Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA5562

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
23-05-2007
Zaaknummer
274852- JE RK 06-2277
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing nu aan de gronden niet, althans niet meer is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Familie- en Jeugdrecht

Meervoudige kamer

VERLENGING MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING

zaak/rekestnummer: 274852 / JE RK 06-2277

datum uitspraak: 17 april 2007

BESCHIKKING op het verzoekschrift van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Leidschendam-Voorburg (hierna te noemen: Bureau Jeugdzorg).

Het verzoekschrift heeft betrekking op de minderjarige:

[minderjarige],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

kind van:

[de moeder] (hierna te noemen: de moeder),

wonende te [adres],

die het ouderlijk gezag alleen uitoefent,

en erkend door:

[de vader] (hierna te noemen: de vader),

wonende te [adres 2]

De minderjarige verblijft feitelijk in een voorziening voor pleegzorg.

PROCESGANG

- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 28 februari 2006 de minderjarige onder toezicht gesteld van 6 maart 2006 tot 6 december 2006.

- Voorts heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij beschikking d.d. 4 juli 2006 aan Bureau Jeugdzorg machtiging verleend voornoemde minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 5 juli 2006 tot 6 december 2006.

- Op 16 oktober 2006 heeft Bureau Jeugdzorg een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van de ondertoezichtstelling. Daarbij is een indicatiebesluit met de bijbehorende aanvraag overgelegd.

- De kinderrechter heeft bij beschikking d.d. 5 december 2006 de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 6 december 2006 tot 6 december 2007 alsmede de machtiging uithuisplaatsing verlengd van 6 december tot 7 maart 2007, en iedere verdere beslissing omtrent het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing aangehouden tot de terechtzitting van 6 maart 2007.

- De kinderrechter heeft voorts bij beschikking d.d. 6 maart 2007 de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd van 7 maart 2007 tot 4 april 2007.

- Bij beschikking d.d. 3 april 2007 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd van 4 april 2007 tot 20 april 2007 en tevens de behandeling van de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:

- de (fax)brief d.d. 13 april 2007 met bijlagen van mr. G. van der Steen, advocaat van de moeder;

- de (fax)brief d.d. 13 april 2007 met bijlagen van Bureau Jeugdzorg.

Het verzoekschrift is op 17 april 2007 opnieuw ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- namens Bureau Jeugdzorg: mevrouw C. van den Horst, gedragsdeskundige, en

mevrouw D. Wijnands, gezinsvoogd;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader.

Van de zijde van de moeder zijn ter zitting aanvullende producties (twee brieven) overgelegd.

BEOORDELING

De conclusie die volgens het FPD rapport - opgesteld onder verantwoordelijkheid van mevrouw drs. M.M. Schouten, ontwikkelingspsychologe van het Haags Ambulatorium - moet worden getrokken is dat terugplaatsing bij vader of moeder voorlopig wordt afgeraden. Weliswaar zijn er volgens het rapport indicaties te noemen voor terugplaatsing van de minderjarige bij vader of moeder; zo zijn zij de enige twee mensen aan wie [de minderjarige] daadwerkelijk gehecht lijkt, voelt zij zich relatief bij hen op haar gemak en is zij bekend met hun thuissituatie. Deze indicaties wegen blijkens het rapport evenwel niet op tegen de volgende - kort weergegeven - contra-indicaties die er zijn te noemen voor terugplaatsing:

- de zeer zorgelijke sociaal-emotionele en gehechtheidontwikkeling van [de minderjarige], waarmee absoluut geen risico meer mag worden genomen;

- het feit dat de ouders allebei onvoldoende inzicht hebben in de belevingswereld van de minderjarige en haar hechtingsproblematiek te weinig onderkennen;

- het feit dat de pedagogische en affectieve mogelijkheden van moeder in belangrijke opzichten te wensen over laten;

- het feit dat de pedagogische kwaliteiten van vader redelijk zijn, doch het de vraag is of hij de intensieve begeleiding die [de minderjarige] nodig heeft, zal kunnen bieden;

- de onzekerheid met betrekking tot de vraag of moeder in de toekomst een stabiele thuissituatie zal kunnen blijven bieden gezien haar (veelvuldige) drugsgebruik in het verleden, haar suïcidale uitingen en politiecontacten.

Op basis van de rapportage en de ervaringen van Bureau Jeugdzorg Voorburg, is Bureau Jeugdzorg van mening dat terugplaatsing van [de minderjarige] bij moeder of vader op dit moment niet gewenst is, zodat hij het verzoek, de machtiging uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, handhaaft. Ter zitting heeft Bureau Jeugdzorg verklaard dat de problematiek van de minderjarige misschien milder is dan uit de beantwoording van de onderzoeksvragen van het FPD-rapport blijkt. Niettemin zijn er volgens Bureau Jeugdzorg wel degelijk hechtingsproblemen, die maken dat [de minderjarige] meer duidelijkheid en structuur nodig heeft dan leeftijdsgenoten en die een intensieve begeleiding vergen. Die structuur en mate van begeleiding lijkt moeder in ieder geval thans nog niet te kunnen bieden, ondanks het feit dat Bureau Jeugdzorg ziet dat moeder serieus aan de slag is gegaan met haar problemen. Voorts heeft Bureau Jeugdzorg erkend dat de hulpverlening met betrekking tot de moeder/kind-relatie tot nu toe eigenlijk onvoldoende is geweest en dat verschillende uithuisplaatsingen wellicht een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de problemen van [de minderjarige], doch dat zulks evengoed kan gelden voor de gebeurtenissen vóór die tijd, toen [de minderjarige] nog thuis woonde. Bureau Jeugdzorg constateert voorts dat het gebrek aan hechting in het huidige pleeggezin mogelijkerwijs voortvloeit uit de houding van moeder - die erg gericht is op hereniging - jegens [de minderjarige]. Het onderzoek was met name op een eventuele terugplaatsing naar moeder gericht en niet op een plaatsing bij vader, nu het de eerste wens van de minderjarige was om terug te gaan naar haar moeder. Bureau Jeugdzorg ziet aanleiding de minderjarige in een "pleeggezin op maat" te plaatsen, en niet, zoals in het FPD-rapport wordt geadviseerd, in een perspectiefbiedend pleeggezin, nu het nog te vroeg is om te concluderen dat de ouders geen rol meer zullen kunnen spelen als verzorgers en het eveneens te vroeg is voor therapie vanuit de thuissituatie bij moeder. De plaatsing in het nieuwe pleeggezin zal meer gericht zijn op het hebben van contact tussen de minderjarige en de ouders en laat de mogelijkheden open om de minderjarige op termijn bij vader of moeder (terug) te plaatsen.

Van de zijde van de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. In de eerste plaats is zij van mening dat er door Bureau Jeugdzorg slordig is gehandeld, nu er bijvoorbeeld binnen korte tijd onnodig vaak van gezinsvoogd is gewisseld, zodat er niemand is aan de zijde van Bureau Jeugdzorg die echt een goed zicht heeft op de situatie. Het tweede pleeggezin, dat in allerijl is geregeld, blijkt in het geheel niet bij [de minderjarige] te passen; het betreft een streng religieus gezin - [de minderjarige] is door moeder niet religieus opgevoed - en het klikt niet bepaald tussen [de minderjarige] en pleegmoeder, terwijl [de minderjarige] het in het eerste pleeggezin juist wel naar haar zin leek te hebben. Moeder heeft voorts het gevoel dat er nooit echt naar haar geluisterd wordt door Bureau Jeugdzorg en dat haar inspanningen om haar leven op de rails te krijgen niet of nauwelijks worden opgemerkt. Het feit dat moeder er in ieder geval voor heeft gezorgd dat [de minderjarige] goed thuis terecht kan, bijvoorbeeld door het zoeken van een geschikte school, wordt bovendien door Bureau Jeugdzorg negatief geïnterpreteerd.

De moeder betwist voorts de kwaliteit van het rapport. De conclusie dat zij enkele belangrijke opvoedkundige kwaliteiten mist, vindt zij te kort door de bocht, nu deze conclusie is gebaseerd op een enkel gesprek en één interactieobservatie. Gedurende deze interactieobservatie was de moeder erg nerveus en ervoer zij veel druk nu zij wist hoeveel er vanaf hing. [de minderjarige] wist, gelet op haar leeftijd en intelligentieniveau, ook hoeveel er van dat ene spelmoment afhing waardoor ook zij onder grote druk stond. Ook de conclusie dat er sprake zou zijn van een hechtingsstoornis is onvoldoende onderbouwd, aldus moeder. Voor zover daar al sprake van is, is dat volgens haar vooral te wijten aan de (onzorgvuldige) pleeggezinplaatsingen.

Moeder is van mening dat zij haar leven heeft gebeterd en dat zij heeft aangetoond dat zij weer in staat is [de minderjarige] een goede opvoeding te bieden.

De vader heeft ter zitting eveneens verweer gevoerd tegen het verzoek van Bureau Jeugdzorg. Hij heeft vraagtekens geplaatst bij de zorgelijke situatie die Bureau Jeugdzorg schetst van de toestand van [de minderjarige]. Vader ontkent niet dat er problemen zijn, doch [de minderjarige] functioneert volgens hem minder slecht dan in het rapport gesteld wordt en Bureau Jeugdzorg wil doen geloven. Op school presteert [de minderjarige] zelfs uitstekend, waarbij vader onder meer verwijst naar de overgelegde schoolrapporten; zij lijkt over het algemeen lekker in haar vel te zitten. In het rapport wordt voorts de nadruk gelegd op het laatste pleeggezin, waar [de minderjarige] het absoluut niet naar haar zin heeft, terwijl het eerste pleeggezin - waar het goed ging - niet bij het onderzoek werd betrokken. Wat vader helemaal verbaast, is dat de mening van de huidige pleegouders over vader en moeder bij het onderzoek is meegenomen. Daargelaten dat pleegouders geen goed beeld kunnen hebben van vader en moeder, hebben zij tegenover de vader verklaard op dit punt niets te hebben gezegd. Ten slotte grieft het de vader dat zijn rol als eventueel verzorgende ouder bij het onderzoek niet of nauwelijks is belicht.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat er bepaalde zorgen zijn aan te wijzen in de emotionele ontwikkeling van [de minderjarige], doch dat de verregaande conclusies die de FPD aan het diagnostisch onderzoek verbindt en die ook Bureau jeugdzorg formuleert niet door de beschikbare informatie worden gerechtvaardigd. Zo zijn er weinig stukken voorhanden waaruit de gestelde (mate van) hechtingsproblematiek blijkt. Uit de overgelegde schoolrapporten blijkt dat de minderjarige op school uitstekend presteert en ook op het gebied van sociale vaardigheden ruim voldoende scoort. Het beeld van [de minderjarige] lijkt zwaar te steunen op de beschrijving van (het gedrag van) [de minderjarige] door de (tweede)pleegmoeder, waarbij de rechtbank de informatie uit het eerste pleegezin, waar het wel goed liep met [de minderjarige], node mist.

Ook de conclusies omtrent de pedagogische kwaliteiten van de moeder acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Natuurlijk zijn er ernstige zaken voorgevallen in het niet zo verre verleden, maar in tegenstelling tot Bureau Jeugdzorg, acht de rechtbank de moeder thans voldoende bewust van de situatie en doordrongen van het feit dat zij zich ten volle moet inspannen teneinde haar dochter niet opnieuw te verliezen. De rechtbank constateert ook dat de moeder de afgelopen periode veel heeft gedaan om haar leven ten goede te keren en hulp heeft gezocht voor haar problemen. Het beeld dat de moeder laat zien, maakt dat de rechtbank er op dit moment voldoende vertrouwen in heeft dat zij met behulp van - intensieve begeleiding van - de gezinsvoogd in staat is een stabiele omgeving aan [de minderjarige] te bieden. Wat daarbij een positieve rol speelt is dat vader - die ter zitting heeft verklaard met instemming van moeder het (gezamenlijk) gezag over [de minderjarige] aan te zullen vragen - en moeder kennelijk goed in staat zijn om tezamen over de minderjarige te communiceren, zodat ook hun onderlinge verhouding als ex-partners geen complicerende factor vormt bij de opvoeding van [de minderjarige]. Voorts hebben beide ouders blijk gegeven ten volle mee te willen werken aan de hulpverlening.

Gezien het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat aan de in artikel 1:261 lid 1 Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een uithuisplaatsing niet, althans niet meer, is voldaan, zodat zij het verzoek van Bureau Jeugdzorg afwijst en derhalve zal beslissen als na te melden.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Dam (voorzitter, tevens kinderrechter), M.J. van den Bergh en Y.J. Wijnnobel-van Erp, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2007, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage.