Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4829

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
11-05-2007
Zaaknummer
AWB 05/377
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

‘knowing and personal participation’ / faciliteren van misdrijven

Verweerder heeft de toepassing van artikel 1(F) van het Vv gebaseerd op het direct faciliteren van het verdrijven van de Kosovo-Albanese bevolking, van plundering en van brandstichting. Door eiser is niet betwist dat dergelijke handelingen in algemene zin zijn te kwalificeren als een misdrijf waarop artikel 1(F) van het Vv van toepassing kan zijn. Eiser heeft niet, althans niet gemotiveerd, betwist dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (‘knowing participation’). Er is dan ook geen aanleiding verweerders standpunt in zoverre niet te volgen. Tussen partijen is wel in geschil of ten aanzien van eiser kan worden aangenomen of hij hier persoonlijk op enige wijze aan heeft deelgenomen (‘personal participation’). Teneinde aannemelijk te achten dat eiser de misdrijven heeft gefaciliteerd, dient verweerder, mede gelet op de uitleg die de Trial Chamber aan de term ‘faciliteren’ in onder meer de uitspraken Tadic (7 mei 1997) en Kvocha (2 november 2001) heeft gegeven, afdoende te hebben gemotiveerd dat eisers bijdrage meer omvatte dan het ter plaatse aanwezig zijn. Eisers handelen moet daadwerkelijk effect hebben gesorteerd en moet het plegen van de misdrijven op enigerlei wijze hebben ondersteund. In dat verband dient verweerder te motiveren waarom eisers handelen een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het (kunnen) plegen van de misdrijven, en waarom deze misdrijven niet, althans moeizamer, hadden kunnen worden gepleegd als eiser zijn rol daarbij niet had vervuld. Verweerder is daarin niet geslaagd. Dat van de eenheid van eiser, tezamen met verscheidene tanks, een dreiging is uitgegaan, is zonder meer aannemelijk. Daarmee is evenwel niet reeds gegeven dat eiser, als soldaat temidden van tientallen andere soldaten, als individu een wezenlijke bijdrage heeft geleverd, die een rechtstreeks effect heeft gesorteerd, noch dat de aan hem tegengeworpen misdrijven niet of niet op dezelfde wijze hadden kunnen plaatsvinden indien hij daarbij niet aanwezig zou zijn geweest. Verweerder heeft het faciliteren van misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Vv ten onrechte aan eiser tegengeworpen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr: AWB 05/377

V. nr: 200.743.7133

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1978, burger van Servië, voorheen de FRJ, eiser,

gemachtigde: mr. A. Barada, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. E.B. Bervoets, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 17 november 1999 heeft eiser een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling, thans aan te merken als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 21 november 2003 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 14 januari 2004 heeft de gemachtigde van eiser een zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Op 1 oktober 2004 heeft verweerder aan eiser een tweede schriftelijk voornemen om de aanvraag af te wijzen gezonden. Bij brief van 29 oktober 2004 heeft eiser zijn zienswijze op dit tweede voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 9 december 2004 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 4 januari 2005 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brieven van 2 februari 2005 en 27 december 2005.

Op 2 februari 2005 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 28 december 2005 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig I. Jurida als tolk in de Servo-Kroatische taal.

II. ASIELRELAAS

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.

Eiser is moslim, geboren en getogen in Kosovo. Zijn ouders zijn afkomstig uit Montenegro. Eiser heeft van 23 juni 1998 tot 12 juni 1999 als dienstplichtig militair gediend in het Servische leger. Hij zat bij de landmacht, gemechaniseerde infanterie. Hij heeft een militaire basisopleiding van drie maanden gevolgd in Sonbor, waar hij is opgeleid tot schutter in een BVP, een gepantserd voortuig, niet zijnde een tank.

Hierna is eiser overgeplaatst naar [plaatsnaam], waar hij drie maanden belast is geweest met de bewaking van een opslagplaats. Vervolgens is eiser naar Subotica overgeplaatst, waar hij gedurende ongeveer twee-en-halve maand een militaire opleiding heeft gekregen. Eiser is na zijn opleiding in Subotica, omstreeks februari 1999, overgeplaatst naar [plaatsnaam] en aldaar ingedeeld bij gevechtseenheid 36. Daar kreeg hij een maand lang een extra militaire opleiding bestaande uit conditietraining en oefenen met militaire voertuigen. Inmiddels was het gehele BVP-bataljon in staat van paraatheid gebracht en overgeplaatst naar [plaatsnaam]. In een BVP-voertuig konden maximaal 8 à 9 personen, onder andere een commandant, een chauffeur, een schutter (operator) en een sluipschutter. Eiser was aangewezen als de sluipschutter van zijn BVP. Gevechtseenheid 36 beschikte over zes BVP-voertuigen. Op 23 maart 1999 werd gevechtseenheid 36 overgeplaatst naar een voormalige papierfabriek in [plaatsnaam], Kosovo, om daar deel uit te gaan maken van de 352 Valjevo tankeenheid, die uit circa twintig tanks bestond en zes BPV voertuigen. Eenheid 352 is in totaal ongeveer twee weken in [plaatsnaam] gebleven. De dorpen rond [plaatsnaam] zijn vernield door speciale eenheden (PJP-eenheden). Deze gingen de dorpen in waarbij geschoten werd. Door de leden van de speciale eenheden werden huizen in brand gestoken. De bewoners waren op de vlucht geslagen. Vervolgens kwamen de tanks van eenheid 352, gevolgd door de BVP-voertuigen, die de tanks moesten beschermen. De tanks hebben alleen op de bergen geschoten om de bevolking angst aan te jagen. Daarna is eenheid 352 naar het dorp [plaatsnaam] gegaan, waar de tanks op een moskee, die later een kerk bleek, hebben geschoten. De burgerbevolking sloeg met tractors op de vlucht. Er namen geen BVP-voertuigen deel en eiser liep naast de tanks. Op de vluchtende bevolking werd geschoten. Eiser heeft zelf in het geheel niet geschoten (pagina 2 en 4 van het gehoor op 5 augustus 2003), althans enkel in opdracht en niet gericht op een doel (pagina 5 van het gehoor op 4 juni 2002). Na drie à vier dagen keerden zij terug naar [plaatsnaam], het commando-centrum van eenheid 352, dat eiser vervolgens met de BVP-groep, waartoe hij behoorde, moest beveiligen. Wanneer er acties waren, moest eiser daaraan deelnemen. Hij heeft deelgenomen aan acties in Krajista en in de omliggende dorpen van Drenica, waarbij dorpen zijn vernield en de burgerbevolking op de vlucht is geslagen. Eiser heeft later bij het wachtlopen in Krajista een direct tot hem gericht bevel tot schieten van eerste kapitein [naam] genegeerd. Eiser heeft zijn wapen aangeboden aan [naam]. Zijn wapen werd afgenomen, hij werd bedreigd en er werd gezegd dat hij samenwerkte met het Ushtria Clirimtare e Kosovës, het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK). Een andere kapitein ([naam]) had na eisers uitleg begrip voor hem en heeft ervoor gezorgd dat eiser niet vanwege dit incident naar de militaire rechtbank in Nis hoefde. De basis van eisers problemen is erin gelegen dat hij niet kan schieten op mensen zonder wapens.

Eiser heeft dorpen gezien die door het Joegoslavische leger (de speciale PJP-eenheden) waren vernield, maar niet door de 352 tankeenheid. Anders dan bij de inname van andere plaatsen is in Krajista geen gebruik gemaakt van de speciale eenheden. Eiser vermoedt dat dit niet nodig was omdat Krajista makkelijk in te nemen was.

De speciale eenheden deden het echte vuile werk. Eiser heeft zelf gezien dat zij zich schuldig maakten aan brandstichting en vermoedt dat hetzelfde geldt voor verkrachting en moorden (pagina 5 van het gehoor op 5 augustus 2003). Iedereen was bang voor de speciale eenheden. Eiser beschouwde de etnisch Albanezen die werden verjaagd als onschuldige mensen die nergens verantwoordelijk voor waren.

Eiser heeft vaak nagedacht over vluchten, maar dat was onuitvoerbaar vanwege de blokkades door de speciale politie in heel Kosovo. De dienstplichtige soldaten werden in Kosovo en voorafgaand aan het vertrek naar Kosovo streng bewaakt door beroepsmilitairen. Ze werden bang gemaakt met het verhaal dat de militaire politie op hen zou schieten als ze zouden proberen te vluchten.

Eisers diensttijd stopte toen het Joegoslavische leger zich terugtrok. De soldaten met een andere nationaliteit mochten toen naar huis om voor hun gezinnen te zorgen. In Kosovo werd eiser als verrader gezien omdat hij in het Servische leger had gediend. Hij heeft daarom van 12 juni 1999 tot 23 augustus 1999 ondergedoken gezeten. Volgens verhalen werkte het UÇK met een zwarte lijst en eiser zou snel aan de beurt zijn. Eisers ouders hebben de hulp van de Kosovo Force (KFOR) ingeroepen om bescherming te krijgen tegen de Albanese bevolking. Eiser kan niet naar Servië. Servië is de oorzaak van alles. Hij is geen Serviër, maar wel moslim.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich - samengevat - op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De aanvraag van eiser is afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Eiser vormt een gevaar voor de openbare orde, omdat ten aanzien van hem ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (hierna: Vv). De toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vv maakt dat geen sprake is van vluchtelingschap in de zin van het verdrag. Eiser heeft als scherpschutter gediend in het Servische leger. Scherpschutters hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de situatie waarin de burgerbevolking met excessief geweld van huis en haard werd verdreven. Eiser wordt verweten het verdrijven van de Kosovo-Albanese bevolking alsmede plundering en brandstichting direct te hebben gefaciliteerd. Van dwang die eiser zou kunnen vrijwaren van verantwoordelijkheid is in dit geval geen sprake. Voorts heeft eiser geen pogingen ondernomen zich aan deze misdrijven te onttrekken.

Zelfs in geval van mogelijke schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is de afwijzing van de asielaanvraag mogelijk. Vrijwillige vestiging in Servië en Montenegro is mogelijk en dan ontstaat er geen schending van artikel 3 van het EVRM.

Uit de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vv volgt dat eisers beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, evenmin kan slagen.

Tot slot komt eiser, nu artikel 1(F) van het Vv van toepassing is, evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

2. Eiser legt aan het beroep - samengevat - ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Hem wordt ten onrechte artikel 1(F) van het Vv tegengeworpen om de reden dat hij het verdrijven van de Kosovo-Albanese bevolking zou hebben gefaciliteerd. Volgens eiser had verweerder niet de rapportage van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en Human Rights Watch bij de beoordeling mogen betrekken, nu niet is toegelicht op welke wijze de getuigeninformatie is vergaard. Het is niet bekend of deze informatie betrouwbaar is. Eiser betwist niet de inhoud van de door verweerder aangehaalde informatie uit openbare bronnen en evenmin dat bepaalde passages uit deze informatie exact aansluiten op de verklaringen van eiser, maar bestrijdt dat daarmee de tegenwerpingen van verweerder zijn bewezen en wijst er voorts op dat de lat van de bewijslast in dergelijke zaken hoog ligt. In eisers visie heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat er ten aanzien van eiser voldaan is aan de ‘personal en knowing participation test’ en er daarom ernstige redenen zijn te veronderstellen dat eiser betrokken is geweest bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F). Eiser heeft als dienstplichtig militair tijdens de Kosovo-crisis geen functie op een niveau bekleed waarvan formele verantwoordelijkheid voor - en daarmee wetenschap van - mensenrechtenschendingen mag worden verondersteld. Van faciliteren (van plundering, brandstichting en het verdrijven van Kosovo-Albanese bevolking) is eerst sprake als zonder het handelen of nalaten van betrokkene het misdrijf niet zou zijn gepleegd of het plegen daarvan aanzienlijk bemoeilijkt was. Het gaat er daarbij om dat het handelen en nalaten in wezenlijke mate bijdraagt aan het misdrijf. Onder bijdrage wordt verstaan dat het feitelijk effect op het misdrijf heeft en dat dit misdrijf zonder de bijdrage hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden. Nergens blijkt uit dat eiser een dergelijke bijdrage heeft geleverd aan de gewraakte handelingen. Door de houding van eiser zijn er waarschijnlijk juist minder slachtoffers gevallen. Het is volstrekt aannemelijk dat eiser onder grote dwang stond en hij zich zoveel mogelijk aan oorlogshandelingen heeft onttrokken. Vanaf het moment dat eisers eenheid naar Kosovo is gestuurd, heeft er voor eiser geen enkele mogelijkheid bestaan te deserteren.

In het kader van eisers beroep op artikel 3 van het EVRM heeft verweerder zich niet uitgelaten over de vraag of eiser kan terugkeren naar Kosovo. Verweerder stelt dat eiser vrijwillig naar Servië kan terugkeren. Dat betwist eiser gemotiveerd.

Tot slot meent eiser dat hem ten onrechte een verblijfsvergunning op grond van tijdsverloop is onthouden.

3. Verweerder heeft in het verweerschrift de tegenwerping aan eiser aangescherpt door aan het verwijt van het verdrijven van de Kosovo-Albanese bevolking alsmede direct faciliteren van plundering en brandstichting toe te voegen dat het gaat om diverse dorpen in de gebieden [plaatsnaam] en [plaatsnaam], en in het bijzonder Krajista. Eiser is Krajista met zijn eenheid lopend binnengegaan naast de tanks met ongeveer 40 of 50 andere soldaten. Eiser is voorts in het gebied [plaatsnaam] met zijn eenheid 500 à 800 meter achter de speciale eenheden aan de dorpen binnengevallen.

Er is in het geval van eiser sprake van knowing participation: hij heeft immers verklaard dat hij heeft gezien wat door de eenheid waarvan hij deel uitmaakte werd aangericht. Er is eveneens sprake van personal participation: eiser heeft in zijn functie, door deelname aan acties in diverse dorpen in genoemde gebieden, mede de omstandigheden geschapen waaronder zowel zijn eigen eenheid als de speciale eenheden de genoemde misdrijven hebben kunnen plegen. Hij wordt als mededader aangemerkt en niet valt in te zien waarom hij zich niet aan de activiteiten heeft onttrokken. Eiser is niet gedeserteerd hoewel daartoe blijkens het ambtsbericht de mogelijkheid bestond en hij heeft niet met enig stuk geconcretiseerd dat desertie voor zijn familieleden tot gevaar kon leiden.

De inhoud van de door verweerder gebruikte stukken (Human Rights Watch en OVSE-rapportage) komt overeen met de gebeurtenissen waarover eiser heeft verklaard. Wat betreft de term ‘faciliteren’ wijst verweerder op het begrip ‘wezenlijke invloed’ in rechtsoverweging 692 van de uitspraak van het Joegoslavië-tribunaal van 17 mei 1999 in de Tadic-zaak: dat de bijdrage een feitelijk effect heeft op het begaan van het misdrijf. Terecht is geconcludeerd dat eiser als mededader dient te worden beschouwd. Wat betreft het beroep tegen de weigering van een verblijfsvergunning tijdsverloop verwijst verweerder naar het voornemen en het daarin vervatte standpunt aangaande de werking van artikel 3.77 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000.

IV. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

2. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan op de aldaar genoemde gronden een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend.

3. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde en de nationale veiligheid.

4. In artikel 1(F) van het Vv is bepaald dat de bepalingen van het Verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

5. Volgens het in hoofdstuk C1/5.13.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) geformuleerde beleid van verweerder is de omstandigheid dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdrijven, andere ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1(F) van het Vv, een bijzondere grond van openbare orde die leidt tot afwijzing van de asielaanvraag.

6. Volgens paragraaf C1/5.13.3.3 van de Vc 2000 is het aan de Minister om aan te tonen dat er redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vv valt. Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv, wordt de ‘personal and knowing participation test’ toegepast. Beoordeeld wordt daarbij of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1(F) van het Vv worden tegengeworpen.

7. Op grond van artikel 3.107, eerste lid, van het Vb 2000 wordt aan een vreemdeling geen verblijfsvergunning op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000 verleend, indien artikel 1(F) van het Vv aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in de weg staat.

8. Verweerder heeft de toepassing van artikel 1(F) van het Vv gebaseerd op het direct faciliteren van het verdrijven van de Kosovo-Albanese bevolking, van plundering en van brandstichting. De rechtbank stelt vast dat door eiser is niet betwist dat dergelijke handelingen in algemene zin zijn te kwalificeren als een misdrijf waarop artikel 1(F) van het Vv van toepassing kan zijn.

9. Eiser betwist dat verweerder zijn besluitvorming heeft kunnen baseren op de in de besluitvorming aangehaalde OVSE-rapporten en het rapport van Human Rights Watch. Volgens eiser zijn deze rapporten gebaseerd op getuigenverklaringen, nu niet is toegelicht op welke wijze de informatie is vergaard. Hierdoor kan de betrouwbaarheid van de inhoud niet worden vastgesteld. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De door eiser gewraakte rapporten betreffen openbare stukken van gezaghebbende organisaties. De in deze rapporten vervatte informatie komt overeen met hetgeen eiser zelf heeft verklaard tijdens de gehoren. Zo heeft eiser verklaard betrokken te zijn geweest bij de acties in Krajista en de omliggende dorpen van Drenica (aanvullend gehoor van 4 juni 2006, p. 5; aanvullend gehoor van 5 augustus 2003, p. 3 en 4). Eisers beschrijving van die acties wijkt niet op wezenlijke punten af van hetgeen is beschreven in de door verweerder aangehaalde bronnen. Gelet op hetgeen eiser zelf heeft verklaard over de acties waarbij zijn eenheid 352 betrokken was, ondersteund met de aangehaalde bronnen, heeft verweerder afdoende aannemelijk gemaakt dat de misdrijven hebben plaatsgevonden tijdens eisers aanwezigheid aldaar. Daarbij hecht de rechtbank voorts waarde aan de omstandigheid dat eiser geen (openbare) stukken heeft ingebracht of aangehaald die tot een andere conclusie nopen.

10. Nu sprake is van misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Vv, terwijl voorts naar het oordeel van de rechtbank afdoende vaststaat dat eiser aldaar ten tijde van het begaan daarvan aanwezig was, dient vervolgens te worden beoordeeld of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser voor die misdrijven individueel verantwoordelijk kan worden gehouden.

11. Verweerder heeft op basis van eisers eigen verklaringen over de gebeurtenissen en hetgeen hij stelt aldaar te hebben waargenomen geconcludeerd dat sprake is van ‘knowing participation’.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet, althans niet gemotiveerd, betwist heeft dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het standpunt van verweerder in zoverre niet te volgen. Tussen partijen is wel in geschil of ten aanzien van eiser kan worden aangenomen of hij hier persoonlijk op enige wijze aan heeft deelgenomen (‘personal participation’).

12. Het beleid van verweerder omtrent de vaststelling van de ‘personal participation’ als neergelegd in C1/5.13.3.3.1 van de Vc 2000 luidt als volgt:

“Onder ‘personal participation’ wordt hier niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van het misdrijf, maar ook het door betrokkene direct faciliteren hiervan. Hiervan is sprake als zonder het handelen of nalaten van betrokkene het misdrijf niet zou zijn gepleegd of dat het aanzienlijk moeilijker zou zijn geweest het misdrijf te plegen. Indien aan één van de volgende situaties is voldaan is er sprake van ‘personal participation’:

[..]

3. indien uit verklaringen van betrokkene of uit ontvangen informatie blijkt dat het misdrijf als bedoeld in artikel 1F door betrokkene direct is gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen; [..].”

13. Gelet op het vorenstaande dient derhalve te worden beoordeeld of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eisers handelen en/of nalaten direct en in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan de misdrijven, hetgeen door eiser gemotiveerd is betwist.

14. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd nader toegelicht waaruit het faciliteren, dat aan eiser wordt tegengeworpen, heeft bestaan. Eiser wordt niet verweten dat hij als scherpschutter mensen heeft gedood, maar wel dat hij tanks heeft begeleid, waardoor deze hun werk konden doen. Concreet heeft het faciliteren door eiser bestaan uit zijn aanwezigheid en de dreiging die daar vanuit ging, aldus verweerder.

15. Voor de interpretatie van de termen “direct” en “in wezenlijke mate” acht de rechtbank het geraden om, zoals ook verweerder blijkens het bestreden besluit heeft gedaan, aansluiting te zoeken bij de jurisprudentie van de Trial Chamber van het Joegoslavië-Tribunaal (de Trial Chamber).

16. In de uitspraak van de Trial Chamber van 7 mei 1997, inzake Tadic (gepubliceerd op www.un.org/icty), is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

(r.o. 688) “[..] In addition, the commentary [to the I.L.C. Draft Code - toevoeging rechtbank] notes that:

the accomplice must provide the kind of assistance which contributes directly and substantially to the commission of the crime, for example by providing the means which enable the perpetrator to commit the crime. Thus, the form of participation of an accomplice must entail assistance which facilitates the commission of a crime in some significant way.

While there is no definition of “substantially”, it is clear from the aforementioned cases that the substantial contribution requirement calls for a contribution that in fact has an effect on the commission of the crime [..]”

(r.o. 689) “The Trial Chamber finds that aiding and abetting includes all acts of assistance by words or acts that lend encouragement or support, as long as the requisite intent is present. Under this theory, presence alone is not sufficient if it is an ignorant or unwilling presence. However, if the presence can be shown or inferred, by circumstantial or other evidence, to be known and to have a direct and substantial effect on the commission of the illegal act, then it is sufficient on which to base a finding of participation and assign the criminal culpability that accompanies it.”

(r.o. 692) “In sum, the accused will be found criminally culpable for any conduct where it is determined that he knowingly participated in the commission of an offence that violates international humanitarian law and his participation directly and substantially affected the commission of that offence through supporting the actual commission before, during, or after the incident.”

16. In de uitspraak van de Trial Chamber van 2 november 2001, inzake Kvocka (gepubliceerd op www.un.org/icty), is, voor zover hier van belang, het navolgende overwogen:

(r.o. 311) “The Trial Court finds that during periods of war or mass violence, the threshold required to impute criminal responsibility to a mid or low level participant in a joint criminal enterprise as an aider and abettor [..] normally requires a more substantial level of participation than simply following orders to perform some low level function in the criminal endeavor or a single occasion. The level of participation attributed to the accused and whether that participation is deemed significant will depend on a variety of factors, including the size of the criminal enterprise, the functions performed, the position of the accused, the amount of time spent participating after acquiring knowledge of the criminality of the system, efforts made to prevent criminal activity or to impede the efficient functioning of the system, the seriousness and the scope of the crimes committed and the efficiency, zealousness or gratuitous cruelty exhibited in performing the actor’s function. [..]

(r.o. 312) “In sum, an accused must have carried out acts that substantially assisted or significantly effected the furtherance of the goals of the enterprise, with the knowledge that his acts or omissions facilitated the crimes committed through the enterprise in order to be criminally liable as a participant in an joint criminal enterprise. The culpable participant would not need to know of each crime committed. Merely knowing that crimes are being committed within a system and knowingly participating in that system in a way that substantially assists or facilitates the commission of a crime or which allows the criminal enterprise to function effectively or efficiently would be enough to establish criminal liability. The aider or abettor or co-perpetrator of a joint criminal enterprise contributes to the commission of the crimes by playing a role that allows the system or enterprise to continue its functioning.”

17. Teneinde aannemelijk te achten dat eiser de misdrijven heeft gefaciliteerd, dient verweerder, mede gelet op de uitleg die de Trial Chamber aan de term ‘faciliteren’ in bovengenoemde uitspraken heeft gegeven, afdoende te hebben gemotiveerd dat eisers bijdrage meer omvatte dan het ter plaatse aanwezig zijn. Eisers handelen moet daadwerkelijk effect hebben gesorteerd en moet het plegen van de misdrijven op enigerlei wijze hebben ondersteund. In dat verband dient verweerder te motiveren waarom eisers handelen een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het (kunnen) plegen van de misdrijven, en waarom deze misdrijven niet, althans moeizamer, hadden kunnen worden gepleegd als eiser zijn rol daarbij niet had vervuld.

De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder daarin niet is geslaagd. Dat van de eenheid van eiser, tezamen met verscheidene tanks, een dreiging is uitgegaan, acht de rechtbank zonder meer aannemelijk. Daarmee is evenwel niet reeds gegeven dat eiser, als soldaat temidden van tientallen andere soldaten, als individu een wezenlijke bijdrage heeft geleverd, die een rechtstreeks effect heeft gesorteerd, noch dat de aan eiser tegengeworpen misdrijven niet of niet op dezelfde wijze hadden kunnen plaatsvinden indien eiser daarbij niet aanwezig zou zijn geweest.

In dit licht bezien acht de rechtbank de door verweerder gebezigde motivering onvoldoende concreet en onvoldoende toegespitst op eisers handelen.

Bij dit oordeel betrekt de rechtbank voorts dat artikel 1(F) van het Vv restrictief dient te worden uitgelegd en dat het op de weg van verweerder ligt om eisers verwijtbaar handelen afdoende aannemelijk te maken. Daartoe verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 december 2003 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AO2566) en 16 januari 2004 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AO2496).

18. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank met eiser van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers personal participation afdoende aannemelijk is gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat verweerder ten onrechte het faciliteren van misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Vv aan eiser heeft tegengeworpen. Het bestreden besluit ontbeert een draagkrachtige motivering en kan om die reden in rechte geen stand houden.

19. Nu de in het bestreden besluit vervatte ambtshalve weigering aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens tijdverloop in de asielprocedure toe te kennen, uitsluitend is gebaseerd op de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vv, kan dat besluit, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, evenmin in rechte standhouden.

20. Het beroep dient gegrond te worden verklaard, het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb, en verweerder zal worden opgedragen om opnieuw te beslissen op eisers aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak.

21. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

V. BESLISSING

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt op eisers aanvraag, met in¬achtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2007 door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mrs. H.J.M. Baldinger en L. Boonstra, rechters, in tegenwoor¬digheid van mr. A.E.M. de Vries, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

de griffier is buiten staat te tekenen

Afschrift verzonden op:

Conc: AV/PK

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.