Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA5422

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
22-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/16763 en AWB 06/16765
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Karakter 14-1 aanvraag / asiel of regulier / discretionaire bevoegdheid / weigering te beslissen

Na afwijzing van hun asielaanvragen hebben eisers verweerder bij brief van 12 oktober 2003 verzocht de zaak te heroverwegen met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid. Verweerder heeft deze brief aangemerkt als een asielaanvraag. Bij schrijven van 19 december 2005 hebben eisers verweerder erop gewezen dat hun aanvraag niet het karakter heeft van een asielaanvraag maar van een reguliere aanvraag. Bij de aanvraag hebben zij duidelijk de schrijnende omstandigheden en de mate van inburgering beschreven en erop gewezen dat zij nimmer de intentie hebben gehad om een tweede asielverzoek in te dienen omdat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Verweerder heeft de aanvraag van eisers niettemin opgevat als herhaalde asielaanvraag en deze aanvraag afgewezen. De rechtbank overweegt dat aan verweerder moet worden toegegeven dat de inhoud van de brief van 12 oktober 2003 bij eerste lezing lijkt te duiden op een verzoek tot heroverweging van de asielbesluiten, maar dat in de brief evenzeer melding wordt gemaakt van feiten en omstandigheden die dateren van na de binnenkomst van eisers in Nederland en die ook overigens in geen enkel opzicht asielgerelateerd zijn. Deze feiten en omstandigheden kunnen daarom niet anders dan als een onderbouwing van gestelde schrijnende omstandigheden worden aangemerkt, temeer daar eisers verweerder hebben verzocht gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid, hetgeen verwijst naar de toepassing van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000. De rechtbank overweegt dat in een geval als het onderhavige, waarin een zogenaamde 14/1-brief moet worden aangemerkt als een aanvraag, terwijl uit de brief niet heel duidelijk blijkt om welk type aanvraag het daarbij zou moeten gaan, het niet zo mag zijn dat de beoordeling daarvan door verweerder afhankelijk is van de toevallige bewoordingen waarin de betreffende brief is gesteld. De rechtbank acht verder van belang dat eisers in reactie op verweerders mededeling dat de brief van 12 oktober 2003 als een asielaanvraag zou worden opgevat, bij brief van 19 december 2005 uitdrukkelijk hebben aangegeven dat de brief van 12 oktober 2003 als een reguliere aanvraag moet worden aangemerkt en daarbij melding hebben gemaakt van verweerders bevoegdheid ex artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000. De rechtbank is – onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 2 maart 2007 (nr. 200608053/1) – van oordeel dat verweerder ten onrechte aan genoemde brief van eisers van 19 december 2005 is voorbijgegaan. De rechtbank concludeert dat de brief van eisers van 12 oktober 2003 een hybride karakter draagt en als gevolg daarvan door verweerder had moeten worden aangemerkt als inhoudende een verzoek om heroverweging van de asielbesluiten teneinde alsnog in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel en voorts tevens, dan wel subsidiair, een verzoek om met gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid ex artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 een reguliere verblijfsvergunning te verlenen. Tegen die achtergrond moet de reactie van verweerder van 30 december 2005, in combinatie met het uitgebrachte voornemen van 6 februari 2006, tevens worden opgevat als een weigering om een beslissing te nemen op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning bepaalde tijd regulier, een en ander als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen die weigering is door eisers op 2 maart 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder en de thans bestreden besluiten moeten aldus mede worden gezien als beslissingen op bezwaar. Voor zover de thans bestreden besluiten dienen te worden aangemerkt als beschikkingen op bezwaar inzake de weigering een beslissing te nemen op de aanvraag van eisers een reguliere verblijfsvergunning te verlenen is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte die weigering in bezwaar heeft gehandhaafd. De beroepen dienen dan ook in zoverre gegrond te worden verklaard. De bestreden besluiten komen voor vernietiging in aanmerking wegens een onjuiste toepassing van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank acht voorts termen aanwezig zelf in de zaak te voorzien in die zin dat het bezwaar van eisers tegen verweerders weigering een beslissing te nemen op de aanvraag van eisers een reguliere verblijfsvergunning te verlenen gegrond wordt verklaard met herroeping van het primaire besluit. Verder zal de rechtbank verweerder opdragen alsnog een besluit te nemen op de aanvraag van eisers hen in aanmerking te brengen voor een reguliere verblijfsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 06/16763 en AWB 06/16765

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2007

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1976,

eiser,

en

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1980,

eiseres,

gezamenlijk te noemen: eisers,

nationaliteit: burgers van Montenegro,

gemachtigde mr. A. Barada,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. F.S. Schoot.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de Minister van Justitie.

Op 12 oktober 2003 is namens eisers bij verweerder een aanvraag ingediend, waarbij is verzocht om hun alsnog verblijf in Nederland te verlenen.

Verweerder heeft eisers bij schrijven van 1 december 2005 medegedeeld dat hun brief van 12 oktober 2003, gelet op de inhoud daarvan, wordt aangemerkt als een asielaanvraag.

Bij schrijven van 19 december 2005 hebben eisers verweerder erop gewezen dat hun brief van 12 oktober 2003 niet het karakter heeft van een asielaanvraag, maar, gelet op de aangevoerde schrijnende omstandigheden, het karakter heeft van een reguliere aanvraag.

Bij schrijven van 30 december 2005 heeft verweerder eisers medegedeeld de aanvraag toch als asielaanvraag te beschouwen, waarna verweerder op 6 februari 2006 een voornemen heeft genomen tot afwijzing van de aanvraag.

Op 2 maart 2006 hebben eisers een zienswijze ingediend.

Bij besluiten van 6 maart 2006 heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen

Tegen deze besluiten hebben eisers op 3 april 2006 beroep ingesteld. De gronden dateren van 1 mei 2006.

Tevens hebben eisers de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat uitzetting van eisers achterwege wordt gelaten totdat uitspraak zal zijn gedaan op de beroepen. De verzoeken zijn geregistreerd onder nummers AWB 06/16764 en AWB 06/16766.

De zaken zijn behandeld op de zitting van 27 april 2007, waar eisers zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of de besluiten van 6 maart 2006 in rechte stand kunnen houden.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de beroepen uit van de volgende feiten. Eisers zijn op 12 oktober 1999 Nederland ingereisd en hebben op 31 oktober 1999 aanvragen ingediend om toelating als vluchteling. Bij besluiten van 18 oktober 2000 zijn voornoemde aanvragen afgewezen. Daarbij is ambtshalve overwogen dat eisers niet in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard. De tegen deze besluiten ingediende bezwaarschriften zijn bij besluiten van 25 januari 2001 niet-ontvankelijk verklaard. De hiertegen ingediende beroepschriften zijn ongegrond verklaard bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 14 november 2002 (AWB 01/8427). Het tegen deze uitspraak gedane verzet is ongegrond verklaard bij uitspraak van 20 oktober 2003.

3. Bij brief van 12 oktober 2003 hebben eisers verweerder het volgende verzoek gedaan:

“Het gezin heeft op 12 oktober 1999 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Ze zijn afkomstig uit FRJ regio Sandjak en behoren tot de moslim minderheid. Door een verzuim van hun voormalige gemachtigde is het bezwaarschrift van kliënten door u niet ontvankelijk verklaard en heeft er verder geen inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden. Op dit moment zijn kliënten in afwachting van een uitspraak op verzet. Kliënten verblijven ruim vier jaar hier te lande en zijn dus nog steeds in hun eerste procedure. Zij hebben zich zoveel mogelijk aan de Nederlandse samenleving aangepast en de Nederlandse taal eigen gemaakt. Hun beide kinderen zijn hier te lande geboren wat een band met Nederland alleen maar sterker maakt. Kliënten hebben bij de aanvraag openhartig over hun problemen in het land van herkomst gesproken, ze hebben daarbij tevens hun originele paspoorten overgelegd om zich te kunnen legitimeren en volledige medewerking te verlenen want ze kwamen tenslotte hier te lande om bescherming en hulp te vragen.

Wilt u zo vriendelijk zijn om deze zaak alsnog te heroverwegen met gebruikmaking van uw discretionaire bevoegdheid?”

4. Bij schrijven van 1 december 2005 heeft verweerder eisers – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 19 november 2004 (200404931/1, JV 2005/26) medegedeeld dat de brief van eisers van 12 oktober 2003 wordt aangemerkt als een asielaanvraag.

5. Bij schrijven van 19 december 2005 hebben eisers verweerder erop gewezen dat hun aanvraag niet het karakter heeft van een asielaanvraag maar van een reguliere aanvraag. Bij de aanvraag zijn duidelijk de schrijnende omstandigheden en de mate van inburgering beschreven. Eisers hebben nimmer de intentie gehad om een tweede asielverzoek in te dienen, aangezien er gewoonweg geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden waarmee een tweede asielverzoek zou kunnen worden onderbouwd, zodat een tweede asielverzoek volstrekt kansloos is, aldus eisers.

6. Met de thans bestreden besluiten van 6 maart 2006 heeft verweerder de aanvraag van eisers niettemin opgevat als bevattende een herhaalde asielaanvraag en deze aanvraag afgewezen.

7. Partijen worden verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag of verweerder de aanvraag van 12 oktober 2003 heeft mogen aanmerken als louter bevattende een (herhaalde) asielaanvraag. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

8. Aan verweerder moet worden toegegeven dat de inhoud van de brief van 12 oktober 2003 bij eerste lezing lijkt te duiden op een verzoek tot heroverweging van de asielbesluiten van 18 oktober 2000. De vermelding dat door omstandigheden geen inhoudelijke beoordeling van de aanvraag om toelating als vluchteling heeft plaatsgevonden in combinatie met de bewoordingen “deze zaak alsnog te heroverwegen” vormt daartoe een aanwijzing. Daar staat echter tegenover dat in de brief evenzeer melding wordt gemaakt van feiten en omstandigheden die dateren van na de binnenkomst van eisers in Nederland en ook overigens in geen enkel opzicht asielgerelateerd zijn. Deze feiten en omstandigheden kunnen daarom niet anders dan als een onderbouwing van gestelde schrijnende omstandigheden worden aangemerkt. Bovendien eindigt het verzoek met de bewoordingen “met gebruikmaking van uw discretionaire bevoegdheid”, hetgeen verwijst naar de toepassing van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

9. De rechtbank volgt niet de zienswijze van verweerder dat de passage in de brief van 12 oktober 2003 over het naar Nederland komen om bescherming en hulp te vragen eveneens zou moeten worden aangemerkt als een aanwijzing voor het asielkarakter van de aanvraag. De passage volgt immers na de vermelding van verschillende niet asielgerelateerde aspecten en kan evenzeer worden aangemerkt als een benadrukking van de goede trouw aan de zijde van eisers toen zij naar Nederland kwamen. Het gebruik van de verleden tijd “kwamen” duidt daarbij eerder op een louter feitelijke vaststelling in de tijd dan bijvoorbeeld het gebruik van de voltooid tegenwoordige tijd “zijn gekomen” dat meer zou kunnen duiden op het nog steeds aanwezige doel om bescherming te krijgen.

10. Wat daar verder ook van zij, in een geval als het onderhavige, waarin een zogenaamde 14/1-brief moet worden aangemerkt als een aanvraag, terwijl uit de brief niet heel duidelijk blijkt om welk type aanvraag het daarbij zou moeten gaan, mag het niet zo zijn dat de beoordeling daarvan door verweerder afhankelijk is van de toevallige bewoordingen waarin de betreffende brief is gesteld.

11. In dat verband acht de rechtbank opmerkelijk dat de gemachtigde van eisers er in beroep op heeft gewezen dat hij verweerder in andere zaken (te weten IND nummers 0008-29-8050, 9902-24-8076 en 9902-14-8009 alsmede de nummers 9810-11-8039 en 9805-25-8001) brieven heeft gezonden met dezelfde strekking als de brief van 12 oktober 2003 die namens eisers is ingediend en dat die brieven door verweerder wel als reguliere aanvragen zijn beschouwd. In beroep zijn van die brieven afschriften overgelegd. Het meest in het oog springt daarbij de brief van 21 oktober 2003 in de zaak met IND nummers 9902-24-8076 en 9902-14-8009 met de volgende inhoud.

“Het gezin heeft op 26 februari 1999 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Kliënten behoren tot de groep Slavische moslims en zijn afkomstig uit Kosovo. Op hun aanvraag is op 20 augustus j.l. definitief negatief beslist. Kliënten verblijven ruim 4 en half jaar hier te lande. Hun kinderen zijn schoolgaand en beheersen de Nederlandse taal veel beter dan hun moedertaal. Het hele gezin is ingeburgerd. Kliënten vrezen dat zij bij terugkeer naar Kosovo het risico lopen hun leven te verliezen wegens hun etnische afkomst. Amnesty International heeft nog onlangs haar grote bezorgdheid geuit omtrent de moordaanslagen op minderheden in Kosovo.

Wilt u zo vriendelijk zijn om deze zaak alsnog te heroverwegen met gebruikmaking van uw discretionaire bevoegdheid?”

Deze brief toont naar het oordeel van de rechtbank inhoudelijk zeer veel overeenkomst met de brief van eisers. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom bovenstaande brief van 21 oktober 2003 in tegenstelling tot de brief van eisers door verweerder wel als reguliere aanvraag is aangemerkt.

12. De rechtbank acht verder van belang dat eisers in reactie op verweerders mededeling van 1 december 2005 dat de brief van 12 oktober 2003 als een asielaanvraag zou worden opgevat, bij brief van 19 december 2005 uitdrukkelijk hebben aangegeven dat de brief van 12 oktober 2003 als een reguliere aanvraag moet worden aangemerkt. Voor alle duidelijkheid hebben eisers daarbij melding gemaakt van verweerders bevoegdheid ex artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000. De rechtbank is – onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 2 maart 2007 (nr. 200608053/1) – van oordeel dat verweerder ten onrechte aan genoemde brief van eisers van 19 december 2005 is voorbijgegaan.

13. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de brief van eisers van 12 oktober 2003 een hybride karakter draagt en als gevolg daarvan door verweerder had moeten worden aangemerkt als inhoudende een verzoek om heroverweging van de asielbesluiten van 18 oktober 2000 teneinde alsnog in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel en voorts tevens, dan wel subsidiair, een verzoek om met gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid ex artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 een reguliere verblijfsvergunning te verlenen.

14. Tegen die achtergrond moet de reactie van verweerder van 30 december 2005, in combinatie met het uitgebrachte voornemen van 6 februari 2006, tevens worden opgevat als een weigering om een beslissing te nemen op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning bepaalde tijd regulier, een en ander als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen die weigering is door eisers op 2 maart 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder en de thans bestreden besluiten moeten aldus mede worden gezien als beslissingen op bezwaar.

15. De rechtbank constateert dat voor zover de bestreden besluiten zien op de afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), daartegen geen beroepsgronden zijn aangevoerd, zodat dit onderdeel verder geen bespreking behoeft.

16. Voor zover de thans bestreden besluiten dienen te worden aangemerkt als beschikkingen op bezwaar inzake de weigering een beslissing te nemen op de aanvraag van eisers een reguliere verblijfsvergunning te verlenen is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte die weigering in bezwaar heeft gehandhaafd.

17. De beroepen dienen dan ook in zoverre gegrond te worden verklaard. De bestreden besluiten komen voor vernietiging in aanmerking wegens een onjuiste toepassing van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank acht voorts termen aanwezig zelf in de zaak te voorzien in die zin dat het bezwaar van eisers tegen verweerders weigering een beslissing te nemen op de aanvraag van eisers een reguliere verblijfsvergunning te verlenen gegrond wordt verklaard met herroeping van het primaire besluit. Verder zal de rechtbank verweerder opdragen alsnog een besluit te nemen op de aanvraag van eisers hen in aanmerking te brengen voor een reguliere verblijfsvergunning.

18. Nu de beroepen (deels) gegrond worden verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,-;

• wegingsfactor 1.

19. Aangezien ten behoeve van eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

20. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 6 maart 2006, voor zover verweerder daarbij zijn weigering een beslissing te nemen op de aanvraag van eisers een reguliere verblijfsvergunning te verlenen heeft gehandhaafd;

- verklaart het bezwaar van eisers tegen verweerders weigering een beslissing te nemen op de aanvraag van eisers een reguliere verblijfsvergunning te verlenen gegrond;

- herroept het primaire besluit vervat in verweerders brief van 30 december 2005;

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten dient te nemen op de aanvraag van eisers een reguliere verblijfsvergunning te verlenen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van G.C.A. Dingemans Wierts als griffier op 9 mei 2007.