Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6106

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 50544 en AWB 06 / 50541
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Schending vormvoorschrift / mvv-vereiste / hardheidsclausule

Aan de grief dat verweerder verzoeker ten onrechte een rechtsgang heeft ontnomen en gehandeld zou hebben in strijd met artikel 6:22 Awb, gaat de voorzieningenrechter voorbij, reeds nu uit artikel 6:20, tweede lid, onder b, van de Awb kan worden afgeleid dat het enkele feit dat verzoeker een instantie verliest om rechtsmiddelen tegen een besluit aan te wenden op zichzelf onvoldoende is om belang bij een besluit op de aanvraag aan te nemen. Voorts is verzoeker uitgenodigd en op 6 september 2006 ook uitgebreid in de gelegenheid gesteld om ten overstaan van een ambtelijke commissie de motieven die hebben geleid tot indiening van de aanvraag toe te lichten. Mogelijke onduidelijkheden heeft verzoeker daar ook kunnen wegnemen. In het beroepschrift heeft verzoeker uitvoerig op het bestreden besluit gereageerd. Niet is gebleken dat verzoeker door deze gang van zaken in zijn belangen is geschaad. Gelet op artikel 6:20, tweede lid, aanhef en onder b, Awb kon verweerder in casu besluiten niet meer separaat op de aanvraag te beslissen. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder in het bestreden besluit, in tegenstelling tot hetgeen namens verweerder ter zitting is medegedeeld, in het kader van de hardheidsclausule inhoudelijk getoetst heeft of sprake is van schrijnende omstandigheden die hem ertoe nopen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om de gevraagde verblijfsvergunning regulier te verlenen waarbij alle door verzoekers aangevoerde omstandigheden zijn betrokken. Uit de inhoud van het verslag van het ambtelijk gehoor van 6 september 2006 en het bestreden besluit blijkt dat die omstandigheden, voor zover al onderbouwd, in samenhang zijn gewogen waarna verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat deze omstandigheden niet zijn aan te merken als schrijnend en er geen aanleiding is gebruik te maken van de in artikel 3.4, derde lid, Vb aan verweerder gegeven bevoegdheid. Het door verzoeker aangevoerde, voor zover al onderbouwd, kan niet leiden tot de conclusie dat verweerder in het bestreden besluit de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet in samenhang heeft bezien. Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom verzoeker niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste en in redelijkheid toepassing van de hardheidsclausule achterwege heeft kunnen laten. De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren en het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 06 / 50544 (voorlopige voorziening) en AWB 06 / 50541 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 maart 2007

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1978, van Afghaanse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: drs. F.W. King te Leiden,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie, voorheen de minister van Justitie, voorheen de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. van den Bos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 14 februari 2005 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel schrijnende omstandigheden als bedoeld in artikel 3.4, derde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verzoeker heeft tegen het niet tijdig nemen van een besluit op 5 juli 2006 bezwaar gemaakt. Verzoeker is op 6 september 2006 gehoord door een ambtelijke commissie. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 9 oktober 2006 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 16 oktober 2006 beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 16 oktober 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 8 maart 2007. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

Wettelijk kader

2.4 Tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van verweerder de indiening van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel noodzakelijk is, kan verweerder ingevolge artikel 3.4, derde lid, Vb de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen onder een andere beperking, dan genoemd in het eerste lid van dat artikel.

2.5 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vergunning is aangevraagd. Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. In artikel 17 Vw en artikel 3.71, tweede lid, Vb zijn de categorieën vreemdelingen opgesomd aan wie het mvv-vereiste niet wordt tegengeworpen. Ingevolge artikel 3.71, vierde lid, Vb kan verweerder het eerste lid van artikel 3.71 Vb buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de zogenaamde hardheidsclausule).

2.6 In B1/2.2.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder beleidsregels neergelegd voor toepassing van de hardheidsclausule. Daar is onder meer bepaald, dat de vreemdeling door verweerder in de gelegenheid wordt gesteld het beroep op de hardheidsclausule (nader) te onderbouwen, indien het beroep bij het indienen van de aanvraag niet of niet afdoende middels bescheiden dan wel anderszins is onderbouwd. Verweerder heeft daar ook vermeld dat het de bedoeling is dat van de bevoegdheid tot toepassing van de hardheidsclausule over te gaan alleen gebruik wordt gemaakt in zeer bijzondere gevallen. Er is volgens verweerder - onder meer - geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien de betrokkene stelt dat aan alle voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning is voldaan afgezien van het mvv-vereiste, asielgerelateerde gronden aanvoert (dergelijke gronden worden alleen in het kader van een asielaanvraag beoordeeld), of als asielzoeker is uitgeprocedeerd.

Feiten

2.7 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Verzoeker is op 23 juni 2002 Nederland ingereisd.

Bij uitspraak van 24 juni 2004 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, het beroep van verzoeker tegen afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond verklaard. Op 15 oktober 2004 heeft verzoeker voor de tweede maal een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw ingediend, die hij op 16 oktober 2004 heeft ingetrokken. Verzoeker heeft op 20 december 2004 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 24 december 2004 hierop afwijzend beslist. Bij beroepschrift van 24 december 2004 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 14 januari 2005 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, het beroep van verzoeker tegen afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond verklaard.

Verweerder heeft verzoeker voor het nemen van het thans bestreden besluit in de gelegenheid gesteld het beroep op de schrijnende omstandigheden nader te onderbouwen middels bovenvermeld gehoor op 6 september 2006.

Partijstandpunten

2.8 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet beschikt over een geldige mvv. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat verzoeker niet valt onder een categorie die is vrijgesteld van het mvv-vereiste. Verweerder zag ook geen grond aan te nemen dat toepassing van het mvv-vereiste leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Nu het daartoe aangevoerde asiel gerelateerd is, wordt verwezen naar asieluitspraak van 14 januari 2005.

De op de hoorzitting genoemde omstandigheden -dat verzoeker het leven in Nederland als problematisch ervaart, geen vaste slaapplaats en geen inkomsten heeft- alsmede het asielrelaas, zijn niet aan te merken als schrijnend. Immers, het voortgezet verblijf in Nederland komt voor eigen rekening en risico van verzoeker. Tevens zijn er geen praktische belemmeringen om terug te keren naar het land van herkomst. Verzoeker kan trachten een paspoort via de Afghaanse autoriteiten te verkrijgen dan wel vrijwillig terugkeren via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).

2.9 Verzoeker heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 6:22 Awb nu verweerder eerst thans inhoudelijk op de aanvraag is ingegaan. Verzoeker is een rechtsgang ontnomen.

Verzoeker komt in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, vierde lid, Vb dan wel artikel 17 Vw. Verzoeker heeft daartoe aangevoerd dat hij zijn gehele sociale en maatschappelijke leven hier te lande heeft. Hij bevindt zich in een schrijnende situatie aangezien hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Verweerder dient in het kader van onderhavige aanvraag een zorgvuldige belangenafweging te maken en gemotiveerd aan te geven waarom verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van schrijnende omstandigheden. Ter adstructie verwijst verzoeker naar diverse uitspraken van deze rechtbank en nevenzittingsplaats.

Voorts lijdt verzoeker aan psychische problemen wegens traumatische gebeurtenissen in Afghanistan en langdurige onzekerheid hier te lande. Verzoeker beschikt niet over financiële middelen voor een medische behandeling.

Verzoeker is niet in het bezit van een paspoort, noch kan hij er een verkrijgen. Voorts kan van verzoeker niet worden verlangd met een onveilige vliegtuigmaatschappij te vliegen noch in Pakistan een mvv-procedure te doorlopen nu zulks in Afghanistan niet mogelijk is.

Verzoeker vreest bij een gedwongen terugkeer in een situatie in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te geraken.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.10 Aan de grief dat verweerder verzoeker ten onrechte een rechtsgang heeft ontnomen en gehandeld zou hebben in strijd met artikel 6:22 Awb, gaat de voorzieningenrechter voorbij, reeds nu uit artikel 6:20, tweede lid, onder b, van de Awb kan worden afgeleid dat het enkele feit dat verzoeker een instantie verliest om rechtsmiddelen tegen een besluit aan te wenden op zichzelf onvoldoende is om belang bij een besluit op de aanvraag aan te nemen.

Voorts is verzoeker uitgenodigd en op 6 september 2006 ook uitgebreid in de gelegenheid gesteld om ten overstaan van een ambtelijke commissie de motieven die hebben geleid tot indiening van de aanvraag toe te lichten. Mogelijke onduidelijkheden heeft verzoeker daar ook kunnen wegnemen. In het beroepschrift heeft verzoeker uitvoerig op het bestreden besluit gereageerd. Niet is gebleken dat verzoeker door deze gang van zaken in zijn belangen is geschaad. Gelet op artikel 6:20, tweede lid, aanhef en onder b, Awb kon verweerder in casu besluiten niet meer separaat op de aanvraag te beslissen.

2.11 Inzake de verwijzing naar het asielrelaas, artikel 3 EVRM en belemmeringen in de feitelijke uitzetting overweegt de voorzieningenrechter dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden in verband hiermee, wat daar ook van zij, niet kunnen leiden tot het verlenen van een reguliere vergunning als thans aan de orde. Dit onderdeel van het verzoekschrift wordt derhalve niet verder besproken.

2.12 Niet in geschil is dat verzoeker niet in het bezit is van een geldige mvv die overeenkomt met het doel waarvoor de verblijfsvergunning is gevraagd.

2.13 Voor zover verzoeker beoogt te behoren tot de in artikel 17, eerste lid, onder c, Vw, bedoelde categorie vreemdelingen die zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste stelt de voorzieningenrechter vast dat de aangevoerde medisch psychische problemen niet onderbouwd zijn.

2.14 Voorts is niet gebleken dat verzoeker bij tijdelijke terugkeer naar Afghanistan in een zodanig schrijnende situatie terechtkomt dat er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. De stellingen van verzoeker, dat hij zijn sociale en maatschappelijke leven hier te lande heeft en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, geven geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten aanzien van verzoeker in redelijkheid had moeten afwijken van het mvv-vereiste. Verzoeker die geboren en getogen is in Afghanistan, heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zich gedurende een te volgen mvv-procedure niet tijdelijk staande kan houden in het land van herkomst.

2.15 De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder in het bestreden besluit, in tegenstelling tot hetgeen namens verweerder ter zitting is medegedeeld, in het kader van de hardheidsclausule inhoudelijk getoetst heeft of sprake is van schrijnende omstandigheden die hem ertoe nopen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om de gevraagde verblijfsvergunning regulier te verlenen waarbij alle door verzoekers aangevoerde omstandigheden zijn betrokken. Uit de inhoud van het verslag van het ambtelijk gehoor van 6 september 2006 en het bestreden besluit blijkt dat die omstandigheden, voor zover al onderbouwd, in samenhang zijn gewogen waarna verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat deze omstandigheden niet zijn aan te merken als schrijnend en er geen aanleiding is gebruik te maken van de in artikel 3.4, derde lid, Vb aan verweerder gegeven bevoegdheid.

2.16 Het door verzoeker aangevoerde, voor zover al onderbouwd, kan niet leiden tot de conclusie dat verweerder in het bestreden besluit de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet in samenhang heeft bezien. Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom verzoeker niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste en in redelijkheid toepassing van de hardheidsclausule achterwege heeft kunnen laten.

2.17 De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren.

2.18 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.19 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, voorzieningenrechter, en op 22 maart 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.