Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4998

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
AWB 05/46093 en AWB 05/50458
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / analoge toepassing artikel 32 en 35 Vw 2000 / artikel 3 EVRM

Eiser is in 1993 toegelaten als vluchteling omdat hij gegronde vrees zou hebben voor vervolging door de Turkse autoriteiten wegens betrokkenheid bij de PKK. In 1994 is eiser in Duitsland veroordeeld wegens poging tot moord en ongeoorloofd wapenbezit. Na zijn terugkeer in Nederland is eisers toelating als vluchteling ingetrokken en is eiser ongewenst verklaard. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in 2001 en 2004 een individueel ambtsbericht uitgebracht, waaruit onder meer blijkt dat eiser in Turkije verschillende malen wegens commune delicten strafrechtelijk is veroordeeld en dat eiser niet wordt gezocht door de Turkse autoriteiten. Het beroep tegen de ongewenstverklaring is drie maal eerder door de rechtbank gegrond verklaard. De rechtbank overweegt dat de artikelen 35 en 32 van de Vw 2000 alleen zien op de intrekking van de verblijfsvergunning asiel en niet op de ongewenstverklaring. In dit geval was de intrekking van de verblijfsvergunning al onherroepelijk toen de nieuwe gegevens in de ambtsberichten van 2001 en 2004 aan het licht kwamen. In het thans voorliggende besluit heeft verweerder zich, in het kader van de vraag of artikel 3 van het EVRM aan eisers ongewenstverklaring in de weg staat, op grond van deze gegevens op het standpunt gesteld dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is. Deze situatie is door de wetgever niet uitdrukkelijk geregeld. Het strookt naar het oordeel van de rechtbank evenwel met het systeem van de wet om ook in deze situatie te bezien of sprake is van nieuwe gegevens die de vreemdeling aanvankelijk heeft achtergehouden en die, waren zij eerder bekend geweest, tot afwijzing van de asielaanvraag zouden hebben geleid. Verweerder heeft in het onderhavige geval kennelijk deze maatstaf gehanteerd. Niet kan worden gezegd dat verweerder in het bestreden besluit een onjuist beoordelingskader heeft aangelegd. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in 1993 door eiser in het kader van zijn toen gedane asielaanvraag gedane relaas en de nadien door hem afgelegde verklaringen ongeloofwaardig zijn, dat (derhalve) terecht is geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar het land van herkomst geen reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en dat dit artikel dus niet in de weg staat aan de ongewenstverklaring.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 32
Vreemdelingenwet 2000 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/306

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:70 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 05/46093 en AWB 05/50458

V-nr: 130.108.0616

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1965, van Turkse nationaliteit, wonende te [woonplaats], eiser en verzoeker, hierna: eiser,

gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. C.M. Lindeboom, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 31 december 1997 is eisers toelating als vluchteling ingetrokken en is eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet 1965 (Vw 1965). Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt op 21 januari 1998. Op 26 augustus 1998 is eiser gehoord door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACV). Bij besluit van 14 januari 1999 heeft verweerder het bezwaar, overeenkomstig het advies van de ACV van 18 december 1998, ongegrond verklaard.

2. Bij uitspraak van 7 december 1999 (AWB 98/4321) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen het besluit van 14 januari 1999 gegrond verklaard, het besluit - voor zover eiser daarbij ongewenst is verklaard - vernietigd en bepaald dat verweerder met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

3. Bij schrijven van 11 september 2000 heeft eiser beroep ingesteld tegen de weigering van verweerder tijdig te beslissen op bezwaar. Bij uitspraak van 9 mei 2001 (AWB 00/64641) heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard.

4. Op 17 mei 2001 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een individueel ambtsbericht uitgebracht (met kenmerk DPC/AM-706627).

5. Op 21 augustus 2001 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie (AC). Bij besluit van 5 september 2001 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser op 6 september 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank.

6. Nadat de rechtbank bij brief van 21 februari 2003 de stukken heeft opgevraagd die aan het door de Minister van Buitenlandse Zaken opgestelde individueel ambtsbericht van 17 mei 2001 ten grondslag liggen, heeft de rechtbank bij beslissing van 20 mei 2003 geoordeeld dat het beroep van de Minister van Buitenlandse Zaken op beperking van de kennisneming van bepaalde gedeelten van de onderliggende stukken gerechtvaardigd is.

7. Bij uitspraak van 19 december 2003 (AWB 01/44450) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 5 september 2001 vernietigd en bepaald dat verweerder met inachtneming van de uitspraak opnieuw dient te beslissen op het bezwaar.

8. Bij beroepschrift van 9 februari 2004 heeft eiser beroep ingesteld tegen de weigering van verweerder tijdig te beslissen op bezwaar. Bij uitspraak van 7 juli 2004 (AWB 04/5978) heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat verweerder, onder verbeurte van een dwangsom bij niet tijdig beslissen, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar dient te nemen.

9. Op 18 juni 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een tweede individueel ambtsbericht uitgebracht (met kenmerk DPV/AM-U030501.0382).

10. Bij besluit van 17 augustus 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiser wederom ongegrond verklaard. Op dezelfde datum heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

11. Bij brief van 31 december 2004 heeft de rechtbank de stukken die aan het op 18 juni 2004 door de Minister van Buitenlandse Zaken uitgebrachte individueel ambtsbericht opgevraagd. Bij beslissing van 3 maart 2005 is vervolgens geoordeeld dat het beroep van de Minister van Buitenlandse Zaken op beperking van de kennisneming van bepaalde gedeelten van de onderliggende stukken gerechtvaardigd is.

12. Bij uitspraak van 5 juli 2005 (AWB 04/37185) heeft de rechtbank het beroep van 17 augustus 2004 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verweerder met inachtneming van de uitspraak opnieuw dient te beslissen op het bezwaar.

13. Op 13 september 2005 is eiser nogmaals gehoord door een AC. Bij beroepschrift van 12 oktober 2005 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Het bezwaar is bij besluit van 21 oktober 2005 opnieuw ongegrond verklaard. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat eiser Nederland uit eigen beweging binnen vier weken moet verlaten.

14. Bij brief van 10 november 2005 heeft eiser het petitum van het beroep gewijzigd en de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en verweerder op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen het bezwaar gegrond te verklaren en de ongewenstverklaring van eiser in te trekken. Het beroep schort de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar niet op. Bij brief van 10 november 2005 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Op 10 november 2005 en 12 januari 2006 zijn de op de zaken betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen.

15. Bij brief van 17 mei 2006 heeft de rechtbank de stukken opgevraagd die ten grondslag liggen aan de door de Minister van Buitenlandse Zaken uitgebrachte individuele ambtsberichten van 17 mei 2001 en 18 juni 2004. Bij beslissing van 19 juli 2006 heeft de rechtbank, in andere samenstelling, geoordeeld dat het beroep van de Minister van Buitenlandse Zaken op beperking van de kennisneming van bepaalde gedeelten van de onderliggende stukken gerechtvaardigd is. Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om mede op grond van de vertrouwelijke gedeelten van de aan de genoemde ambtsberichten ten grondslag liggende stukken uitspraak te doen.

16. De gronden van het beroep en het verzoek zijn ingediend bij brief van 12 december 2005 en aangevuld bij brief van 8 juni 2006. In het verweerschrift van 12 januari 2007 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.

17. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2007. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

18. De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna: de rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van het volgende.

1. Eiser verblijft sinds 18 december 1992 in Nederland. Op 11 januari 1993 heeft eiser een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Zijn asielrelaas hield in dat hij vanwege zijn betrokkenheid bij de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten stond, dat hij om die reden verschillende malen is gearresteerd en dat hij tijdens zijn gevangenschap is gemarteld. Dit relaas is geloofwaardig geacht en op 19 juli 1993 is eiser toegelaten als vluchteling.

2. Bij vonnis van 13 december 1994 van het Landgericht te Berlijn, Duitsland, is eiser veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden wegens poging tot moord en ongeoorloofd wapenbezit. Op 22 december 1996 is eiser, na vervroegde invrijheidstelling, naar Nederland teruggekeerd.

3. Het door de Minister van Buitenlandse Zaken op 17 mei 2001 uitgebrachte individueel ambtsbericht vermeldt - samengevat weergegeven - dat eiser in zijn geboorteplaats, noch in zijn woonplaats wordt gezocht door de autoriteiten wegens betrokkenheid bij de PKK. Verder blijkt dat eiser in Turkije verschillende malen strafrechtelijk is veroordeeld: op 7 mei 1980 wegens diefstal, op 2 februari 1981 wegens diefstal, op 22 mei 1985 wegens het gebruik van een vuurwapen tijdens een gevecht, op 31 mei 1986 wegens het toebrengen van lichamelijk letsel en op 16 oktober 1987 wegens ontvoering van een meisje en diefstal. Eiser heeft zonder problemen het land van herkomst op zijn eigen paspoort kunnen verlaten, omdat na het uitzitten van de straf het uitreisverbod wordt opgeheven.

4. In het individueel ambtsbericht van 18 juni 2004 staat - samengevat weergegeven - vermeld dat eiser uitsluitend voor commune delicten is veroordeeld, en wel in Mersin. Er zijn geen veroordelingen uitgesproken door een Staatsveiligheidsrechtbank, hetgeen wel het geval zou zijn geweest indien eiser zou zijn veroordeeld voor een politiek delict. Het onderzoek heeft niet uitgewezen hoeveel eiser van zijn straf daadwerkelijk heeft uitgezeten, wel dat de resterende gevangenisstraf is omgezet in een symbolische geldboete ter waarde van ruim drie euro. De vraag of de delicten waarvoor eiser is veroordeeld ook daadwerkelijk door hem zijn gepleegd en niet door iemand anders, is een vraag voor de rechter. Verwisseling met een oom is gelet op de wijze van registratie niet aan de orde. Eiser wordt niet gezocht door de Turkse autoriteiten. De veroordelingen van eiser zijn ook in het centrale register van Ankara geregistreerd.

III. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep:

1.1. Verweerder heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, nu is gebleken dat eisers gemachtigde sedert enkele maanden het contact met eiser heeft verloren en eiser mogelijk zelfs niet meer in Nederland verblijft. Het onderhavige beroep dient volgens verweerder dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

1.2. De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval de ongewenstverklaring van eiser voorligt, waarmee het eiser onmogelijk wordt gemaakt om ook voor korte tijd rechtmatig in Nederland te verblijven. Deze situatie verschilt van de situatie waarin om toelating wordt gevraagd en waarmee al dan niet permanente vestiging in Nederland wordt beoogd. Aan de mogelijkheid dat eiser niet meer in Nederland verblijft komt in dit verband geen gewicht toe, omdat hij vanwege zijn ongewenstverklaring juist verplicht is het land te verlaten. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval niet op grond van het enkele feit dat de gemachtigde van eiser ter zitting uit eigen beweging heeft meegedeeld dat hij sedert enkele maanden geen contact meer heeft met eiser kan worden gezegd dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een beoordeling van zijn beroep. De rechtbank acht het beroep derhalve ontvankelijk en zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling daarvan.

2.1. De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag naar de omvang van het onderhavige geding. In dat kader stelt zij in de eerste plaats vast dat het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, door eiser niet is gehandhaafd. Gelet hierop ligt uitsluitend het beroep tegen de reële beslissing op bezwaar ter toetsing voor.

2.2. Eiser heeft betoogd dat het bestreden besluit niet uitsluitend ziet op de ongewenstverklaring van eiser, maar dat verweerder daarin eveneens - en voor het eerst - heeft besloten tot de intrekking van de erkenning van eiser als vluchteling. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Uit het dictum noch uit de overwegingen van het bestreden besluit kan de conclusie worden getrokken dat een afzonderlijk besluit tot intrekking van de erkenning van eiser als vluchteling is genomen. Aan de mededeling in het dictum van het bestreden besluit dat met de intrekking van de toelating van eiser als vluchteling de erkenning als vluchteling ook geacht wordt te zijn vervallen komt naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandige betekenis toe. Met deze mededeling is klaarblijkelijk slechts beoogd aan te geven waar het bestreden besluit niet op ziet. Dit strookt met de omstandigheid dat de overwegingen van het bestreden besluit uitsluitend betrekking hebben op de ongewenstverklaring, en niet op de intrekking van zijn verblijfsrecht. Nu het bestreden besluit derhalve uitsluitend strekt tot de (in bezwaar gehandhaafde) ongewenstverklaring van eiser, ligt alleen de vraag voor of deze ongewenstverklaring de rechterlijke toets kan doorstaan.

3. Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c ,van de Vw 2000 kan de vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000. Deze bepaling komt overeen met artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 1965, dat in 1998 de grondslag vormde voor de ongewenstverklaring van eiser.

4. De rechtbank stelt vast dat met de eerdere uitspraken van de rechtbank in de onderhavige zaak in rechte reeds is vast komen te staan dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, in de veroordeling van eiser door het Landgericht te Berlijn aanleiding heeft kunnen zien gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot ongewenstverklaring. Daartoe verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen onder IV.2 in de uitspraak van 19 december 2003. Hetgeen eiser hieromtrent heeft aangevoerd kan derhalve buiten beschouwing blijven. Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de weg staat aan de ongewenstverklaring van eiser.

5.1. Vastgesteld wordt dat de kern van verweerders standpunt, zoals neergelegd in het bestreden besluit, is dat niet aannemelijk is geworden dat het bepaalde in artikel 3 van het EVRM zich tegen een terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst, en derhalve tegen zijn ongewenstverklaring, verzet, nu de verklaringen van eiser als ongeloofwaardig moeten worden aangemerkt.

5.2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder eerst in het bestreden besluit de ongeloofwaardigheid van de door hem afgelegde verklaringen aan hem heeft tegengeworpen. Dit is niet eerder in de onderhavige procedure geschied. Hiermee is het bestreden besluit genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel alsmede met het vertrouwensbeginsel.

5.3. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval niet is gebleken van de door eiser gestelde strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Daartoe acht zij redengevend dat verweerder in de loop van de onderhavige procedure, nadat uit het onderzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken alle relevante feiten bekend waren geworden, eiser nimmer op enig moment ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven dat de ongeloofwaardigheid van zijn verklaringen niet zou worden tegengeworpen. Integendeel, verweerder heeft direct na het bekend worden van de betreffende feiten in de beslissing op bezwaar van 5 september 2001 het relaas van eiser op gemotiveerde wijze ongeloofwaardig bevonden. Dat daarbij is opgemerkt dat het een overweging ten overvloede betrof maakt het voorgaande niet anders.

5.4. Voor zover eiser mede heeft willen betogen dat de lange duur van de onderhavige procedure in de weg staat aan de conclusie van verweerder tot ongeloofwaardigheid van eisers relaas, is de rechtbank van oordeel dat het enkele tijdsverloop in een procedure op zichzelf genomen geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel kan opleveren.

6.1. Eiser heeft verder gewezen op het bepaalde in artikel 35, eerste lid, van de Vw 2000. Ter zitting heeft eiser deze beroepsgrond desgevraagd aldus toegelicht dat deze bepaling, die op zich niet ziet op ongewenstverklaringen, in het onderhavige geval analoog dient te worden toegepast. Gelet op deze bepaling kon verweerder, aldus eiser, niet op basis van de ongeloofwaardigheid van eisers verklaringen besluiten tot ongewenstverklaring van eiser. Er is namelijk geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die de tegenwerping van de geloofwaardigheid in het onderhavige geval mogelijk zouden kunnen rechtvaardigen.

6.2. Ingevolge artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid. Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bevat een gelijkluidende bepaling ten aanzien van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

6.3. De rechtbank stelt vast dat de artikelen 35 en 32 van de Vw 2000 alleen zien op de intrekking van de verblijfsvergunning asiel en niet op de ongewenstverklaring. Alleen voor die situatie worden de rechtsgevolgen geregeld van de gevallen waarin de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt die, bij opgave van de juiste gegevens, tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid. In dit geval was de intrekking van de verblijfsvergunning al onherroepelijk toen de nieuwe gegevens in de ambtsberichten van 2001 en 2004 aan het licht kwamen. In het thans voorliggende besluit heeft verweerder zich, in het kader van de vraag of artikel 3 van het EVRM aan eisers ongewenstverklaring in de weg staat, op grond van deze gegevens op het standpunt gesteld dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is. Deze situatie is door de wetgever niet uitdrukkelijk geregeld. Het strookt naar het oordeel van de rechtbank evenwel met het systeem van de wet om ook in deze situatie te bezien of sprake is van nieuwe gegevens die de vreemdeling aanvankelijk heeft achtergehouden en die, waren zij eerder bekend geweest, tot afwijzing van de asielaanvraag zouden hebben geleid.

6.4. De rechtbank constateert dat verweerder in het onderhavige geval kennelijk deze maatstaf heeft gehanteerd, zoals kan worden afgeleid uit hetgeen is opgenomen in de laatste alinea op de vierde pagina van het bestreden besluit. Verweerder heeft daar immers uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat de uitkomsten van de individuele ambtsberichten van 17 mei 2001 en 18 juni 2004 voldoende aanleiding geven om te spreken van nieuwe feiten en omstandigheden op basis waarvan er moet worden getwijfeld aan de geloofwaardigheid van de verklaringen zoals eiser die in 1993 heeft afgelegd. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder in het bestreden besluit een onjuist beoordelingskader heeft aangelegd.

7.1. Ter beoordeling staat vervolgens de vraag of verweerder in de inhoud van de individuele ambtsberichten grond heeft mogen zien om te concluderen tot ongeloofwaardigheid van de door eiser afgelegde verklaringen en op basis daarvan terecht heeft geconcludeerd dat eiser een reëel risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM niet aannemelijk heeft gemaakt. In dit verband dient, gelet op hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd, allereerst te worden bezien of de betreffende individuele ambtsberichten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en of de daaraan ten grondslag liggende stukken de conclusies zoals neergelegd in de ambtsberichten kunnen dragen. De rechtbank is, na kennis te hebben genomen van de onderliggende stukken van de ambtsberichten, met inachtneming van hetgeen door partijen is aangevoerd, van oordeel dat deze vragen bevestigend dienen te worden beantwoord. De rechtbank verwerpt het betoog van eiser dat geen uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 19 december 2003, omdat daarin een aantal concrete gebreken is geconstateerd ten aanzien van het individueel ambtsbericht van 17 mei 2001 die niet worden gerepareerd in het aanvullend individueel ambtsbericht van 18 juni 2004. Daartoe wordt het volgende overwogen.

7.2. De rechtbank stelt vast dat de rechtbank in de uitspraak van 19 december 2003 - onder meer - heeft overwogen dat het, gelet op de aard van de geraadpleegde bronnen, bevreemding wekt dat geen informatie is verkregen over de duur van de opgelegde straffen en de vraag of de detenties door eiser zijn ondergaan. De rechtbank begrijpt deze overweging aldus dat verweerder hiermee is opgedragen nader onderzoek te verrichten naar de vraag of in het geval van eiser sprake zal zijn van een onevenredige dan wel discriminatoire bestraffing. Vastgesteld wordt dat in het aanvullend individueel ambtsbericht van 18 juni 2004 staat vermeld dat eisers (resterende) gevangenisstraf is omgezet naar een symbolische geldboete van ruim drie euro. De rechtbank is van oordeel dat het in de eerdere uitspraak geconstateerde gebrek aan informatie hiermee in voldoende mate is weggenomen en dat in zoverre aan de uitspraak van de rechtbank gevolg is gegeven.

7.3. In de genoemde uitspraak van 19 december 2003 is voorts overwogen dat de geraadpleegde bronnen geen informatie kunnen of hoeven te bevatten met betrekking tot verdenking van eisers betrokkenheid bij de PKK, waardoor de antwoorden op dat punt ruimte laten. De rechtbank is van oordeel dat, nu in het ambtsbericht van 18 juni 2004 - voor zover hier van belang - staat vermeld dat er geen veroordelingen zijn uitgesproken door de Staatsveiligheidsrechtbank en dat eiser verder niet wordt gezocht door de Turkse autoriteiten, ook op dit punt in voldoende mate nadere informatie is verschaft. Naar het oordeel van de rechbank is, gelet hierop, ook hetgeen in de genoemde uitspraak is overwogen met betrekking tot de juistheid van de door eiser gestelde detentie en marteling in 1990 in het ambtsbericht van 18 juni 2004 voldoende opgehelderd.

7.4. Weliswaar blijkt uit het ambtsbericht van 18 juni 2004 niet wat de duur van de aan eiser opgelegde straffen is geweest, maar dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat het door verweerder verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Het betreft hier strafrechtelijke veroordelingen voor commune delicten. De relevantie van de hoogte van de opgelegde straffen voor de vraag of sprake is van dreigende schending van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM valt in het onderhavige verband dan ook niet zonder meer in te zien. Nu op dit punt door eiser ook niets specifieks is gesteld komt aan het ontbreken van deze gegevens dan ook geen betekenis toe.

8.1. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat eiser ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd

- kort samengevat - ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken, zoals neergelegd in het individueel ambtsbericht van 17 mei 2001, feiten naar voren zijn gekomen die eiser zelf niet naar voren heeft gebracht. De verklaringen en uitleg hierover van eiser stemmen niet overeen met de bevindingen zoals neergelegd in het ambtsbericht van 17 mei 2001, en stemmen evenmin overeen met het door de Minister van Buitenlandse Zaken verrichtte nader onderzoek zoals dat is neergelegd in het ambtsbericht van 18 juni 2004.

8.2. De rechtbank stelt vast dat uit het vorengenoemde onderzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken naar voren is gekomen dat eiser in de periode van 1980 tot 1987 strafrechtelijk is veroordeeld wegens het plegen van een vijftal commune delicten. Deze veroordelingen zijn vermeld in het individueel ambtsbericht van 17 mei 2001, zoals weergegeven onder II.3. Vast staat dat eiser deze veroordelingen niet eerder uit eigen beweging naar voren heeft gebracht. De verklaring die eiser hiervoor heeft gegeven komt erop neer dat een aantal van de veroordelingen geen betrekking op hem heeft en dat de overige veroordelingen in werkelijkheid zijn uitgesproken in verband met zijn betrokkenheid bij de PKK en niet vanwege commune strafbare feiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze verklaring in redelijkheid als ontoereikend kunnen aanmerken om er vanaf te zien deze omstandigheid aan eiser tegen te werpen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

8.3. Eiser heeft met betrekking tot de veroordelingen in 1980 en 1981 (beide wegens diefstal) gesteld dat hij de betreffende strafbare feiten niet heeft gepleegd. Eisers oom, die dezelfde naam heeft als eiser, zou bij zijn aanhouding ter zake een door hem gepleegde winkeldiefstal de naam en verdere personalia van eiser hebben opgegeven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze verklaring van eiser, onder verwijzing naar de inhoud van het ambtsbericht van 18 juni 2004, in redelijkheid als niet afdoende heeft hoeven aanmerken. Daarin is immers - voor zover hier van belang - opgenomen dat registratie in Turkije niet alleen op naam plaatsvindt, maar altijd ook met tenminste de vermelding van vaders en moeders voornaam en in de meeste gevallen ook met de geboortedatum. Verwisseling met een familielid als een oom, die behalve een andere geboortedatum dan eiser ook andere ouders heeft, is derhalve niet aan de orde, aldus het ambtsbericht. Van deze bijzonderheden, waar eiser geen gemotiveerde aandacht aan heeft besteed, kan niet worden gezegd dat verweerder daar geen betekenis aan heeft mogen toekennen.

8.4. Ook de uitleg die eiser heeft gegeven ten aanzien van zijn veroordeling in 1985 (wegens gebruik van een vuurwapen tijdens een gevecht) heeft verweerder niet afdoende hoeven achten. Eiser heeft in dit verband gewezen op de verklaringen over een bij hem in het jaar 1987 gevonden vuurwapen, die hij heeft afgelegd tijdens het gehoor in het kader van zijn asielaanvraag in 1993. Verweerder heeft, reeds gelet op het verschil tussen het jaar waarin dit wapen volgens eiser zou zijn gevonden en het jaar van zijn veroordeling, in redelijkheid kunnen concluderen dat de veroordeling van eiser op geen enkele wijze correspondeert met de verklaringen die eiser heeft afgelegd tijdens het gehoor in 1993.

8.5. Ten aanzien van zijn veroordeling (wegens ontvoering van een meisje en diefstal) in 1987 heeft eiser evenmin een genoegzame verklaring gegeven, waardoor verweerder in redelijkheid ook deze veroordeling aan zijn standpunt ten aanzien van de geloofwaardigheid van eisers relaas ten grondslag heeft mogen leggen.

8.6. Aan het enkele feit dat de verklaringen, die eiser tijdens het gehoor in 1993 heeft afgelegd over een handgemeen met de eigenaars van een koffiehuis in 1986, mogelijk corresponderen met de veroordeling (wegens het toebrengen van lichamelijk letsel) in datzelfde jaar, komt in het licht van het voorgaande geen doorslaggevende betekenis toe.

8.7. De rechtbank overweegt in aansluiting op het voorgaande nog dat het enkele tijdsverloop sedert het vertrek van eiser uit zijn land van herkomst in redelijkheid niet kan afdoen aan de door verweerder geconstateerde discrepanties, gelet op de aard en omvang daarvan. De stelling van eiser dat hij destijds als gevolg van de door hem ondergane martelingen niet in staat was op adequate wijze te verklaren, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu deze stelling niet, bijvoorbeeld door middel van het overleggen van documenten, is onderbouwd. Nu deze stelling voorts geen verklaring biedt voor het feit dat eiser thans na een groot aantal jaren wel in staat is om concrete en gedetailleerde verklaringen met betrekking tot een aantal van de veroordelingen af te leggen, kan deze stelling, wat er overigens van de genoemde verklaringen zij, ook om die reden worden gepasseerd.

8.8. De rechtbank neemt, naast hetgeen hiervoor is overwogen, in het bijzonder in aanmerking het in het tweede uitgebrachte individuele ambtsbericht opgenomen onderzoeksresultaat dat eiser in zijn land van herkomst niet wordt gezocht door de Turkse autoriteiten en dat hij niet door de Staatsveiligheidsrechtbank is veroordeeld wegens het plegen van een politiek delict.

9. Het ter zitting door eiser gedane beroep op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 11 januari 2007 in de zaak Salah Sheekh (JV 2007/30) kan hem evenmin baten. Daartoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat in het voorgaande reeds is geoordeeld dat verweerders standpunt dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is in rechte standhoudt. Gelet daarop dient ervan uitgegaan te worden dat eiser niet wordt gezocht vanwege betrokkenheid bij de PKK tijdens zijn verblijf in Turkije. De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn standpunt dat, in licht van de genoemde uitspraak, bij een beroep op het bepaalde in artikel 3 van het EVRM in het geval van eiser een lichtere bewijsmaatstaf zou moeten worden toegepast dan in het besluit is geschied. Daartoe is van belang dat het enkele feit dat eiser afkomstig uit het Koerdische gedeelte van Turkije noch de overige omstandigheden die in deze procedure vast zijn komen te staan onvoldoende grond vormen om "special distinguishing features" aan te nemen.

10. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in 1993 door eiser in het kader van zijn toen gedane asielaanvraag gedane relaas en de nadien door hem afgelegde verklaringen ongeloofwaardig zijn, dat (derhalve) terecht is geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar het land van herkomst geen reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en dat dit artikel dus niet in de weg staat aan de ongewenstverklaring.

11. Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

12. Aan de orde is voorts de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

13. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening:

14. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

IV. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 05/46093:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 05/50458:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan op 24 april 2007 door mr. H.J. Fehmers, voorzitter en voorzieningenrechter, en mrs. L. van Es en W.J. van Bennekom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Slijkhuis, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op:

Conc.: SaS

Coll: LFF

D: B

Tegen deze uitspraken staat geen hoger beroep open.