Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4849

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-02-2007
Datum publicatie
11-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/26840 en AWB 06/26841
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Amv / onderzoek naar adequate opvang / termijn / motivering

Volgens vaste jurisprudentie is de in hoofdstuk B7/13 (oud) Vc 1994 en TBV 1996/1 neergelegde verplichting voor verweerder om zich er binnen zes maanden van te vergewissen dat in het land van herkomst adequate opvang redelijkerwijs gewaarborgd is, niet aan te merken als een fatale termijn. Evenwel geeft het beleid met deze verplichting uitdrukking aan de zorg om een alleenstaande minderjarige vreemdeling (hierna: amv) zo snel mogelijk zekerheid over zijn verblijf in Nederland te verschaffen. Verweerder heeft eerst na 31 maanden een eerste beslissing op de aanvraag van eiser genomen, terwijl hij binnen deze periode niet heeft getracht eiser met zijn ouders te herenigen en geen (individueel) onderzoek naar adequate opvang heeft aangevangen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarin de overschrijding van de termijn is gelegen. Daarnaast heeft verweerder met zijn uitleg dat geen onderzoek naar adequate opvang (en kennelijk ook geen hereniging) noodzakelijk was in strijd gehandeld met het in het TBV 1996/1 neergelegde beleid. Immers, dit beleid houdt een verdergaande onderzoeksplicht in dan de enkele constatering dat eiser tijdens het eerste gehoor heeft verklaard dat zijn familie op een voor hem bekend adres woonachtig is en het aan eiser is om aannemelijk te maken dat opvang bij zijn familie niet meer mogelijk is. Zulks klemt te meer, nu eiser reeds bij zijn nader gehoor, dat zo'n zeven maanden na het eerste gehoor plaatsvond, heeft meegedeeld dat hij niet wist of zijn ouders nog leefden. Motiveringsgebrek. Besluit onzorgvuldig voorbereid. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:70 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/26840 (beroep)

AWB 06/26841 (voorlopige voorziening)

V-nr: 070.204.0596

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1983, van Afghaanse nationaliteit, wonende te [woonplaats] (gemeente [plaatsnaam]), eiser,

gemachtigde: mr. V.V. Essenburg, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. W.S. Leenders, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 20 december 2002 heeft verweerder ambtshalve bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling”. Bij beroepschrift van 13 januari 2003 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit. In de aanvullende gronden van 21 april 2005, gericht aan verweerder, heeft eiser verzocht het beroepschrift aan te merken als bezwaarschrift. De rechtbank heeft de stukken bij brief van

3 november 2005 doorgezonden aan verweerder.

2. Bij brief van 26 mei 2005 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op het door eiser als bezwaar aangemerkte beroep van 13 januari 2003. Bij brief van 2 december 2005 heeft eiser de gronden van beroep aangevuld.

Bij uitspraak van 2 maart 2006 (AWB 05/24016) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar gegrond verklaard en heeft bepaald dat verweerder binnen drie weken, dan wel, indien eiser zal worden gehoord, binnen tien weken, een besluit op bezwaar dient te nemen.

3. Op 5 april 2006 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie. Het bezwaar is bij besluit van 4 mei 2006 ongegrond verklaard. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat eiser uit eigen beweging binnen 28 dagen Nederland moet verlaten.

4. Bij brief van 1 juni 2006 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep schort de rechtsgevolgen van het besluit niet op. Bij brief van 1 juni 2006 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. De gronden van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn ingediend bij brief van 6 juli 2006. Op 28 juli 2006 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 3 oktober 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig G. de Vries, tolk Dari.

6. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Eiser is op 26 mei 2000 Nederland in gereisd. Hij heeft zich op 29 mei 2000 aangemeld bij de korpschef van regionaal politiekorps Gelderland-Midden en heeft daarbij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Deze procedure is voor eiser in negatieve zin geëindigd door de ongegrondverklaring van het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2004 (AWB 03/2823).

2. Als bijlage 2 bij de gronden als hierboven genoemd onder I.4. heeft eiser een vertaling overgelegd van een brief gedateerd 21 april 2006 van [naam]. Hierin staat onder meer vermeld dat in de omgeving van eisers wijk in Kabul geen enkel huis overeind is gebleven en dat vele families zijn vermoord of uit elkaar zijn gedreven. Voorts wordt vermeld dat hij, [naam], dikwijls heeft geïnformeerd naar eisers familie, maar niets van hem heeft vernomen.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2.1.Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen inspanningsverplichting bestaat onderzoek te doen naar de aanwezigheid van adequate opvang en er bovendien geen aanleiding voor onderzoek was. Aangezien eiser tijdens het eerste gehoor heeft verklaard dat zijn familie op een voor hem bekend adres woonachtig is, wordt aangenomen dat adequate opvang aanwezig is. Dat eiser stelt dat hij niet weet of zijn familie nog in leven is maakt dit niet anders. Het is immers aan eiser om aannemelijk te maken dat opvang bij zijn familie niet meer mogelijk is. Verwezen wordt naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Assen van 23 maart 2001 (AWB 00/5093 en AWB 00/5070). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er geen familie meer in Afghanistan is en derhalve wordt voor eiser adequate opvang aanwezig geacht in het land van herkomst. Het door eiser gestelde zogenaamde tracing-verzoek bij het Rode Kruis, dat niets heeft opgeleverd, is niet met stukken onderbouwd. Ook de enkele stelling dat zijn vriend naar zijn ouderlijk huis is gegaan, is niet onderbouwd met een objectief verifieerbaar document. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 14 december 2004 (AWB 03/45877). Voorts wijst verweerder erop dat eisers meerderjarige zussen, die woonachtig zijn in Afghanistan, hem opvang zouden kunnen bieden.

2.2 In het verweerschrift van 3 oktober 2006 heeft verweerder het ingenomen standpunt nog als volgt onderbouwd. Het feit dat niet binnen zes maanden was beslist doet geen aanspraak op een verblijfsvergunning ontstaan. Verwezen wordt naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 14 december 2002 (AWB 03/45877). De in TBV 1996/1 genoemde termijn is niet aan te merken als een fatale termijn. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 6 april 2004 (nr 200400593/1). Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling op 7 november 2003 (200305100/1) mocht eiser de aanwezigheid van adequate opvang worden tegengeworpen. De enkele stelling dat er geen opvang is, is onvoldoende. Bij de beoordeling of in een geval geen adequate opvang aanwezig is, kan alleen betekenis worden gehecht aan individuele, op eiser betrekking hebbende omstandigheden.

3. De rechtbank begrijpt de beroepsgronden als volgt:

a. Uit de jurisprudentie blijkt dat de beslistermijn van zes maanden geen fatale termijn is, maar de strekking van het beleid is om aan een minderjarige asielzoeker zo snel mogelijk zekerheid te geven over zijn verblijf in Nederland. Bij een te vergaande termijnoverschrijding dienen daar in het voordeel van eiser consequenties aan te worden verbonden. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht op 20 mei 2003 (AWB 01/25067 en 14378), en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem op 16 maart 2004 (AWB 02/39637 en 68024).

b. Eiser bestrijdt dat voor hem in Afghanistan adequate opvang is.

b.1. Recent is een vriend, [naam], naar Afghanistan afgereisd. [naam] heeft telefonisch laten weten dat er in de wijk in Kabul waaruit eiser afkomstig is, geen huizen meer overeind staan. [naam] heeft ook een brief gestuurd die zich, met vertaling, in het dossier bevindt. Eiser heeft sinds april 2000 geen enkel contact meer gehad met zijn familie; hij weet niet of zij daar nog wonen en of nog in leven zijn. Ook het Rode Kruis heeft zijn familie niet kunnen achterhalen.

b.2. Ten tijde van zijn aanvraag voerde verweerder een categoriaal beschermingsbeleid voor Afghanistan. Dat betekent dat verweerder heeft vastgesteld dat terugkeer naar Afghanistan van bijzondere hardheid zou getuigen gelet op de bijzonder slechte veiligheidssituatie. Uit de jurisprudentie blijkt dat adequate opvang niet aanwezig wordt geacht voor minderjarigen die afkomstig zijn uit een land waarvoor een categoriaal beschermingsbeleid geldt. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle op 7 december 1999 (NAV 2000/36-kort, JUB 2000 nr 11-257) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage op 17 april 2000 (JV 2000/S135, JUB 2000 nr. 11-256)

b.3. Verweerder legt ten onrechte de bewijslast voor afwezigheid van adequate opvang bij de alleenstaande minderjarige vreemdeling. Kennelijk baseert verweerder zich op TBV 2001/33 en 2002/23.Verweerder gaat hiermee voorbij aan het TBV 1996/1, welk TBV in het onderhavige geval van toepassing is.

c. Eiser beroept zich op artikel 4: 84 van de Awb.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Op 1 april 2001 is de Vw 2000 in werking getreden en is de Vreemdelingenwet 1965 (Vw) ingetrokken. Ingevolge de Vw 2000 houdt het bestreden besluit de beslissing in over de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000.

5. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

6. In het TBV 1996/1 staat - voor zover hier van belang - vermeld, dat indien is vastgesteld dat de minderjarige niet in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag van Genève of voor een vergunning tot verblijf om humanitaire redenen, zal worden beoordeeld of verwijdering van de minderjarige verantwoord is te achten. Daartoe zal in eerste instantie worden getracht de minderjarige met zijn ouders in het buitenland te herenigen. Als dit niet mogelijk is, zal worden beoordeeld of er andere adequate opvang in het land van herkomst aanwezig is. Ingeval binnen zes maanden na indiening van de asielaanvraag is komen vast te staan dat er voor deze minderjarige in het land van herkomst geen adequate mogelijkheid tot opvang redelijkerwijs is gewaarborgd en deze tevens onder voogdij van een voogdijvereniging is gesteld, wordt de minderjarige in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf.

Tijdens het nader gehoor zal de contactambtenaar speciale aandacht besteden aan het achterhalen van gegevens met betrekking tot de verblijfplaats van de ouders en/of de aanwezigheid van verwanten van de minderjarige in het land van herkomst. Op basis van de gegevens verkregen bij het eerste en nader gehoor kan worden besloten tot het instellen van een nader onderzoek naar de aanwezigheid van adequate opvang in het land van herkomst.

7. De rechtbank stelt vast dat niet wordt betwist dat eiser alleenstaand en minderjarig was ten tijde van de asielaanvraag. Voorts is niet in geschil dat het beleid zoals dat is neergelegd in het TBV 1996/1 van toepassing is. Met betrekking tot minderjarigen die voor 4 januari 2001 een asielaanvraag hebben ingediend, zoals eiser, is blijkens TBV 2001/33 niet het in dat TBV neergelegde beleid van toepassing, maar het beleid zoals dat gold voor die datum.

8. Reeds de eerste beroepsgrond slaagt.

Volgens vaste jurisprudentie is de in hoofdstuk B7/13 (oud) Vc 1994 en TBV 1996/1 neergelegde verplichting voor verweerder zich binnen zes maanden ervan te vergewissen dat in het land van herkomst adequate opvang redelijkerwijs gewaarborgd is, niet aan te merken als een fatale termijn.

Evenwel geeft het beleid met deze verplichting uitdrukking aan de zorg om een alleenstaande minderjarige vreemdeling (hierna: amv) zo snel mogelijk zekerheid over zijn verblijf in Nederland te verschaffen. De rechtbank stelt in de onderhavige zaak vast dat verweerder eerst na 31 maanden een eerste beslissing op de aanvraag van eiser heeft genomen, terwijl verweerder binnen deze periode niet heeft getracht eiser met zijn ouders te herenigen en geen (individueel) onderzoek naar adequate opvang heeft aangevangen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarin de overschrijding van de termijn is gelegen. Daarnaast heeft verweerder met zijn uitleg dat geen onderzoek naar adequate opvang (en kennelijk ook geen hereniging) noodzakelijk was in strijd gehandeld met het in het TBV 1996/1 neergelegde beleid. Immers, dit beleid houdt een verdergaande onderzoeksplicht in dan de enkele constatering dat eiser tijdens het eerste gehoor heeft verklaard dat zijn familie op een voor hem bekend adres woonachtig is en het aan eiser is om aannemelijk te maken dat opvang bij zijn familie niet meer mogelijk is. Zulks klemt te meer, nu eiser reeds bij zijn nader gehoor dat zo'n zeven maanden na het eerste gehoor plaatsvond heeft meegedeeld dat hij niet wist of zijn ouders nog leefden.

9. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de in het bestreden besluit vervatte motivering verweerders beslissing niet kan dragen. Tevens acht de rechtbank het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit komt derhalve wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

10. Gelet op het voorgaande behoeven de overige gronden geen verdere bespreking.

Met betrekking tot het verzoek om voorlopige voorziening.

11. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

12. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van de proceskosten

13. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid van de Awb wijst de recht¬bank, respectievelijk de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver¬goeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 06/26840

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen 6 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 06/26841

- wijst het verzoek af.

In beide zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderd zesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 282,-- (zegge: tweehonderdentweeëntachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 27 februari 2007 door mr. G.S. Crince le Roy, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen – van der Hoek, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: EW

Coll:

B:

Tegen de uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.