Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6121

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
AWB 06-1692
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

14-1 brief / aanvraag / belanghebbende / gemachtigde / vertrouwensbeginsel

14/1 verzoek, ingediend door een medewerker van de Stichting Vluchtelingenwerk Haarlem. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op dit verzoek. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank honoreert eisers beroep op het vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft tot tweemaal toe inhoudelijk gereageerd op eerder schriftelijke verzoeken, namens eiser gedaan, door dezelfde medewerker van Vluchtelingenwerk. Eiser mocht er, gelet daarop, op vertrouwen dat verweerder het door de medewerker van Vluchtelingenwerk ingediende 14/1 verzoek inhoudelijk als aanvraag zou aanmerken, nu verweerder ook inhoudelijk heeft gereageerd op de hierboven weergegeven verzoeken van de medewerker van Vluchtelingenwerk en haar daarbij niet heeft tegengeworpen dat zij daartoe niet gemachtigd was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06/1692

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 29 maart 2007

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1976, van Liberiaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. F.K.H. Blom, advocaat te Utrecht,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. I.M. Bijvank, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Een medewerker van de Stichting Vluchtelingenwerk Haarlem en omstreken (hierna: Vluchtelingenwerk) heeft op 18 augustus 2003 een verzoek ingediend om eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen op grond van zijn schrijnende omstandigheden (zogenaamd 14/1-verzoek). Op 20 september 2005 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het verzoek van 18 augustus 2003. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 7 december 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 3 januari 2006 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft op 2 februari 2007 een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 14 februari 2007. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Verweerder heeft de brief van 18 augustus 2003 niet aangemerkt als een aanvraag, omdat de indiener - de medewerker van Vluchtelingenwerk - geen belanghebbende is. Verweerder heeft in het verweerschrift verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 26 januari 2007 (200607014/1).

2.3 Eiser heeft hiertegen - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Het is overduidelijk dat het de bedoeling van de medewerker van Vluchtelingenwerk is geweest om de brief niet op eigen titel te schrijven, maar namens en op verzoek van eiser. Indien de medewerker van Vluchtelingenwerk zich als bepaaldelijk gevolmachtigde had moeten stellen, had haar hiertoe een herstel-verzuim termijn geboden moeten worden.

2.4 Ter zitting heeft eiser nog een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan, nu verweerder op de brieven van 10 juli 2003 en 31 juli 2003, geschreven door dezelfde medewerker van Vluchtelingenwerk, wel inhoudelijk heeft gereageerd. Derhalve mocht eiser erop vertrouwen dat het verzoek inhoudelijk beoordeeld zou worden.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 Ingevolge artikel 1:3, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

2.6 Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken.

2.7 Vastgesteld wordt dat verweerder bij brief van 18 juli 2003 inhoudelijk heeft gereageerd op het schriftelijke verzoek van dezelfde medewerker van Vluchtelingenwerk om een nieuw verblijfsdocument voor eiser te maken, omdat er een onjuiste tekst op stond. Verweerder heeft dit vervolgens aangepast. Voorts wordt vastgesteld dat verweerder bij brief van 4 augustus 2003 inhoudelijk heeft gereageerd op de vraag van deze medewerker van Vluchtelingenwerk, of eiser recht heeft op een uitkering.

2.8 De rechtbank is van oordeel dat eiser er, gelet op het bovenstaande, op mocht vertrouwen dat verweerder het door de medewerker van Vluchtelingenwerk ingediende 14/1-verzoek inhoudelijk als aanvraag zou aanmerken, nu verweerder ook inhoudelijk heeft gereageerd op de hierboven weergegeven verzoeken van de medewerker van Vluchtelingenwerk en haar daarbij niet heeft tegengeworpen dat zij daartoe niet gemachtigd was. Nu verweerder het 14/1-verzoek niet als een aanvraag heeft aangemerkt, omdat de indiener geen belanghebbende zou zijn, dan wel niet zou zijn gebleken dat zij tot het indienen van het verzoek gemachtigde was, heeft verweerder gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

2.9 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. De overige aangevoerde gronden behoeven derhalve geen bespreking meer.

2.10 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.11 Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb worden veroordeeld in de kosten die eiser heeft gemaakt en met toepassing van artikel 8:75, derde lid, zal de rechtspersoon worden aangewezen die de kosten moet vergoeden. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 644,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moeten deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

2.12 Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, respectievelijk 8:82, vierde lid, Awb zal de Staat der Nederlanden worden aangewezen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de kosten ad € 644,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen;

3.5 draagt de Staat der Nederlanden op het betaalde griffierecht ad € 138,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, rechter, en op 29 maart 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van J.M. Mills, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.