Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6160

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
Awb 07/13879 en Awb 07/13878
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublinclaim / Griekenland / interstatelijk vertrouwensbeginsel / non-refoulement / infringementprocedure

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder in de bestreden beschikking ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de door de Europese Commissie (hierna: EC) gestarte infringementprocedure op grond van artikel 226 EG-Verdrag betreffende de wijze waarop Griekenland uitvoering geeft aan zijn verplichtingen op grond van Vo 343/2003. Verzoeker heeft in verband hiermee een – ongedateerde – brief van de EC overgelegd, ontvangen door de gemachtigde van verzoeker op 17 november 2006, waarin ondermeer het volgende staat: “I would like to inform you that the attention of the European Commission has been drawn to certain issues regarding the compatibility of the Greek legislation and practice with the Dublin Regulation and that these issues are currently under examination by the competent Commission services.”

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In zijn algemeenheid mag ervan worden uitgegaan dat de lidstaten het beginsel van non-refoulement eerbiedigen. Het is aan de vreemdeling om op grond van concrete, op de individuele zaak betrokken feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat dit in dit geval wat betreft Griekenland anders is. Evenals in de door verzoeker genoemde uitspraken in de zaken met nummer (Awb 07/2757 en 07/2755) en (Awb 07/6024 en 07/6023) kent de voorzieningenrechter daarbij gewicht toe aan het rapport van UNHCR inzake de Griekse asielprocedure van november 2004. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat de EC aanleiding heeft gevonden onderzoek te doen naar de mate waarin de Griekse autoriteiten uitvoering geven aan hun verplichtingen uit hoofde van Vo 343/2003. Uit de door verzoeker overgelegde brief van de EC blijkt weliswaar niet zonder meer dat sprake is van een formele infringement procedure. Uit de brief van de EC blijkt evenwel in voldoende mate dat bij de EC zorgen bestaan omtrent de verenigbaarheid van de Griekse wetgeving en praktijk met Vo 343/2003. Hetgeen blijkt uit de informatie van UNHCR en de uitlatingen van de EC heeft betrekking op allen die in Griekenland een asielverzoek indienen. Weliswaar is het risico op een slechte behandeling mogelijk groter voor asielzoekers die op eigen gelegenheid Griekenland binnenreizen dan voor asielzoekers die in het kader van Vo 343/2003 worden overgedragen. De uitlatingen van de EC betreffen juist alleen asielzoekers die worden overgedragen en de informatie van UNHCR beperkt zich zeker niet tot asielzoekers die op eigen gelegenheid Griekenland binnenkomen. De stelling van verweerder dat het te ver zou voeren uit de vooral cijfermatige informatie van UNHCR af te leiden dat de Griekse asielprocedure met onvoldoende waarbogen is omkleed volgt de voorzieningenrechter niet, nu UNHCR zelf deze conclusie wel trekt en daar niet alleen cijfermatige informatie maar ook andere gegevens aan ten grondslag legt. Dat de uitkomst van een infringementprocedure slechts betekenis zou hebben voor een in het verleden bestaande situatie volgt de voorzieningenrechter evenmin. Uit de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 7 februari 1973, zaaknummer 39/72, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden afgeleid dat een inbreukprocedure in het algemeen slechts wordt voortgezet indien de situatie van inbreuk voortduurt. Zolang de inbreukprocedure niet is beëindigd mag verweerder derhalve niet zonder meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel met betrekking tot de naleving door Griekenland van de refoulementverboden. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel omtrent de mate waarin Griekenland zijn verplichtingen op grond van de mensenrechtenverdragen naleeft, zodat verweerder niet zonder meer heeft kunnen volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ter onderbouwing van de stelling dat Griekenland het beginsel van non-refoulement eerbiedigt. Hetgeen door verzoeker is aangevoerd had voor verweerder aanleiding moeten zijn tot nader onderzoek. Dat de feiten die verzoeker naar voren heeft gebracht niet op hem persoonlijk betrekking hebben maar relevant zijn voor alle asielzoekers in Griekenland doet hieraan niet af, nu uit deze feiten moet worden afgeleid dat voor alle asielzoekers in Griekenland geldt dat onzeker is of de asielprocedure voor hen voldoende bescherming biedt tegen uitzetting in strijd met de relevante verdragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector bestuursrecht

voorzieningenrechter

regnr.: Awb 07/13879 (voorlopige voorziening) Awb 07/13878 (beroep)

UITSPRAAK

inzake: [verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1983,

van Iraakse nationaliteit,

IND dossiernummer 0610.08.0001,

gemachtigde: mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam,

verzoeker;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. D. Schuldink, ambtenaar ten departemente, verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 7 oktober 2006 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 28 maart 2007 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

1.2 Bij brief van 29 maart 2007 is daartegen beroep ingesteld. Verzoeker mag de behandeling van het beroep niet in Nederland afwachten. Bij verzoekschrift van 29 maart 2007 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in beroep is beslist.

1.3 Het verzoek is ter zitting van 1 mei 2007 behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Overwegingen

2.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat voldaan wordt aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoeker in afwachting van de beslissing op beroep moet worden verboden.

2.2 Op 17 maart 2003 is de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 343/2003) in werking getreden. Vo 343/2003 is van toepassing op asielverzoeken die zijn ingediend vanaf 1 september 2003.

2.3 Ingevolge artikel 30, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

2.4 Griekenland heeft op 8 december 2006 het overnameverzoek op grond van artikel 18, zevende lid, juncto artikel 10, eerste lid, Vo 343/2003 aanvaard.

2.5 Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder er ten onrechte van uit gaat dat sprake is van overname van zijn asielverzoek door de Griekse autoriteiten. Hij stelt in Griekenland een asielverzoek te hebben ingediend, zodat sprake is van terugname in de zin van artikel 16, eerste lid onder c Vo 343/2003.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker tijdens het eerste gehoor van 25 oktober 2006 heeft verklaard geen asielverzoek te hebben gedaan in Griekenland en dat hij in het gehoor dublinclaim van 26 oktober 2006 heeft verklaard dat hij zich wel heeft gemeld bij de Griekse autoriteiten, maar niet om asiel heeft verzocht. Ter zitting heeft verzoeker nader toegelicht dat hij zich tot de Griekse autoriteiten heeft gewend om een asielverzoek in te dienen en dat hem door deze autoriteiten een document is verstrekt. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat verzoeker in Griekenland geen formeel asielverzoek heeft ingediend, zodat thans sprake is van overname in de zin van artikel 18 van Vo 343/2003.

Verweerder heeft als bijlage 1 en 2 bij het bijgesteld voornemen van 2 maart 2007 overgelegd de “note of the Greek delegation” van 13 november 2006 en de brief van het Griekse Ministry of Public Order van 18 januari 2007, waarin de Griekse autoriteiten toezeggen asielprocedures van personen die op grond van Vo 343/2003 door Griekenland worden teruggenomen, volledig inhoudelijk te behandelen, ook indien de behandeling is gestaakt op grond van de bepalingen in de Griekse regelgeving omtrent onderbreking van asielprocedures. Nu van verzoeker in Griekenland nog geen asielverzoek in behandeling is, zijn deze stukken voor de beoordeling van de zaak niet relevant.

2.6 Artikel 3, tweede lid, Vo 343/2003 geeft verweerder het recht om, in afwijking van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, juncto de artikelen 5 tot en met 14, Vo 343/2003 het asielverzoek te behandelen.

2.7 Verzoeker stelt dat verweerder zich er ten onrechte niet van heeft vergewist of in concreto op grond van het ingeroepen interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden aangenomen dat de Griekse autoriteiten hun verplichtingen op grond van artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) alsmede het Vluchtelingenverdrag (hierna: Vlv) naleven. Artikel 13 EVRM vereist volgens verzoeker opschorting van de uitzetting, totdat een daadwerkelijk garantie van Griekenland is verkregen.

Verzoeker verwijst daartoe naar de uitspraken van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 19 maart 2007 (Awb 07/2757 en 07/2755) en 28 maart 2007 (Awb 07/6024 en 07/6023).

Voorts meent verzoeker dat verweerder in de bestreden beschikking ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de door de Europese Commissie (hierna: EC) gestarte infringementprocedure op grond van artikel 226 EG-Verdrag betreffende de wijze waarop Griekenland uitvoering geeft aan zijn verplichtingen op grond van Vo 343/2003. Uit het feit dat een infringementprocedure is opgestart moet volgens verzoeker worden afgeleid dat Griekenland niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van het Vlv en het EVRM voldoet.

Verzoeker heeft in verband hiermee een – ongedateerde – brief van de EC overgelegd, ontvangen door de gemachtigde van verzoeker op 17 november 2006, waarin ondermeer het volgende staat:

“I would like to inform you that the attention of the European Commission has been drawn to certain issues regarding the compatibility of the Greek legislation and practice with the Dublin Regulation and that these issues are currently under examination by the competent Commission services.”

2.8 Verweerder stelt zich op het standpunt dat in casu uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat verzoeker geen concrete, op zijn persoon betrekking hebbende omstandigheden heeft aangevoerd, maar enkel een beroep doet op algemene stukken. Over de door verzoeker ingeroepen uitspraken van deze rechtbank merkt verweerder op dat hierin groot gewicht is toegekend aan statistische informatie, afkomstig van UNHCR omtrent inwilliging van asielverzoeken door de Griekse autoriteiten en dat deze informatie volgens verweerder onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat verzoeker in Griekenland onvoldoende beschermd zal zijn tegen refoulement. Voorts is volgens verweerder niet gebleken dat een formele infringementprocedure wordt gevoerd door de EC. Zelfs indien daar wel van zou moeten worden uitgegaan kan deze procedure geen gevolgen hebben voor de beoordeling van de onderhavige zaak, nu het oordeel van de EC in een infringementprocedure uitsluitend betrekking kan hebben op de situatie (in het verleden) die aanleiding is geweest voor het starten van de infringementprocedure en dus geen betekenis heeft voor de vraag of verzoeker in de toekomst in Griekenland voldoende bescherming zal vinden.

2.9 De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In zijn algemeenheid mag ervan worden uitgegaan dat de lidstaten het beginsel van non-refoulement eerbiedigen. Het is aan de vreemdeling om op grond van concrete, op de individuele zaak betrokken feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat dit in dit geval wat betreft Griekenland anders is.

Evenals in de door verzoeker genoemde uitspraken in de zaken met nummer (Awb 07/2757 en 07/2755) en (Awb 07/6024 en 07/6023) kent de voorzieningenrechter daarbij gewicht toe aan het

rapport van UNHCR inzake de Griekse asielprocedure van november 2004 waaruit blijkt, zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang:

?in 2002 werd in Griekenland 0,3 % van alle asielzoekers als verdragsvluchteling erkend; in totaal werd van alle aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning 1,0 % ingewilligd (inclusief erkenning als verdragsvluchteling en verlening van verblijfsvergunningen om humanitaire redenen); In alle lidstaten van de Europese Gemeenschap gezamenlijk bedroegen die percentages in 2001 onderscheidenlijk 11,2 en 22,4 %;

?in 2003 werd in Griekenland 0,06 % van alle asielzoekers als verdragsvluchteling erkend; in totaal werd van alle aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning 0,6 % ingewilligd (inclusief erkenning als verdragsvluchteling en verlening van verblijfsvergunningen om humanitaire redenen); In alle lidstaten van de Europese Gemeenschap gezamenlijk bedroeg het percentage ingewilligde aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning (inclusief erkenning als verdragvluchteling en verlening van een verblijfsvergunning om humanitaire redenen) in 2003 21 %;

?in de eerste zes maanden van 2004 werd in Griekenland 0,3 % van alle asielzoekers als verdragsvluchteling erkend; in totaal werd van alle aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning 1,07 % ingewilligd (inclusief erkenning als verdragsvluchteling en verlening van verblijfsvergunningen om humanitaire redenen).

In die paragraaf is voorts vermeld:

“These results are to a large extent due to the fact that all decisions taken by the Ministry of Public Order at first instance are negative, whereas in the second instance positive recommendations made by the refugee appeals board are often not followed by the Minister. Furthermore, persons who according to international principles as well as the Greek national law (Presidential Decree no. 61/99) should be granted complementary protection (humanitarians status), such as persons who would be at serious risk of torture, inhuman or degrading treatment or generalised violence in a conflict situation, are generally denied this protection”

Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat de EC aanleiding heeft gevonden onderzoek te doen naar de mate waarin de Griekse autoriteiten uitvoering geven aan hun verplichtingen uit hoofde van Vo 343/2003. Uit de door verzoeker overgelegde brief van de EC blijkt weliswaar niet zonder meer dat sprake is van een formele infringement procedure. Uit de brief van de EC blijkt evenwel in voldoende mate dat bij de EC zorgen bestaan omtrent de verenigbaarheid van de Griekse wetgeving en praktijk met Vo 343/2003.

Hetgeen blijkt uit de informatie van UNHCR en de uitlatingen van de EC heeft betrekking op allen die in Griekenland een asielverzoek indienen. Weliswaar is het risico op een slechte behandeling mogelijk groter voor asielzoekers die op eigen gelegenheid Griekenland binnenreizen dan voor asielzoekers die in het kader van Vo 343/2003 worden overgedragen. De uitlatingen van de EC betreffen juist alleen asielzoekers die worden overgedragen en de informatie van UNHCR beperkt zich zeker niet tot asielzoekers die op eigen gelegenheid Griekenland binnenkomen.

De stelling van verweerder dat het te ver zou voeren uit de vooral cijfermatige informatie van UNHCR af te leiden dat de Griekse asielprocedure met onvoldoende waarbogen is omkleed volgt de voorzieningenrechter niet, nu UNHCR zelf deze conclusie wel trekt en daar niet alleen cijfermatige informatie maar ook andere gegevens aan ten grondslag legt.

Dat de uitkomst van een infringementprocedure slechts betekenis zou hebben voor een in het verleden bestaande situatie volgt de voorzieningenrechter evenmin. Uit de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 7 februari 1973, zaaknummer 39/72, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden afgeleid dat een inbreukprocedure in het algemeen slechts wordt voortgezet indien de situatie van inbreuk voortduurt. Zolang de inbreukprocedure niet is beëindigd mag verweerder derhalve niet zonder meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel met betrekking tot de naleving door Griekenland van de refoulementverboden.

Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel omtrent de mate waarin Griekenland zijn verplichtingen op grond van de mensenrechtenverdragen naleeft, zodat verweerder niet zonder meer heeft kunnen volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ter onderbouwing van de stelling dat Griekenland het beginsel van non-refoulement eerbiedigt. Hetgeen door verzoeker is aangevoerd had voor verweerder aanleiding moeten zijn tot nader onderzoek. Dat de feiten die verzoeker naar voren heeft gebracht niet op hem persoonlijk betrekking hebben maar relevant zijn voor alle asielzoekers in Griekenland doet hieraan niet af, nu uit deze feiten moet worden afgeleid dat voor alle asielzoekers in Griekenland geldt dat onzeker is of de asielprocedure voor hen voldoende bescherming biedt tegen uitzetting in strijd met de relevante verdragen.

2.11 Gelet op het vorenstaande is de bestreden beschikking in strijd met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en ontbeert deze een draagkrachtige motivering. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden, verklaart de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:86 Awb, het beroep gegrond en wordt de bestreden beschikking vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb.

2.12 Hetgeen verzoeker voor het overige heeft aangevoerd, behoeft, gelet op de gegrondverklaring van het beroep, geen nadere bespreking.

2.13 Het verzoek om voorlopige voorziening wordt, gelet op de gegrondverklaring van het beroep, afgewezen.

2.14 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op de samenhang tussen de zaken worden op grond van artikel 3 Besluit proceskosten bestuursrecht deze kosten vastgesteld op € 966,- (te weten: 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het beroepschrift).

3 BESLISSING

De voorzieningenrechter

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 966,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker dient te vergoeden;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Steendijk en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K.S. Smits als griffier op

Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: