Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA5023

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
14-05-2007
Zaaknummer
AWB 07/8048
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / Afghanistan / EU-document

Verweerder heeft in de reactie naar aanleiding van het heropeningsbesluit aangegeven dat succesvolle uitzettingen van vreemdelingen naar Afghanistan met behulp van een EU-document plaatsvinden. Om deze stelling te onderbouwen heeft verweerder een verklaring van de afdelingsmanager Laissez-Passer (P. Frederiksz) van de Dienst Terugkeer & Vertrek overgelegd. In deze verklaring geeft de afdelingsmanager aan dat uitzetting middels een EU-document mogelijk is omdat de Afghaanse autoriteiten op de hoogte worden gesteld van de uitzettingen met behulp van EU-documenten en dat deze autoriteiten hierop nimmer een afwijzende reactie hebben gegeven. Daarnaast geeft de afdelingsmanager aan dat sinds oktober 2006 twaalf personen middels een EU-document zijn uitgezet. Voorts legt verweerder het Memorandum of Understanding van 18 maart 2003 over. De rechtbank stelt derhalve vast dat verweerder in zijn reactie van 9 maart 2007 geen nieuwe informatie verstrekt waaruit blijkt dat er na de verklaringen van de consul gedateerd 29 november 2006 en 1 december 2006 nog vreemdelingen zijn gedwongen zijn uitgezet naar Afghanistan. De enkele verklaring dat sinds oktober 2006 twaalf personen middels een EU-document gedwongen zijn uitgezet naar Afghanistan acht de rechtbank onvoldoende. Het had op de weg van verweerder gelegen om met recentere stukken te komen waaruit blijkt dat eiser wel met een EU-document gedwongen naar Afghanistan kan worden uitgezet. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er ten aanzien van eiser geen zicht op uitzetting bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 07/8048

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Minister van Justitie, thans de Staatssecretaris van Justitie te ’s-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr. G.J.M. van Spanje, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 21 februari 2007 is de rechtbank, door middel van een namens eiser ingediend beroepschrift, ervan in kennis gesteld dat verweerder eiser op 19 januari 2007 in bewaring heeft gesteld.

1.2. De zaak is op 2 maart 2007 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

1.3. De rechtbank heeft op 8 maart 2007 besloten om het onderzoek te heropenen. Verweerder is de gelegenheid geboden de door de rechtbank gestelde vragen te beantwoorden. Gemachtigde van eiser is de gelegenheid geboden om op de door verweerder overgelegde stukken te reageren. Zowel verweerder als de gemachtigde van eiser hebben van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt.

1.4. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en met toestemming van beide partijen bepaald dat een nadere zitting achterwege zal blijven.

2. Overwegingen

2.1. Krachtens artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Gelet op het bepaalde in artikel 94, eerste lid, laatste volzin, van de Vw 2000 staat tevens ter beoordeling of er aanleiding is eiser schadevergoeding toe te kennen.

2.2. De rechtbank acht het beroep gegrond en komt daartoe op grond van de navolgende overwegingen.

Gemachtigde van eiser heeft ter zitting gesteld dat gedwongen uitzetting naar Afghanistan, gelet op de uitspraak van deze rechtbank van 24 januari 2007 LJN AZ7395, middels een EU-document niet mogelijk is. Verweerder daarentegen heeft gesteld dat gedwongen uitzetting met een EU-document wel mogelijk is en dat maandelijks vreemdelingen op deze wijze naar Afghanistan worden uitgezet.

Omdat ter zitting is gebleken dat de gemachtigde van verweerder en de gemachtigde van eiser over tegenstrijdige informatie beschikken heeft de rechtbank op 8 maart 2007 besloten het onderzoek ter zitting te heropenen en heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt met stukken te onderbouwen.

Verweerder heeft in de reactie naar aanleiding van het heropeningsbesluit aangegeven dat succesvolle uitzettingen van vreemdelingen naar Afghanistan met behulp van een EU-document plaatsvinden. Om deze stelling te onderbouwen heeft verweerder een verklaring van de afdelingsmanager Laissez-Passer (P. Frederiksz) van de Dienst Terugkeer & Vertrek overgelegd. In deze verklaring geeft de afdelingsmanager aan dat uitzetting middels een EU-document mogelijk is omdat de Afghaanse autoriteiten op de hoogte worden gesteld van de uitzettingen met behulp van EU-documenten en dat deze autoriteiten hierop nimmer een afwijzende reactie hebben gegeven. Daarnaast geeft de afdelingsmanager aan dat sinds oktober 2006 twaalf personen middels een EU-document zijn uitgezet. Voorts legt verweerder het Memorandum of Understanding van 18 maart 2003 over.

De rechtbank stelt derhalve vast dat verweerder in zijn reactie van 9 maart 2007 geen nieuwe informatie verstrekt waaruit blijkt dat er na de verklaringen van de consul gedateerd 29 november 2006 en 1 december 2006 nog vreemdelingen zijn gedwongen zijn uitgezet naar Afghanistan. De enkele verklaring dat sinds oktober 2006 twaalf personen middels een EU-document gedwongen zijn uitgezet naar Afghanistan acht de rechtbank onvoldoende. Het had op de weg van verweerder gelegen om met recentere stukken te komen waaruit blijkt dat eiser wel met een EU-document gedwongen naar Afghanistan kan worden uitgezet. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er ten aanzien van eiser geen zicht op uitzetting bestaat.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat dientengevolge de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd.

2.3. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen. Gelet op de normbedragen van € 95,00 per dag detentie in een politiecel en € 70,00 per dag detentie in een huis van bewaring komt aan eiser, nu hij 4 dagen in een politiecel en 21 dagen in een huis van bewaring in bewaring is geweest, € 1850,- toe.

2.4. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat aan eiser ter zake van dit geschil een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

2.5. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser een schadevergoeding toe,

groot € 1850,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de

rechtbank;

- veroordeelt verweerder voorts in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling

van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,-

ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan de griffier van

de rechtbank moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. D.C. Vissers, rechter, en door deze en mr. N.M. Zandbergen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 15 maart 2007

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.