Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA5864

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
Awb 07/3698 en Awb 07/3697
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublinclaim / Griekenland / interstatelijk vertrouwensbeginsel / non-refoulement

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omstandigheid dat uit de notitie, die de Griekse autoriteiten aan de lidstaten hebben doen toekomen, blijkt dat de Griekse autoriteiten sinds juni 2006 de werkwijze, die wordt gehanteerd bij de behandeling van asielverzoeken van door Griekenland teruggenomen asielzoekers, hebben aangepast, niet betekent dat thans zonder meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De voorzieningenrechter acht in dit verband van belang dat uit paragraaf 1.4 van het UNHCR rapport ‘position on important aspects of Refugee Protection in Greece’ van november 2004, samengevat en voor zover van belang, blijkt dat in Griekenland in vergelijking met de andere lidstaten van de Europese Gemeenschap, nauwelijks asielaanvragen worden ingewilligd. Verder blijkt hieruit dat alle besluiten in eerste aanleg op asielaanvragen in Griekenland negatief zijn. Daarbij komt dat verzoeker heeft aangegeven dat het voor hem niet mogelijk was in Griekenland asiel aan te vragen en dat hij na zes maanden uit Griekenland moest vertrekken. Aldus zijn volgens de voorzieningenrechter zodanige algemene inlichtingen gegeven en concrete, op de zaak betrokken feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt, dat verweerder niet zonder meer heeft kunnen volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ter onderbouwing van de stelling dat Griekenland het beginsel van non-refoulement eerbiedigt. Beroep gegrond. Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector bestuursrecht

voorzieningenrechter

regnr.: Awb 07/3698 (voorlopige voorziening) Awb 07/3697 (beroep)

UITSPRAAK

inzake: [verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1966,

van Soedanese nationaliteit,

IND dossiernummer 0608.22.0124,

gemachtigde: mr. F.H. Koers, advocaat te Zwolle,

verzoeker;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

als rechtsopvolger van de Minister van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst), te 's-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. P. van de Berg, ambtenaar ten departemente, verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 21 augustus 2006 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 22 januari 2007 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

1.2 Bij brief van 24 januari 2007 is daartegen beroep ingesteld. Verzoeker mag de behandeling van het beroep niet in Nederland afwachten. Bij verzoekschrift van 24 januari 2006 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in beroep is beslist. Het verzoek is voorzien van gronden bij brief van 15 februari 2007.

1.3 Het verzoek is ter zitting van 20 maart 2007 behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Overwegingen

2.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat voldaan wordt aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoeker in afwachting van de beslissing op beroep moet worden verboden.

2.2 Ingevolge artikel 30, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

2.3 Griekenland heeft niet tijdig gereageerd op het terugnameverzoek, zodat Griekenland op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (Vo 343/2003), wordt geacht in te stemmen met terugname van verzoeker.

2.4 Verzoeker heeft betoogd dat getwijfeld kan worden of de asielprocedure in Griekenland conform de internationale verplichtingen geschiedt. Verzoeker heeft in dit kader gewezen op de Presidential Decree 61/99 (PD 61/99), het rapport ‘UNHCR position on important aspects of Refugee Protection in Greece’ van november 2004, paragraaf 2.1 van het rapport van Amnesty International IOP 41/060/2005 en het onderzoek dat door de Europese Commissie plaatsvindt. Dit wordt bevestigd door de ervaringen van verzoeker in Griekenland. Zo was het voor hem aldaar niet mogelijk asiel aan te vragen en moest hij na zes maanden uit Griekenland vertrekken. Het vorenstaande klemt te meer nu door de Griekse autoriteiten in het geheel niet is gereageerd op het verzoek van Nederland. De Griekse asielregelgeving is voorts niet in overeenstemming met de Europese Definitierichtlijn. Van belang is dat de Griekse procedure geen rechterlijke toetsing kent bij afwijzing van een asielaanvraag, hetgeen in strijd is met artikel 39 van de Procedurerichtlijn en artikel 13 (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ter zitting wijst verzoeker nog op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 7 maart 2000 (nr. 43844/98, JV 2000/103).

2.5 Verweerder heeft gewezen op een notitie die de Griekse autoriteiten aan de lidstaten hebben doen toekomen, waarin wordt ingegaan op de werkwijze die sinds juni 2006 wordt gehanteerd bij de behandeling van asielverzoeken van door Griekenland teruggenomen asielzoekers. Die werkwijze, die naar verwachting medio 2007 in de Griekse asielwetgeving zal worden opgenomen, biedt verweerder voldoende aanknopingspunten om ten aanzien van Griekenland uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder acht daarbij van belang dat thans duidelijk is dat de asielaanvraag, anders dan op grond van het huidige artikel 2.8 van de Griekse PD 61/99 tot dusverre het geval was, van naar Griekenland overgedragen vreemdelingen (inhoudelijk) wordt beoordeeld.

Verweerder heeft in dit verband voorts aangegeven dat de omstandigheid dat de Europese Commissie juridische stappen jegens Griekenland heeft ingezet en deze niet zijn stopgezet, niet betekent dat Nederland niet van de inhoud van de notitie mag uitgaan.

2.6 De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat de betreffende notitie van de Griekse autoriteiten bij de beoordeling van het onderhavige verzoek kan worden betrokken, reeds nu in een voorlopige voorzieningenprocedure, ingevolge artikel 8:83 Awb, tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend.

2.7 De omstandigheid dat de Griekse autoriteiten de werkwijze hebben aangepast als hiervoor geschetst, betekent niet dat thans zonder meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De voorzieningenrechter acht in dit verband van belang dat uit paragraaf 1.4 van het UNHCR rapport van november 2004 blijkt, zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang:

- in 2002 werd in Griekenland 0,3 % van alle asielzoekers als verdragsvluchteling erkend; in totaal werd van alle aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning 1,0 % ingewilligd (inclusief erkenning als verdragsvluchteling en verlening van verblijfsvergunningen om humanitaire redenen); In alle lidstaten van de Europese Gemeenschap gezamenlijk bedroegen die percentages in 2001 onderscheidenlijk 11,2 en 22,4 %);

- in 2003 werd in Griekenland 0,06 % van alle asielzoekers als verdragsvluchteling erkend; in totaal werd van alle aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning 0,6 % ingewilligd (inclusief erkenning als verdragsvluchteling en verlening van verblijfsvergunningen om humanitaire redenen); In alle lidstaten van de Europese Gemeenschap gezamenlijk bedroeg het percentage ingewilligde aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning (inclusief erkenning als verdragvluchteling en verlening van een verblijfsvergunning om humanitaire redenen) in 2003 21 %;

- In de eerste zes maanden van 2004 werd in Griekenland 0,3 % van alle asielzoekers als verdragsvluchteling erkend; in totaal werd van alle aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning 1,07 % ingewilligd (inclusief erkenning als verdragsvluchteling en verlening van verblijfsvergunningen om humanitaire redenen).

In die paragraaf is voorts vermeld:

- “These results are to a large extent due to the fact that all decisions taken by the Ministry of Public Order at first instance are negative, whereas in the second instance positive recommendations made by the refugee appeals board are often not followed by the Minister. Furthermore, persons who according to international principles as well as the Greek national law (Presidential Decree no. 61/99) should be granted complementary protection (humanitarians status), such as persons who would be at serious risk of torture, inhuman or degrading treatment or generalised violence in a conflict situation, are generally denied this protection”.

Aldus zijn zodanige algemene inlichtingen gegeven en concrete, op de zaak betrokken feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt, dat verweerder niet zonder meer heeft kunnen volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ter onderbouwing van de stelling dat Griekenland het beginsel van non-refoulement eerbiedigt.

2.8 Het vorenstaande in aanmerking genomen is het bestreden besluit in strijd met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en ontbeert deze een draagkrachtige motivering. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden, verklaart de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:86 Awb, het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb.

2.9 Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt, gelet op de gegrondverklaring van het beroep, afgewezen.

2.10 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.

3 BESLISSING

De voorzieningenrechter

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 966,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker dient te vergoeden;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. Wisman als griffier op

Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: