Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA5255

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
09/753134-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen bewijs dat verdachte bij moord betrokken is geweest. Vrijspraak van de feiten die hem bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegd zijn. Bewezen verklaard dat verdachte samen met een ander ingebroken heeft in twee woningen en onder andere sieraden en geld gestolen. In één woning heeft verdachte zelfs een kluis uit de muur gehakt. Ook heeft verdachte niet geschroomd tijdens de inbraken in die woningen eten en drinken van de bewoners te gebruiken. Databankvergelijking van het DNA-profiel van verdachte rechtmatig. Straf gegrond op de artikelen 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Gevangenisstraf van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/753134-04

's-Gravenhage, 14 mei 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteland] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting JHvB "De Sprang" te 's-Gravenhage

thans overigens zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 mei 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M. Krouwel, advocaat te Waddinxveen, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Schuijer heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

Ten aanzien van hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1 en 2 is telastgelegd, heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Vast staat dat [A] alias [B] in de nacht van 30 september 2003 op 1 oktober 2003 op gruwelijke en wrede wijze om het leven is gebracht. Vast staat ook, dat [C] (alias [D]) en [E] (alis [F]) in verband hiermede als daders door de rechtbank zijn veroordeeld.

Aannemelijk is dat behalve deze twee veroordeelden nog anderen bij de gewelddadige dood van het slachtoffer betrokken zijn. Op grond van de verklaring van een getuige die vanuit haar woning zicht had op de parkeerplaats in de nabijheid waarvan het stoffelijk overschot is gevonden, kan worden aangenomen, dat er - behalve het slachtoffer - ook tenminste drie personen aanwezig waren bij de gebeurtenissen die nacht. De verklaringen van deze getuige bieden echter geen steun voor het standpunt dat verdachte een van die personen was.

Een andere getuige heeft die nacht twee mannen gezien die langs de waterkant stonden bij de auto van het slachtoffer. Bij fotoconfrontaties heeft deze getuige de foto's van vier personen aangewezen, waaronder die van verdachte maar ook die van de twee reeds veroordeelden, als mogelijk die van een van de twee mannen die hij die nacht heeft gezien.

Andere bewijsmiddelen, welke verdachtes aanwezigheid op de plaats delict ondersteunen, zijn er niet. De verklaring van [G] over de vrienden van de veroordeelde [E], kan evenmin bijdragen aan het bewijs.

Het feit, dat verdachte geen alibi heeft, dat hij nauwe contacten onderhield met de veroordeelde [E], dat laatstgenoemde en [C] zich de volgende dag naar de verblijfplaats van verdachte hebben begeven en dat verdachte net als de reeds veroordeelden kort daarop Nederland heeft verlaten roept vele vragen op. Hoe onwaarschijnlijk sommige verklaringen van verdachte ook zijn en hoe zeer ook deze verklaringen vaak weer nieuwe vragen oproepen, al deze feiten en vragen dragen niet concreet bij aan het bewijs dat verdachte bij de moord op [A] alias [B] betrokken is geweest.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 1 en 2 is telastgelegd. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van deze feiten.

De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde onder 3 en 4 heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 3 en 4 primair telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Bewijsoverweging.

Ten aanzien van het onder 3 en 4 primair telastegelegde heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij die inbraken heeft gepleegd, hoewel hij zich niet meer precies kan herinneren wat hij heeft gedaan. In de betreffende woning aan de [adres 1] te [plaats] (feit 3) zijn DNA-sporen aangetroffen op een bierblik in de badkamer. Uit vergelijkend onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is vastgesteld dat het DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte. In de woning aan de [adres 2] te [plaats] (feit 4), zijn tevens biologische sporen aangetroffen en wel op een bierfles. Deze sporen bleken na onderzoek door het NFI overeen te komen met het DNA-profiel van verdachte.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het DNA-materiaal dat van verdachte terzake de onder 1 en 2 telastegelegde feiten is afgenomen, ten onrechte is opgenomen in de DNA databank. In het proces-verbaal van toestemming is de clausule opgenomen dat het DNA-profiel alleen zal worden vergeleken met de in het onderhave onderzoek verkregen DNA-profielen en dat het DNA-profiel niet zal worden opgenomen in de DNA databank, tenzij uit onderzoek blijkt van betrokkenheid bij een misdrijf. Nu uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek terzake van feit 1 en 2 wordt geconcludeerd dat geen overeenkomst bestaat tussen de DNA-profielen van het onderzochte sprorenmateriaal en het DNA-profiel van verdachte, blijkt geen betrokkenheid van verdachte bij het misdrijf. Desondanks is het DNA-profiel opgenomen in de DNA-databank en vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Uit deze vergelijking is gebleken dat het DNA-profiel van verdachte overeenkomt met het DNA-profiel dat terzake het feit 3 en 4 telastegelegde is aangetroffen. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de resultaten van het onderzoek onrechtmatig zijn verkregen en derhalve niet kunnen bijdragen aan het bewijs van het onder 3 en 4 telastegelegde.

De rechtbank overweegt dat verdachte schriftelijk toestemming heeft gegeven voor afname van celmateriaal, zoals vereist in art. 151a lid 1 Sv. en dat het NFI conform art. 14 lid 4 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, het DNA-profiel van verdachte ter zake van misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid Sr. in de DNA-databank heeft vastgelegd. Nu de directeur van het NFI de bevoegdheid heeft de in de DNA-databank vastgelegde DNA-profielen te vergelijken, welke bevoegdheid is opgenomen in art. 14 lid 5 van dat besluit, heeft de databankvergelijking rechtmatig plaatsgevonden en kan het resultaat daarvan bijdragen aan de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft samen met een ander ingebroken in twee woningen en onder andere sieraden en geld gestolen. In één woning heeft verdachte zelfs een kluis uit de muur gehakt. Ook heeft verdachte niet geschroomd tijdens de inbraken in die woningen eten en drinken van de bewoners te gebruiken. Door in woningen in te breken is het recht op privacy van de bewoners door verdachte ernstig geschonden.

De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie d.d. 26 januari 2007 van verdachte waaruit blijkt dat hij geen veroordelingen in Nederland heeft gehad. Uit de [land] justitiële documentatie blijkt echter dat verdachte regelmatig met justitie in aanraking is gekomen.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de na te melden duur passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 telastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 3 en 4 primair telastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak gepleegd, door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden ;

in verzekering gesteld op :23 januari 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 29 januari 2007,

ten aanzien van feit 1 en 2:

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Poustochkine, voorzitter,

Van Nooijen en Wittop Koning, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Doornik, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 mei 2007.