Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6127

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
AWB 05/56906 en AWB 05/56908
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verslechterde positie van vrouwen in Afghanistan / motiveringsgebrek

Eiseressen hebben de Afghaanse nationaliteit. Eiseressen hebben een aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend. Met ingang van 9 september 2002 heeft verweerder het categoriaal beschermingsbeleid voor Afghaanse asielzoekers beëindigd. Niet in geschil is dat eiseressen niet langer op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) voor vergunningverlening in aanmerking komen. Verweerder heeft op goede gronden tot het standpunt kunnen komen dat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij ten tijde van hun aanvraag in Afghanistan gegronde vrees voor vervolging hadden. Eiseressen hebben aangevoerd dat de huidige situatie van vrouwen en meisjes op dit moment zeer slecht is, zoals volgt uit de genoemde passages uit het ambtsbericht van juli 2005 inzake Afghanistan. Voorts hebben zij een beroep gedaan op TBV 2006/22. Dit zijn feiten en omstandigheden zoals vermeld in het meest recente ambtsbericht over Afghanistan van februari 2006. Bij een gedwongen terugkeer zullen met name de dochters van eiseres gevaar lopen. Gelet op de verslechterde positie van vrouwen in Afghanistan, zoals dat blijkt uit de meest recente ambtsberichten, had verweerder kenbaar moeten beoordelen of van de dochters onder die omstandigheden kan worden verlangd dat zij terugkeren naar Afghanistan. Verweerder heeft in zijn besluitvorming onvoldoende rekening gehouden met de positie van de dochters, mede gelet op de duur van hun lange verblijf in Nederland. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 05/56906 en AWB 05/56908

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 maart 2007

in de zaak van:

[eiseres 1], geboren op [geboortedatum]1966 (eiseres sub 1), [eiseres 2], geboren op [geboortedatum] 1989 (eiseres sub 2), en de minderjarige kinderen van eiseres sub 1, [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1990, [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1992, [kind 3], geboren op [geboortedatum] 1994 en [kind 4], geboren op [geboortedatum] 1999, allen van Afghaanse nationaliteit,

tezamen: eiseressen,

gemachtigde: mr. A. Hol, advocaat te Haarlem,

tegen:

de minister van Justitie, voorheen de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. I.A.M. de Groot, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseressen hebben op 14 juli 2003 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluiten van 23 november 2005 afgewezen. Eiseressen hebben tegen de besluiten op 19 december 2005 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007. Eiseressen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 34 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 33 Vw, van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag gedurende drie achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder c, Vw slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 Vw, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 Vw voordoet.

2.3 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw worden ingetrokken dan wel kan de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29 Vw, is komen te vervallen.

2.4 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.5 Ingevolge artikel 31 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.6 Eiseres heeft ter onderbouwing van haar oorspronkelijke aanvraag het volgende aangevoerd. Zij heeft universitair onderwijs gevolgd en is als lerares werkzaam geweest in Kabul en Herat. Vervolgens heeft zij in het geheim onderwijs gegeven aan meisjes in haar dorp. De Taliban zijn tegen onderwijs voor vrouwen. Als zij hadden ontdekt dat zij onderwijs aan vrouwen gaf dan zou zij het slachtoffer van de Taliban zijn geworden. Daarom is zij uit voorzorg samen met haar dochters uit Afghanistan gevlucht.

2.7 Verweerder stelt zich -samengevat en voor zover relevant- op het standpunt dat met de afschaffing van het categoriale beschermingsbeleid voor Afghaanse asielzoekers de grond voor verlening als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw is komen te vervallen, hetgeen aanleiding is om de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af te wijzen. Voorts bestonden of bestaan er geen andere gronden voor verlening als genoemd in artikel 29, eerste lid, Vw.

2.8 Eiseressen hebben daar in beroep -samengevat en voor zover relevant- het volgende tegenin gebracht. Eiseres behoort tot de categorie vrouwen zoals genoemd in het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Afghanistan (hierna: ambtsbericht) van 21 april 1998. Eiseres weigerde haar principes te verloochenen en dreigde om die reden in de problemen te raken met de Taliban. Iedere daad van vervolging in dit verband dient te worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ex tunc toetsend komt eiseres op grond van haar politieke overtuiging in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Op grond van de hiervoor geschetste omstandigheden komt eiseres eveneens ex nunc toetsend in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op de a-grond. Eiseres wijst daartoe naar het ambtsbericht van juli 2005. Voorts meent eiseres dat bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard zich tegen haar terugkeer naar Afghanistan verzetten. Daarbij wijst zij op hetgeen haar echtgenoot na terugkeer in Afghanistan is overkomen. In Herat is haar echtgenoot door onbekende Afghaanse mannen achtervolgd, geslagen en bedreigd. Ter onderbouwing heeft zij een aantal vertaalde documenten overgelegd. Verder wijst eiseres op de situatie van haar vijf dochters, die hier in Nederland zijn opgegroeid en opleidingen volgen. Zij verblijven inmiddels zes jaar in Nederland. Bij terugkeer gaan eiseres en haar kinderen de ondergang tegemoet.

Ter zitting hebben eiseressen aan vorenstaande toegevoegd dat de omstandigheden in Afghanistan voor vrouwen met een westerse levensstijl zijn verslechterd. Verweerder dient hen op grond van de feiten waarop het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2006/22 is gebaseerd tot Nederland toe te laten.

Verder hebben eiseressen ter zitting toegelicht dat het beroep op het ambtsbericht van juli 2005 ziet op een passage op pagina 71 en 72, te weten dat Afghaanse vrouwen die een westerse levensstijl hebben aangenomen die als overschrijding van de in Afghanistan geldende sociale zeden wordt aangemerkt en die zo fundamenteel onderdeel is van hun identiteit dat onderdrukking daarvan volgens UNHCR als vervolging kan worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.9 Ingevolge artikel 83, eerste lid, Vw houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

2.9 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten. Bij besluit van 28 maart 2001 heeft verweerder de aanvraag van eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen, van 14 augustus 2000 om toelating als vluchteling niet ingewilligd. Bij hetzelfde besluit is aan eiseres en haar kinderen een voorwaardelijke vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd verleend. Deze vergunning is op 1 april 2001 van rechtswege omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

2.10 Met ingang van 9 september 2002 heeft verweerder het categoriale beschermingsbeleid voor Afghaanse asielzoekers beëindigd. Eiseressen hebben hiertegen geen gronden aangevoerd, zodat niet in geschil is dat zij na de verlening van hun verblijfsvergunning, niet langer op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw voor vergunningverlening in aanmerking komen.

2.11 Verweerder heeft zowel voor de datum van aanvraag, 14 augustus 2000 (ex tunc), als ten tijde van het bestreden besluit (ex nunc) beoordeeld of eiseressen op een andere, in artikel 29 Vw genoemde, grond voor vergunningverlening in aanmerking komen. De rechtbank zal allereerst ingaan op de beoordeling per datum aanvraag.

2.12 De rechtbank stelt vast dat verweerder het ontbreken van documenten niet langer aan eiseressen tegenwerpt. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder eiseres volgt in haar verklaringen dat zij lerares is en dat zij heeft lesgegeven aan meisjes in haar land van herkomst. Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij en haar dochters bij terugkeer naar Afghanistan om die reden gegronde vrees voor vervolging hebben.

2.13 Naast de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling naar voren gebrachte feiten, behoort ook de beoordeling van het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling met betrekking tot die feiten geuite vermoedens tot de primaire verantwoordelijkheid van verweerder. De rechter dient die beoordeling terughoudend te toetsen.

2.14 Gelet op het hiervoor in rechtsoverweging

2.13 genoemde toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van verweerder over de aannemelijkheid van het asielrelaas van eiseres niet onredelijk is. Verweer heeft hier het volgende bij mogen betrekken. Eiseres heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die haar vrees voor vervolging door de Taliban onderbouwen. Er is immers niet gebleken dat de Taliban op de hoogte waren van het feit dat eiseres een hoog opgeleide vrouw is en les heeft gegeven aan meisjes in haar woning. Voorts is hierbij van belang dat zij heeft verklaard nimmer persoonlijk problemen te hebben ondervonden van de Taliban.

2.15 Uit voorgaande overwegingen volgt dat de beroepsgrond van eiseressen dat verweerder niet tot het standpunt heeft kunnen komen dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij ten tijde van hun aanvraag in Afghanistan gegronde vrees voor vervolging hadden, niet kan slagen.

2.16 De rechtbank zal voorts beoordelen of verweerder, gelet op de huidige situatie in Afghanistan, op goede gronden aan eiseressen geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, Vw heeft verleend.

2.17 Eiseressen hebben aangevoerd dat de situatie van vrouwen en meisjes op dit moment zeer slecht is, zoals ook volgt uit de door hen genoemde passages in het ambtsbericht van juli 2005. Eiseressen hebben voorts een beroep gedaan op de onderliggende feiten en omstandigheden van TBV 2006/22. Dit zijn de feiten en omstandigheden zoals vermeld in het meest recente ambtsbericht over Afghanistan van februari 2006. Bij een gedwongen terugkeer naar Afghanistan zullen met name de dochters van eiseres gevaar lopen. Van hen kan niet verwacht worden dat zij zich weer kunnen aanpassen aan de Afghaanse cultuur. De dochters wonen vrijwel heel hun leven, dan wel een groot deel daarvan, in Nederland en volgen hier opleidingen. Zij zijn verwesterd en van hen kan gelet op de huidige situatie in Afghanistan niet worden verlangd dat zij terugkeren naar dit land.

2.18 Het bestreden besluit van eiseres sub 1 geeft er geen blijk van dat verweerder de positie van de minderjarige dochters van eiseres sub 1 bij het oordeel over deze door eiseressen aangevoerde problematiek bij de besluitvorming heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het besluit daarom ondeugdelijk gemotiveerd. Gelet op de verslechterde positie van vrouwen in Afghanistan, zoals dat blijkt uit de meest recente ambtsberichten, had verweerder kenbaar moeten beoordelen of van de dochters onder die omstandigheden kan worden verlangd dat zij terugkeren naar Afghanistan. De grief van eiseressen dat verweerder in de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met de positie van de dochters, mede gelet op de duur van hun lange verblijf in Nederland, slaagt dan ook.

2.19 Gezien het voorgaande behoeven de overige grieven geen bespreking meer. Aangezien de zaken van eiseressen sub1 en sub 2 samenhangen met de zaak van de minderjarige dochters [kind 1], [kind 2], [kind 3] en [kind 4] verklaart de rechtbank ook het beroep in die zaken gegrond. Ook ten aanzien van eiseressen sub 1 en sub 2 zal verweerder de meeste recente informatie uit het ambtsbericht van februari 2006 met het oog op de zorgvuldigheid alsnog bij de besluitvorming dienen te betrekken.

2.20 De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen wegens schending van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verweerder opdragen nieuwe besluiten te nemen.

2.21 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de door eiseressen gemaakte kosten en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart de beroepen gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden besluiten;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van veertien weken opnieuw te beslissen op de aanvraag van 14 juli 2003 met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseressen moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, en op 22 maart 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.