Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6044

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-05-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
rekestnummer 06.1170 - zaaknummer 277261
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van één van de gedupeerde aandeelhouders van KPNQwest en de Stichting VEB-Actie KPNQwest om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen om helderheid te krijgen over de feitelijke gang van zaken en details rond de ondergang van KPNQwest en de rol van haar bestuurders, feitelijk leidinggevenden en commissarissen, alsmede de rol van KPN, Qwest en hun bestuurders, feitelijk leidinggevenden en commissarissen. Verzoekers hebben naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet gesteld welke specifieke zorgvuldigheidsnorm door de beleidsbepalers en grootaandeelhouders van KPNQwest jegens hen als beleggend aandeelhouderspubliek zou kunnen zijn geschonden en welke concrete misleiding van het beleggend publiek vermoedelijk heeft plaatsgevonden. Onder die omstandigheden weegt zwaar en geeft de doorslag het belang van de voorgestelde 33 getuigen, de wederpartijen en de rechtbank om niet te worden belast met het in dit verzoekschrift verzochte omvangrijke en uitputtende, maar vooralsnog voor de voorgenomen vordering van verzoekers weinig zinvolle voorlopig getuigenverhoor naar in feite alle details van de opkomst en ondergang van KPNQwest van 1999 tot en met mei 2002 en de mogelijk onrechtmatige rol van haar beleidsbepalers daarbij. De rechtbank wijst het verzoek af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 186
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 318
RF 2007, 58
RO 2007, 63
JE 2007, 304
JRV 2007, 514
JOR 2007/174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

hw/mdv/hvd/JKL

rekestnummer: 06.1170

zaaknummer: 277261

datum beschikking: 24 mei 2007

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - meervoudige kamer

Beschikking in de zaak van:

1. [verzoeker sub 1],

wonende te Amsterdam,

2. de stichting STICHTING VEB-ACTIE KPNQWEST,

gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

verzoekers,

advocaat: mr. A. Haan (Utrecht),

procureur: mr. W. Heemskerk,

t e g e n:

1. de naamloze vennootschap KPNQWEST N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende (per datum faillissement) te Hoofddorp,

deze gefailleerde vennootschap niet verschenen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KPN TELECOM B.V., thans genaamd KPN B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

advocaat: mr. A.R.J. Croiset van Uchelen (Amsterdam),

procureur: mr. H.J.A. Knijff,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid QWEST B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

advocaat: mr. M. Das (Amsterdam),

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

verweersters.

Verzoekers worden hierna ook wel afzonderlijk aangeduid met "[verzoeker sub 1]" en "de Stichting" en verweersters met "KPNQwest", "KPN" en "Qwest".

1. Het procesverloop:

1.1 [Verzoeker sub 1] en de Stichting hebben op 28 november 2006 een verzoekschrift met 13 produkties ter griffie ingediend. Zij verzoeken de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Bij fax van 20 maart 2007 hebben zij nog 5 produkties (genummerd 14 t/m 18) toegezonden.

1.2 Bij brief van 13 maart 2007 heeft mr. D. Knottenbelt namens de curatoren in het faillissement van KPNQwest, mrs. E.T. Meijer en M. Windt, bericht dat de curatoren kennis hebben genomen van het verzoekschrift en dat zij niet als partij zullen verschijnen bij de behandeling van het verweer tegen het verzoekschrift. Mr. Knottenbelt zal wel als toehoorder aanwezig zijn.

1.3 Qwest heeft op 16 maart 2007 een verweerschrift ingediend. Zij concludeert tot afwijzing van het verzoek.

1.4 KPN heeft bij fax van 19 maart 2007 aangekondigd mondeling verweer te zullen voeren en een aantal schriftelijke bewijsstukken toegezonden. Bij fax van 21 maart 2007 heeft zij nog een produktie 2 in het geding gebracht.

1.5 De mondelinge behandeling heeft plaats gevonden op donderdag 22 maart 2007 voor de rekestenrechter mr. H. Wien. Verschenen zijn:

* mr. A. Haan en mr. A.C. van Campen namens [verzoeker sub 1] en de Stichting;

* mr. D. Knottenbelt namens de curatoren van KPNQwest (als toehoorder);

* mr. A. Schennink en mr. A.R.J. Croiset van Uchelen namens KPN;

* mr. M. Das en mr. Van Tiel namens Qwest.

2. Het verzoek:

2.1 [Verzoeker sub 1] en de Stichting voeren het volgende aan. De Stichting heeft onder meer als doel het verkrijgen van informatie over het beleid en de gang van zaken bij KPNQwest en het verkrijgen van financiële compensatie voor het nadeel dat beleggers in effecten van het beursfonds KPNQwest hebben geleden. De deelnemers in de Stichting hebben hun vorderingen tot vergoeding van schade onherroepelijk overgedragen aan de Stichting. [Verzoeker sub 1] is één van de gedupeerde aandeelhouders van KPNQwest.

2.2 Beleggers in KPNQwest hebben als gevolg van de enorme waardedaling die zich heeft voorgedaan in de aandelen in KPNQwest schade geleden. Met het volslagen onverwachte faillissement van KPNQwest op 31 mei 2002 is een beurswaarde van ruim 3 miljard euro verdampt. Deze schade is het gevolg van de onrechtmatige handelwijze van KPNQwest, haar bestuurder, commissarissen en feitelijk leidinggevenden en van de twee grootaandeelhouders, te weten KPN en Qwest.

Het onrechtmatig handelen van KPNQwest betreft onder meer:

a) het verstrekken van onjuiste en misleidende informatie aan beleggers;

b) het opwekken van de schijn van kredietwaardigheid;

c) het aangaan van transacties die ten doel hadden de financiële ontwikkeling van KPNQwest gunstiger voor te stellen;

d) het plegen van een acquisitie die slechts in het belang was van (één van) de grootaandeelhouders.

2.3 De twee grootaandeelhouders hebben een dominante invloed gehad op (het bestuur van) de vennootschap. Op hen rustte een bijzondere zorgplicht jegens de crediteuren en de overige aandeelhouders van KPNQwest. Zij hebben deze zorgplicht geschonden waardoor zij onrechtmatig jegens [verzoeker sub 1] en de Stichting hebben gehandeld. Voor een eventueel op te starten civiele procedure is het noodzakelijk om helderheid te krijgen over de feitelijke gang van zaken en details rond de ondergang van KPNQwest en de rol van haar bestuurders, feitelijk leidinggevenden en commissarissen, alsmede de rol van KPN, Qwest en hun bestuurders, feitelijk leidinggevenden en commissarissen.

2.4 [Verzoeker sub 1] en de Stichting zetten in het bijzonder vraagtekens bij de volgende activiteiten en transacties van KPNQwest.

a) Voor de overname van bepaalde activiteiten van GTS (Global Tele-Systems Group) heeft KPNQwest in totaal 645 miljoen euro betaald. Deze overname bood slechts een zeer gelimiteerde toegevoegde waarde. Verder had KPNQwest bij de presentatie van haar jaarcijfers 2000 te kennen gegeven dat nieuwe acquisities niet meer aan de orde zouden zijn. Voorts werd bij de aankondiging van de GTS-transactie bekend gemaakt dat KPN 20 miljoen aandelen aan Qwest en diens grootaandeelhouder Anschutz verkocht. Later bleek dat Anschutz ook belangen had in GTS. De zeggenschapsverhouding tussen KPN en Qwest is door deze aandelentransactie zodanig gewijzigd dat Qwest en Anschutz een doorslaggevende stem verkregen bij de aankoop van de GTS-activiteiten. Bij deze transactie is alleen oog geweest voor de belangen van KPN en van Qwest en is in strijd gehandeld met de zorgplicht die KPN en Qwest dienden te betrachten jegens de crediteuren en de overige aandeelhouders.

b) De door KPNQwest gehanteerde methode van verwerking van zogenaamde swap- en IRU transacties is in strijd met de regels voor verslaggeving. Betalingen werden direkt als omzet geboekt, zelfs als het meerjarencontracten betrof. De kosten verbonden aan de transacties werden echter, anders dan de omzet, over de looptijd van de contracten uitgesmeerd. Deze handelwijze had geen ander doel dan het oppoetsen van de omzetcijfers van KPNQwest.

c) KPN en Qwest hebben zich als grootaandeelhouders niet gehouden aan de door hen aan KPNQwest afgegeven omzetgaranties. Zij verschaffen geen duidelijkheid over de aard, omvang en condities van die garanties. Hierover dient meer duidelijkheid te worden verkregen.

d) Door KPNQwest zijn in 2002 met een syndicaat van banken leningen aangegaan, waarvan de grootaandeelhouders wisten dan wel konden weten dat de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet konden worden nagekomen. Ook over de gang van zaken rondom het aangaan van die leningen dient duidelijkheid te worden verkregen.

e) Op de dag van de aanvraag van de surséance van betaling is de Raad van Commissarissen van KPNQwest afgetreden, zonder in zijn opvolging te voorzien of voor andersoortige vervanging te zorgen. Gevolg hiervan is dat de banken de kredietfaciliteiten hebben bevroren. Over de gang van zaken rondom het aftreden dient meer duidelijkheid te komen.

2.5 [Verzoeker sub 1] en de Stichting willen met het verzochte voorlopig getuigenverhoor met name bewijzen verzamelen voor hun stellingen dat de Raad van Bestuur, respectievelijk KPN en Qwest:

- inzicht in en zeggenschap hadden over het beleid van KPNQwest;

- wetenschap hadden van benadeling van schuldeisers en overige aandeelhouders van KPNQwest;

- hun zorgplicht jegens crediteuren en overige aandeelhouders van KPNQwest hebben geschonden;

- als aandeelhouders van KPNQwest (in ieder geval) in het kader van de GTS-transactie in strijd hebben gehandeld met de als aandeelhouders in acht te nemen zorgplicht jegens KPNQwest, de overige aandeelhouders en de crediteuren van KPNQwest, althans dat zij in dat kader onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij deswege jegens deze partijen, waaronder [verzoeker sub 1] en de Stichting aansprakelijk zijn;

- ook als werkgever van de commissarissen aansprakelijk zijn voor de activiteiten van deze commissarissen bij de GTS-transactie;

- op de hoogte waren van en/of betrokken zijn geweest bij de zogenaamde IRU en swaptransacties en dat zij deswege eveneens onrechtmatig hebben gehandeld;

- ook overigens onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij hun (garantie)verplichtingen jegens KPNQwest niet zijn nagekomen;

- wisten dan wel konden weten dat KPNQwest verplichtingen aanging, waaronder ten opzichte van een syndicaat van banken, welke zij niet dan wel niet binnen redelijke termijn zou kunnen nakomen en dat zij evenmin verhaal bood voor de tengevolge van die wanprestatie door de wederpartij te lijden schade;

- hun verschillende belangen op een ongeoorloofde wijze hebben verstrengeld, althans laten verstrengelen.

2.6 Ten aanzien van de Raad van Commissarissen willen [verzoeker sub 1] en de Stichting bewijzen verzamelen voor hun stellingen dat de commissarissen:

- geen dan wel onvoldoende oog hebben gehad voor de belangen van KPNQwest, onder andere in het kader van de GTS-transactie;

- ook overigens geen dan wel een onvoldoende zelfstandige positie ten opzichte van de grootaandeelhouders hebben ingenomen;

- geweten hebben van de onrechtmatige IRU- en swaptransacties;

- wisten dan wel konden weten dat KPNQwest verplichtingen aanging, waaronder ten opzichte van het syndicaat van banken, welke zij niet dan wel niet binnen redelijke termijn zou kunnen nakomen en dat KPNQwest evenmin verhaal bood voor de tengevolge van die wanprestatie door de wederpartijen te lijden schade;

- er niet dan wel onvoldoende op hebben toegezien dat de grootaandeelhouders hun verplichtingen en toezeggingen jegens KPNQwest nakwamen;

- hun taken kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld door op 23 mei 2002 voltallig op te stappen en daarboven niet te voorzien in opvolging of andersoortige vervanging;

- ook overigens hun taken kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en dat aannemelijk is dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

2.7 [Verzoeker sub 1] en de Stichting willen over al het vorenstaande om te beginnen 32 getuigen doen horen, waaraan ter zitting als 33e getuige nog werd toegevoegd de voormalig bestuursvoorzitter van KPN NV Ad Scheepbouwer naar aanleiding van de zogenoemde "Scheepbouwer-fax" van 26 september 2001.

3. De verweren:

3.1 Qwest voert als verweer vooral aan dat [verzoeker sub 1] en de Stichting misbruik maken van hun recht een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken, omdat ook de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam is verzocht een enquête-onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van KPNQwest te bevelen. Dat verzoek is gebaseerd op nagenoeg dezelfde omstandigheden als thans in het verzoekschrift worden aangevoerd. De Ondernemingskamer heeft inmiddels bij beschikking van 28 december 2006 een enquête-onderzoek bevolen. Al de door [verzoeker sub 1] en de Stichting aangevoerde thema's komen aan de orde in deze uitvoerige beschikking van de Ondernemingskamer. Daarnaast wijst Qwest erop dat de vereiste financiële middelen voor het bevolen enquête-onderzoek nog niet ter beschikking zijn gesteld, zodat er gerede twijfel bestaat of [verzoeker sub 1] en de Stichting wel in staat en bereid zijn om een voorlopig getuigenverhoor te financieren.

3.2 Met betrekking tot de door [verzoeker sub 1] en de Stichting ter discussie gestelde activiteiten en transacties wordt door Qwest het volgende opgemerkt.

a) De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking beslist dat het aangaan van de GTS-transactie geen gegronde redenen oplevert voor twijfel aan een juist beleid van KPNQwest.

b) Met betrekking tot de zogenaamde IRU en swaptransacties en de gestelde inadequate verslaggeving daarover heeft de Ondernemingskamer al een onderzoek gelast.

c) De Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat er geen reden is te betwijfelen dat KPN en Qwest hebben voldaan aan hun omzetgaranties.

d) De banken die betrokken zijn bij de in 2002 aangegane leningen hebben daarover inmiddels zelf een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Amsterdam tegen onder andere KPN en Qwest. Duidelijkheid over de gang van zaken rondom het aangaan van die leningen zal kunnen worden verkregen uit die aanhangige procedure.

e) Ook met betrekking tot het aftreden van de commissarissen heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen.

3.3 Mocht het verzoek toch worden toegewezen dan vindt Qwest dat de eisen van proceseconomie meebrengen dat (per bewijsthema) eerst een beperkt aantal getuigen dient te worden gehoord.

3.4 KPN voert bij pleitnota ter zitting - in aanvulling op het verweer van Qwest - onder meer het volgende aan. Indien al zou kunnen worden geoordeeld dat bij de door [verzoeker sub 1] en de Stichting genoemde activiteiten en transacties onrechtmatig is gehandeld, dan komt dit voor rekening van de beleidsbepalers binnen KPNQwest en zeker niet voor rekening van grootaandeelhouder KPN. Door bijna vijf jaar na het faillissement van KPNQwest een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken, zonder bij de curatoren een vordering ter verificatie te hebben aangemeld, maken [verzoeker sub 1] en de Stichting misbruik van hun recht een dergelijk verhoor te vragen.

3.5 Indien het gestelde onrechtmatig handelen wel zou hebben plaatsgevonden, en dit handelen aan de grootaandeelhouders zou kunnen worden verweten, is het slechts aan de curatoren van KPNQwest en niet aan de gedupeerde kleinaandeelhouders om een schadevergoedingsactie tegen KPN in te stellen. KPN verwijst naar het arrest Poot/ABP (NJ 1995 nr. 288), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat indien aan een vennootschap door een derde vermogensschade is toegebracht, in beginsel alleen die vennootschap het recht heeft om van die derde vergoeding van de aan haar toegebrachte schade te vorderen en niet ook de aandeelhouders. De curatoren zijn hier ook toe overgegaan. Zij zijn in de Verenigde Staten tegen de moedermaatschappij van Qwest en tegen een aantal voormalig functionarissen van KPNQwest procedures gestart. Op KPN en op Qwest zou alleen een vordering kunnen bestaan indien hen een zelfstandig verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot misleiding van beleggers waardoor bij aankoop van effecten schade is geleden. Daarover is echter niets relevants gesteld, aldus KPN.

4. De beoordeling:

4.1 Gelet op de aard en omvang van deze zaak en de achterliggende grote financiële belangen heeft de rechtbank besloten deze zaak in meervoudige kamer te beslissen. De rechtbank stelt voorop dat zij het verzoek en de verweren zal toetsen aan de meest recente maatstaven zoals neergelegd in de beschikking van de Hoge Raad van 11 februari 2005, NJ 2005 nr. 442.

4.2 Zoals ter zitting besproken, vormt het verzochte grootscheepse en uitputtende voorlopig getuigenverhoor ingeval van toewijzing een forse tot enorme belasting voor de om te beginnen betrokken 33 getuigen, wederpartijen, advocaten en rechtbank. De rechtbank verwijst kortheidshalve ook naar de conclusie van A-G Wesseling-van Gent en naar de noot van Asser bij voornoemde standaardbeschikking van de Hoge Raad. Beiden schrijven over recent terughoudend rechterlijk beleid op het gebied van verzochte voorlopig getuigenverhoren als de onderhavige. Ook heeft de rechtbank daarbij acht geslagen op het Eindrapport 2006 van de Commissie Fundamentele Herbezinning Nederlands burgerlijk procesrecht van de professoren Asser, Groen en Vranken, blzz. 69 t/m 71.

4.3 Anderzijds ziet en begrijpt de rechtbank de wens en het feitelijk belang van het door verzoekers vertegenwoordigde deel van het gedupeerde beleggend publiek om nu langs deze weg zo mogelijk duidelijkheid, informatie en "eindelijk eens de waarheid op tafel" te krijgen. Dit temeer omdat blijkens de stukken kort gezegd de initiator VEB kennelijk al vijf jaar geen relevante informatie kan verkrijgen van curatoren en van de beide grootaandeelhouders over eventuele bestuurdersaansprakelijkheid en/of aansprakelijkheid van grootaandeelhouders en/of van overige relevante beleidsbepalers. Ook is de door de Ondernemingskamer toegestane enquête veel beperkter van omvang dan het verzochte voorlopig getuigenverhoor, terwijl aan zo'n enquête bovendien forse kosten zijn verbonden. Dat verzoekers feiten en omstandigheden wensen te achterhalen om hun kansen in de voorgenomen bodemprocedure tot schadevergoeding tegen de relevante beleidsbepalers van KPNQwest vooraf beter in te kunnen schatten en om die voorgenomen vorderingen nader te kunnen onderbouwen, is een belang dat van oudsher en in beginsel bij uitstek kan worden gediend door het houden van een voorlopig getuigenverhoor.

4.4 De rechtbank verwerpt het vooral door Qwest gevoerde verweer dat verzoekers nu geen belang hebben bij of misbruik maken van het verzochte omvangrijke voorlopig getuigenverhoor, zulks omdat volgens Qwest de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam aan kort gezegd de VEB al een onderzoek (enquête) heeft toegestaan naar het beleid en de gang van zaken binnen KPNQwest. Daartoe is het volgende redengevend.

4.5 Qwest en ook KPN zien hierbij naar het oordeel van de rechtbank niet alleen over het hoofd dat de door de Ondernemingskamer toegestane enquête voor wat betreft de toegelaten periode en onderwerpen van beperkter omvang is dan het verzochte voorlopig getuigenverhoor, maar ook dat praktisch bezien niet meer te verwachten is dat die enquête nog doorgang zal vinden nu niemand de door de Ondernemingskamer begrote kosten van € 500.000,- lijkt te willen of te kunnen voorschieten. Bovendien miskennen verweersters dat de eventuele resultaten van een enquête ex art. 2:345 BW slechts een beperkte bewijsrechtelijke betekenis hebben voor de door verzoekers voorgenomen bodemprocedure op de voet van art. 6:162 BW jo. 2:9 BW (vergelijk Hoge Raad, NJ 2003 nr. 538 en NJ 2006 nr. 443).

4.6 Naar het oordeel van de rechtbank slaagt in dit geval echter het verweer van KPN, dat naar de kern genomen inhoudt dat verzoekers vooralsnog geen of onvoldoende rechtens te respecteren belang (art. 3:303 BW) hebben bij het toestaan van de verzochte voorlopig getuigenverhoren. Dit omdat hun rechtspositie als minderheidsaandeelhouders in het licht van de Poot/ABP jurisprudentie (Hoge Raad, NJ 1995 nr. 288) gelet op de inhoud van het verzoekschrift en de pleitnota van verzoekers aan de rechtbank vooralsnog dermate zwak voorkomt, dat de voorgenomen vordering tot schadevergoeding tegen derden vooralsnog niet of nauwelijks kans van slagen lijkt te hebben. Daartoe is het volgende redengevend.

4.7 Uit het standaardarrest Poot/ABP volgt dat "in het normale type van gevallen" aandeelhouders ingeval van een door een derde jegens de vennootschap gepleegde onrechtmatige daad in beginsel geen eigen vordering tot schadevergoeding tegen die derde geldend kunnen maken indien die schade - zoals hier bij het door het plotselinge faillissement gedupeerde beleggend publiek in aandelen KPNQwest het geval is - bestaat uit waardevermindering of waardeloos worden van die aandelen. Een dergelijke actie tegen de derde is in beginsel voorbehouden aan de vennootschap zelf of na faillissement aan haar curatoren. De Hoge Raad maakt geen uitzondering in het geval van beursgenoteerde naamloze vennootschappen, zoals het failliete KPNQwest. Slechts indien de eisende partij stelt welke specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens hem als aandeelhouder in privé door de derde is geschonden, staat voor de gedupeerde aandeelhouder in dit soort gevallen een eigen schadevergoedingsactie tegen de derde open. Volgens de Hoge Raad kan de eisende partij in zo'n geval niet volstaan met het enkel (in algemene bewoordingen) stellen van onzorgvuldig handelen van die derde.

4.8 A-G Hartkamp en annotator Maeijer (zie ook Asser-Maeijer 2000, nr. 180a) noemen bij het arrest Poot/ABP als mogelijk voorbeeld van een uitzondering op bovenstaande, voor de aandeelhouders harde regel het geval, dat de derde het vooropgezette doel had of beoogde niet zozeer de vennootschap maar vooral de aandeelhouder(s) in privé te treffen, dus waarbij de vennootschap als het ware gebruikt wordt om de aandeelhouder(s) "achter de schermen" te treffen. Volgens Hartkamp moeten strenge eisen worden gesteld aan het slagen van een actie uit onrechtmatige daad van een aandeelhouder in privé wegens waardevermindering van diens aandelen.

4.9 Dit is volgens Hartkamp te rechtvaardigen doordat een aandeelhouder geen gewone crediteur is van een vennootschap maar slechts een zogenaamde post-concurrente crediteur met een bijzondere positie van eigen aard jegens de vennootschap. Terzijde: blijkbaar daarom hebben de verzoekers ook geen (op voorhand kansloze) vordering ter verificatie ingediend bij de curatoren in het faillissement van KPNQwest, en vinden of zien de verzoekers ook geen rechtsingang bij de faillissements-RC van de rechtbank Haarlem tot het houden van faillissementsverhoren naar eventuele aansprakelijkheid van bestuurders, beleidsbepalers en grootaandeelhouders van KPNQwest.

4.10 De Hoge Raad heeft naar het oordeel van de rechtbank recent (RvdW 2007 nr. 203, Tuin Beheer) een nadere invulling gegeven aan het arrest Poot/ABP. De rechtbank maakt uit dat recente arrest op dat de voor aandeelhouders strenge en ongunstige Poot/ABP-regel ook van toepassing is in gevallen waarin een bestuurder van een vennootschap is tekortgeschoten in zijn verplichtingen jegens de vennootschap. De enkele omstandigheid dat een voorzienbaar gevolg was dat door de onrechtmatige handelwijze van die bestuurder de aandeelhouder werd benadeeld, brengt volgens de Hoge Raad niet mee dat die bestuurder de vereiste specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens die aandeelhouder heeft geschonden. Dit laatste geldt zelfs indien de bestuurder van de vennootschap onnodig en desbewust voor eigen gewin het faillissement van de vennootschap heeft veroorzaakt, aldus (geparafraseerd) de Hoge Raad. Slechts indien bijkomende omstandigheden zijn gesteld, zoals het opzet om die aandeelhouder aldus te benadelen, kan naar de rechtbank begrijpt volgens de Hoge Raad tevens de vereiste specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens die aandeelhouder(s) zijn geschonden.

4.11 Het voorgaande vormt het beoordelingskader voor deze door verzoekers en verweerders aan de rechtbank ter beslissing voorgelegde rekestzaak, te volgen door een bodemprocedure waarin de gedupeerde minderheidsaandeelhouders van de gefailleerde vennootschap KPNQwest (het beleggend publiek) een eigen actie tot schadevergoeding tegen derden (kort gezegd alle mogelijke relevante beleidsbepalers van KPNQwest, de grootaandeelhouders KPN en Qwest en hun beide moeders KPN NV en Qwest Inc) wensen in te stellen.

4.12 Tegen de achtergrond van deze jurisprudentie moet de rechtbank bij lezing en herlezing van het omvangrijke verzoekschrift met producties constateren, dat verzoekers welbeschouwd in zeer vele opzichten, maar telkens slechts in algemene bewoordingen stellen of veronderstellen dat er door de beleidsbepalers en de grootaandeelhouders onrechtmatig is gehandeld jegens de crediteuren en de overige (klein)aandeelhouders van de in mei 2002 onverwachts gefailleerde beursvennootschap KPNQwest. Ook indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat het hier "nog slechts" gaat om een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, stellen verzoekers naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet - zoals wel vereist is wil de voorgenomen bodemprocedure een kans van slagen hebben - welke specifieke zorgvuldigheidsnorm door de desbetreffende beleidsbepalers en grootaandeelhouders jegens hen als beleggend aandeelhouderspubliek zou (kunnen) zijn geschonden. Ook de door verzoekers nog genoemde misleiding van het beleggend publiek is naar het oordeel van de rechtbank in een bijzonder geval als dit onvoldoende concreet gesteld, hoewel verzoekers op dat punt inmiddels toch over voldoende relevant openbaar schriftelijk bewijsmateriaal moeten kunnen beschikken waarover wegens door hen te stellen concrete omstandigheden getuigen nog nader zouden moeten worden gehoord. Het enige tot dusver in de jurisprudentie en literatuur genoemde voorbeeld van de vereiste uitzondering van schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm - kort gezegd het boos opzet van de te dagvaarden derden om specifiek juist de aandeelhouder(s) van de vennootschap te treffen en te benadelen - is in dit geval van de beleidsbepalers van KPNQwest niet gesteld en ook nauwelijks voorstelbaar.

4.13 Het enkele, te betreuren feit dat de vele aandelen van het beleggend publiek in KPNQwest waardeloos zijn geworden en dat de "maatschappelijke schade" wellicht groot is, vormt in het licht van voormelde jurisprudentie van de Hoge Raad eveneens onvoldoende belang om het verzochte voorlopig getuigenverhoor toe te laten. Dit waardeloos worden van aandelen is in beginsel ook een aan beleggen in aandelen inherent risico dat voor rekening van minderheidsaandeelhouders moet blijven, tenzij jegens hen specifieke zorgvuldigheidsnormen zijn geschonden of concreet te stellen misleiding van het beleggend publiek heeft plaatsgevonden. Aan die in een bijzonder geval als dit bijzondere stelplicht hebben verzoekers naar het oordeel van de rechtbank in dit verzoekschrift en ter zitting bij pleitnota niet voldaan.

4.14 Onder die omstandigheden weegt zwaar en geeft de doorslag het belang van de voorgestelde 33 getuigen, de wederpartijen en de rechtbank om niet te worden belast met het in dit verzoekschrift verzochte omvangrijke en uitputtende, maar vooralsnog voor de voorgenomen vordering van verzoekers weinig zinvolle voorlopig getuigenverhoor naar in feite alle details van de opkomst en ondergang van KPNQwest van 1999 tot en met mei 2002 en de mogelijk onrechtmatige rol van haar beleidsbepalers daarbij. In zoverre heeft dit verzoekschrift - nu niet met enige mate van concreetheid is gesteld welke concrete misleiding van het beleggend publiek vermoedelijk heeft plaatsgevonden of welke specifieke zorgvuldigheidsnorm door de beleidsbepalers en grootaandeelhouders zou kunnen zijn geschonden ter beperking van de rechtens relevante thema's van het voorlopig getuigenverhoor - het karakter van een nagenoeg onbeperkte, voor nagenoeg alle betrokkenen zeer belastende, en voor een voorlopig getuigenverhoor naar huidige maatstaven als ontoelaatbaar te beschouwen "visexpeditie".

4.15 De rechtbank komt alles afwegende tot de slotsom dat zij dit verzoek in dit verzoekschrift in de bijzondere omstandigheden van dit specifieke geval behoort af te wijzen. Gelet op de inhoud van de gedingstukken en haar beslissingen zal de rechtbank de proceskosten tussen verzoekers en verweerster Qwest compenseren. Verzoekers moeten als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van verweerster KPN, tot heden begroot op € 251,- aan griffierecht en € 452,- aan salaris procureur, dat is in totaal € 703,-.

BESLISSINGEN

De rechtbank:

* wijst het verzoek tot het houden van dit voorlopig getuigenverhoor af;

* veroordeelt verzoekers [verzoeker sub 1] en de stichting VEB-actie KPNQwest hoofdelijk tot betaling aan verweerster KPN BV van haar proceskosten, tot heden in totaal begroot op € 703,-;

* compenseert de proceskosten tussen verzoekers en verweerster Qwest BV.

Deze beschikking is gegeven door de mrs H. Wien, M.P. de Valk en J.A. van Dorp, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2007 in het bijzijn van de griffier J. Kriense Lokker.