verweerders eerder aangegeven standpunt, inhoudende dat het in artikel 15, onder c, van de DRI geschetste ernstige schade geacht moet worden te zijn begrepen in het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, begrijpt de rechtbank verweerders opvatting aldus dat ten aanzien van artikel 15, onder c, van de DRI sprake dient te zijn van hetzelfde real risk criterium dat gehanteerd wordt bij de toepassing van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

31. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat verweerders opvatting miskent dat de in artikel 15, onder c, van de DRI aangegeven schade het gevolg is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands conflict. De rechtbank is van oordeel dat de verwijzing naar het willekeurig geweld criterium gevolgen heeft voor de wijze waarop het individuele bedreiging-criterium moet worden opgevat. Voor de aanwezigheid van de individuele bedreiging is niet noodzakelijk dat die bedreiging slechts de betrokken vreemdeling zelf betreft of, indien de vreemdeling tot een risicogroep behoort, dat de bedreiging in het bijzonder ten aanzien van de betrokken vreemdeling geldt. Voldoende is dat in een situatie van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict de betrokken vreemdeling tot een groep burgers behoort die op grond van (een combinatie van) specifieke kenmerken een zodanig bijzonder risicoprofiel heeft dat reëel te verwachten valt dat leden van die groep burgers het slachtoffer worden van willekeurig geweld. Het criterium willekeurig duidt er daarbij op dat het behoren tot een dergelijke groep burgers met een bijzonder risicoprofiel voldoende is en dat niet vereist is dat de betrokken vreemdeling binnen die groep nog eens een extra of aanvullend individueel risico aannemelijk maakt. Het gaat er om dat het geweld leden van de groep burgers zal treffen zonder aanzien des persoons binnen de groep.

32. Het vorenstaande laat onverlet dat het genoemde bijzondere risicoprofiel aan de hand van concrete en verifieerbare feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt zal moeten worden. Eiseres is daar, naar het oordeel van de rechtbank, in het onderhavige geval niet in geslaagd. Weliswaar heeft eiseres met de door haar in beroep overgelegde stukken aangetoond dat in Irak sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij tot een groep burgers behoort (alleenstaande vrouwen) die op grond van (een combinatie van) specifieke kenmerken een zodanig bijzonder risicoprofiel heeft dat reëel te verwachten valt dat leden van die groep burgers het slachtoffer worden van willekeurig geweld. De toenemende achterstelling van vrouwen door conservatie normen en waarden als gevolg van de toenemende islamisering in Irak valt naar het oordeel van de rechtbank niet te kwalificeren als willekeurig geweld in een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning op grond van artikel 15, onder c, van de DRI.

33. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van het vertrek van eiseres uit het land van herkomst, op grond waarvan verweerder een verblijfsvergunning in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden. Zo heeft verweerder overwogen dat er in het onderhavige geval geen sprake is van feiten en omstandigheden die verband houden met bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, zoals neergelegd in hoofdstuk C1/4.4.2.4 van de Vc 2000, die maken dat van haar in redelijkheid niet kan worden verwacht terug te keren naar Irak. Eiseres heeft aangevoerd dat zij een alleenstaande psychisch kwetsbare vrouw is. Verder weet zij niet waar haar moeder en zus zijn en heeft zij een zogeheten tracing opgestart bij het Rode Kruis teneinde hun verblijfplaats te achterhalen. Echter, naar de mening van verweerder heeft eiseres niet middels concrete feiten en omstandigheden onderbouwd dat zij niet op de hoogte is van de verblijfplaats van haar moeder en zus. Daarnaast acht verweerder van belang dat uit de brief van [een psychiater i.o.] van 25 september 2006 blijkt dat eiseres weinig contact heeft met haar familie. Volgens verweerder impliceert dit dat er wel contact is met haar familie. Derhalve heeft eiseres niet aangetoond dat zij geen familie heeft die haar kan opvangen. De omstandigheid dat eiseres een psychische kwetsbare vrouw is die nooit voor zichzelf heeft gezorgd doet daar niet aan af, aldus verweerder. Bovendien blijkt uit voornoemde brief van [een psychiater i.o.] aangaande de behandeling van eiseres dat de depressie medicamenteus wordt behandeld, gecombineerd met steunende gesprekken en dat de klachten voor een deel zijn opgeklaard in de loop van de afgelopen maanden.

34. Mitsdien is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat eiseres niet in aanmerking komt, of had behoren te komen, voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich in Irak niet staande zal kunnen houden.

35. Ten aanzien van het beroep van eiseres op een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 overweegt de rechtbank dat deze verblijfsvergunning kan worden verleend aan degene voor wie terugkeer naar het land van herkomst van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

36. De rechtbank stelt in dit kader allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres afkomstig is uit Centraal-Irak en overweegt voorts als volgt.

37. Verweerder heeft bij brief van 20 januari 2006 de voorzitter van de Tweede Kamer bericht dat het Kabinet heeft besloten het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak te beëindigen. Op grond van de informatie uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 december 2005 inzake Irak acht verweerder de terugkeer van afgewezen asielzoekers naar Centraal-Irak niet langer van bijzondere hardheid. In het Nederlandse asielbeleid geldt als uitgangspunt dat categoriale bescherming een complementaire rol vervult. De beoordeling van een asielaanvraag geschiedt in Nederland eerst en vooral op basis van internationale verplichtingen die voorvloeien uit het EVRM. De non refoulementsverboden zijn daarmee geborgd. Verweerder heeft daarom een beleids¬- en beoordelingsvrijheid aangaande het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. Daarbij is door verweerder aangegeven dat veel waarde wordt gehecht aan het beleid van andere Europese landen. Nu andere Europese landen, zoals België, Denemarken, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland, geen speciaal groepsgebonden beleid voor asielzoekers van Iraakse nationaliteit voeren, heeft verweerder het geheel overziend besloten het categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal Irak te beëindigen. De Tweede Kamer heeft ingestemd met deze beleidswijziging. Daarnaast is dit beleid gesanctioneerd door de ABRS bij uitspraak van 3 juli 2006 (200602864/1, JV 2006/326) en laatstelijk bij uitspraak van de ABRS van 22 november 2006 (200607561/1).

38. Geconstateerd moet worden dat de door eiseres overgelegde rapporten van de UNHCR van 18 december 2006 en VWN van december 2006 dateren van ná het bestreden besluit en dat de daarin beschreven feiten en omstandigheden bovendien relevant kunnen zijn voor het thans voorliggende besluit omtrent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ingevolge het bepaalde in artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. Van strijd met de goede procesorde dan wel ontoelaatbare vertraging is de rechtbank niet gebleken, zodat de rechtbank de inhoud van deze stukken bij de beoordeling zal betrekken. Eveneens wordt het rapport van CSIS van 4 oktober 2006, daterend van voor het bestreden besluit, bij de beoordeling betrokken.

39. Door de gemachtigde van eiseres is voorts in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 gewezen op de motie De Wit van 20 december 2006. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de motie op zich geen novum in de zin van artikel 83 van de Vw 2000 betreft, nu dit enkel het verzoek van de Tweede Kamer betreft om over te gaan tot een categoriaal beschermingsbeleid van asielzoekers uit Centraal- en Zuid-Irak. Echter, de aan de motie ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aangaande de steeds verslechterende situatie in Irak op basis van de in de motie aangehaalde bronnen zijn wel degelijk nova in de zin van artikel 83 van de Vw 2000.

40. Verder heeft de Staatssecretaris van Justitie bij brief van 2 april 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 19 637, nr. 1137) de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal geïnformeerd over de beleidsontwikkeling op het gebied van het landgebonden asielbeleid inzake Irak. Daarbij heeft de Staatssecretaris van Justitie besloten om – gelet op de verdere verslechtering van de situatie in Centraal-Irak en de omslag van het beleid van een aantal omringende landen – over te gaan tot het instellen van het beleid van categoriale bescherming ten aanzien van asielzoekers, afkomstig uit Centraal-Irak. Ofschoon het categoriale beschermingsbeleid ten aanzien van Centraal-Irakezen nog niet daadwerkelijk tot stand is gekomen, zal dit beleid worden gevoerd voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak, behoudens de contra-indicaties die zijn vermeld in hoofdstuk C1/5.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

41. Eiseres valt in beginsel aldus onder de categorie asielzoekers voor wie naar het oordeel van de Minister terugkeer in verband met de algemene situatie van bijzondere hardheid was.

42. De brief van 2 april 2007 brengt met zich mee dat de grief van eiseres tegen het niet voeren van een categoriaal beschermingsbeleid slaagt en dat het bestreden besluit aldus onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en bijgevolg een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert aangaande het beroep van eiseres op artikel 29, aanhef en eerste lid, onder d, van de Vw 2000. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, zulks onder gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten, nu uitgesloten is dat een nieuw door verweerder te nemen besluit tot een voor eiseres gunstiger resultaat zal leiden. Daartoe overweegt zij als volgt.

43. In het onderhavige geval is gebleken dat er ten aanzien van eiseres sprake is van een contra-indicatie. De rechtbank stelt vast dat uit een uittreksel van het Justitieel Documentatieregister van 3 mei 2007 blijkt dat eiseres bij uitspraak van de politierechter te Zwolle van 29 januari 2007 vanwege het plegen van winkeldiefstal en schuldheling op 3 oktober 2006, is veroordeeld tot € 366,00 geldboete subsidiair zeven dagen hechtenis. Dit vonnis is op 13 februari 2007 onherroepelijk geworden.

44. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in casu in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat voornoemde veroordeling van eiseres terzake van een misdrijf aanleiding is – hoewel zij in beginsel viel onder de categorie asielzoekers voor wie naar het oordeel van de Minister terugkeer in verband met de algemene situatie van bijzondere hardheid was – om aan eiseres de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 te onthouden vanwege de omstandigheid dat zij een gevaar voor de openbare orde vormt. Ter zitting is dit door de gemachtigde van eiseres ook niet weersproken. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet leidt tot strijd met enige verdragsverplichting.

45. Gezien het voorgaande komt eiseres niet in aanmerking voor toelating op één van de in artikel 29 Vw 2000 genoemde gronden.

46. Ook uit dien hoofde is mitsdien niet aannemelijk te achten dat een door verweerder nieuw te nemen besluit in rechte geen stand zal kunnen houden.

47. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

48. Aangezien ten behoeve van eiseres geen toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan eiseres.

49. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter in tegenwoordigheid van mr. B.J. Groothedde als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2007.