Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6132

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 19505
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding / onrechtmatige overheidsdaad / relativiteitsvereiste

Eiser heeft de Jordaanse nationaliteit. Eiser heeft een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens onrechtmatige overheidsdaad. Niet in geschil is dat verweerder niet binnen de termijn van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht heeft beslist en dat verweerder niet binnen een redelijke termijn het verblijfsdocument heeft afgegeven. De rechtbank betrekt in de beoordeling het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 (LJN: AZ8751, C06/081HR). Ingevolge dit arrest vindt de toelating van eiser tot Nederland plaats om verblijf bij zijn echtgenote mogelijk te maken. Toelating strekt niet tot bescherming van enig vermogensrechtelijk belang van eiser. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft het belang van eiser om inkomen uit arbeid te kunnen verwerven geen rol gespeeld. Eerst na toelating ontstaat het recht om in Nederland betaalde arbeid te verrichten. Noch afgezien van de vraag of aan het relativiteitsvereiste is voldaan met betrekking tot vergoeding van de immateriële schade, is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot immateriële schadevergoeding onvoldoende is onderbouwd. Verweerder heeft op goede gronden het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06 / 19505

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 mei 2007

in de zaak van:

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1966, van Jordaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. C.F.M. Raaijmakers, advocaat te Haarlem,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.S. van Steijn, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 30 november 2004 een verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad ingediend. Verweerder heeft het verzoek bij besluit van 9 juni 2005, verzonden op 23 juni 2005, afgewezen. Eiser heeft daartegen op 3 augustus 2005 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 10 maart 2006, verzonden op 14 maart 2006, ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 19 april 2006 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 23 maart 2007. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 11 april 2003 heeft eiser een aanvraag ingediend tot een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf bij echtgenote [naam]’. Bij besluit van 14 november 2003 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit op 24 november 2003 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 mei 2004 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en is eiser een verblijfsvergunning regulier verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote [naam], arbeid vrij toegestaan’, met ingang van 24 november 2003, geldig tot 24 november 2004, laatstelijk verlengd tot 24 november 2005.

2.3 Eiser verzoekt om vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden in verband met de onredelijk en verwijtbaar trage afhandeling van zijn aanvraag alsmede de afgifte van zijn verblijfsvergunning. Nadat bij schrijven van 24 november 2003 was aangetoond dat eiser voldeed aan het middelenvereiste, heeft verweerder eerst op 18 mei 2004 positief beslist op de aanvraag. Nadien heeft het tot 30 september 2004 geduurd totdat eiser het bijbehorende verblijfsdocument werd verstrekt. Eiser stelt verweerder aansprakelijk voor de gestelde schade.

2.4 Verweerder heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de cumulatieve vereisten als genoemd in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge artikel 6:163 BW is voor toekenning van schadevergoeding vereist dat de door de overheid geschonden norm strekt tot bescherming van het belang dat volgens eiser is geschaad (het relativiteitsvereiste). In het onderhavige geval is aan het relativiteitsvereiste niet voldaan. Nu daarvan sprake is, komt de gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 Niet in geschil is dat verweerder niet binnen de termijn als bedoeld in artikel 7:10 Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft beslist en dat verweerder niet binnen een redelijke termijn het verblijfsdocument heeft afgegeven.

2.6 De rechtbank betrekt in de beoordeling het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 (LJN: AZ8751, C06/081HR). In dit arrest overweegt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4: “Op zichzelf is juist dat de toelating van een vluchteling tot Nederland de vluchteling in staat stelt hier te lande een nieuw bestaan op te bouwen. Anders dan het hof heeft geoordeeld, betekent dit echter niet dat de toelating als vluchteling ertoe strekt deze in staat te stellen inkomen (uit betaalde arbeid) te verwerven. Het recht in Nederland betaalde arbeid te verrichten vloeit voort uit de toelating als vluchteling, en ontstaat pas nadat hij in Nederland als vluchteling is toegelaten. De toelating vindt plaats om humanitaire redenen, teneinde hem te beschermen tegen vervolging in het land van herkomst. Zij strekt niet tot bescherming van enig vermogensrechtelijk belang van de vluchteling. Het belang van de vluchteling om inkomen uit arbeid te kunnen verwerven speelt bij de beoordeling tot toelating als vluchteling geen rol en de Staat dient bij zijn beslissing omtrent de toelating als vluchteling hiermee geen rekening te houden. Als de Staat in het kader van de procedure tot toelating een voor die procedure geldende regel heeft geschonden, heeft de aanvrager toegang tot de rechter om deze schending te doen herstellen. Deze schending geeft in beginsel echter geen recht op vergoeding van schade als hier door [verweerster] is gevorderd”.

2.7 Eiser heeft in het onderhavige geval een aanvraag tot een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf bij echtgenote [naam]’ ingediend. Gelet op voornoemd arrest van de Hoge Raad vindt toelating van eiser tot Nederland plaats om verblijf bij zijn echtgenote mogelijk te maken. Toelating strekt dus niet tot bescherming van enig vermogensrechtelijk belang van eiser. Bij de beoordeling van onderhavige aanvraag heeft het belang van eiser om inkomen uit arbeid te kunnen verwerven ook geen rol gespeeld. Eerst na toelating ontstaat het recht om in Nederland betaalde arbeid te verrichten.

2.8 Met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Noch afgezien van de vraag of op dit punt is voldaan aan het relativiteitsvereiste, is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot immateriële schadevergoeding onvoldoende is onderbouwd. Uit een brief van 11 februari 2004 van P. Hendriks, huisarts, blijkt immers dat eiser in de loop van het jaar 2003 steeds meer ernstige depressieve klachten is gaan ontwikkelen. Hieruit blijkt dat eiser reeds vóór de overschrijding van de beslistermijn door verweerder leed aan psychische klachten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet concreet onderbouwd in hoeverre de gestelde immateriële schade, bestaande uit psychisch leed, is toe te schrijven aan het overschrijden van de beslistermijn.

2.9 Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden het verzoek tot schadevergoeding heeft afgewezen.

2.10 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.11 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, en mrs. A.C.M. Rutten en J.C.M. Swinkels, en op 11 mei 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.