Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4730

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
kg 07-483
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tegen de Staat over het EBI-regime dat op eiser wordt toegepast in het Penitentiair Ziekenhuis in Scheveningen. Eiser heeft gevorderd: (partiële) opheffing van het EBI regime voor zolang als de artsen dat medisch gezien noodzakelijk achten; subsidiair: opheffing van het handboeien regime alsmede versoepeling van het regime in het kader van de frequentie van de bezoeken van familie en vrienden; meer subsidiair: onverwijlde terugplaatsing van eiser naar de EBI in Vught. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiser in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat de rechtsgang die de Pbw (Penitentiaire beginselenwet) biedt niet een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is en is er geen reden voor de veronderstelling dat de rechtsgang ingevolge de Pbw niet met gepaste voortvarendheid zou kunnen verlopen. De voorzieningenrechter verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 4 mei 2007,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/483 van:

[eiser],

thans verblijvende in het Penitentiair Ziekenhuis te Scheveningen,

eiser,

procureur mr. A.P. Visser,

advocaat mr. J-H.L.C.M. Kuijpers te 's-Hertogenbosch,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie, c.q. de Staatssecretaris van Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. E.J. Daalder.

1. Het procesverloop

Eiser heeft gedaagde bij exploot van 1 mei 2007 gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van 2 mei 2007. De procureur van eiser heeft ter zitting de vordering toegelicht. De advocaat van gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Spoedshalve is op 4 mei 2007 uitspraak gedaan. Daarvan is een audiëntieblad in executoriale vorm afgegeven. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 2 mei 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Eiser is verdachte in een complexe strafzaak. Op of omstreeks 30 januari 2006 is hij in voorlopige hechtenis genomen. Begin juni 2006 is eiser in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) geplaatst, onderdeel van de Penitentiaire Inrichtingen (PI) te Vught.

2.2. Op 12 april 2007 heeft eiser een hartoperatie ondergaan in het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) te Leiden. Op 25 april 2007 is eiser vanuit het LUMC overgebracht naar het Penitentiair Ziekenhuis (PZ) te Scheveningen. Eiser is nog immer formeel in de EBI geplaatst.

2.3. Bij brief van 26 april 2007 heeft eisers raadsman de directeur van de PI te Vught ([directeur PI te Vught]) bericht dat eiser onderhevig is aan het zogenoemde 'handboeien-regiem'. Daarbij is de directeur gesommeerd het er toe te leiden dat bedoeld regiem onverwijld wordt beëindigd, in ieder geval tot de uitspraak in een door eiser op korte termijn aan te spannen kort geding.

2.4. Bij brief van 26 april 2007 heeft [directeur PI te Vught] op voormelde sommatie als volgt geantwoord:

".......

In reactie hierop deel ik mee dat uit overleg tussen de medisch adviseur van het hoofdkantoor van de Dienst Justitiële Inrichtingen en het hoofd behandeling van het PZ is gebleken:

- dat de revalidatie van uw cliënt is afgestemd met twee hoogleraren van het LUMC die uw cliënt hebben behandeld en dat zij de omstandigheden waarin de revalidatie plaatsvindt ter plekke hebben waargenomen;

- dat deze hoogleraren tweemaal per week het PZ bezoeken om de ontwikkeling van de revalidatie van uw cliënt te volgen;

- dat is afgesproken dat deze hoogleraren steeds bereikbaar zijn voor telefonisch overleg of voor nader overleg;

- dat het EBI-regime dat op uw cliënt wordt toegepast, waar nodig is afgestemd op zijn medische omstandigheden.

Gelet op het feit dat in het PZ mede door twee hoogleraren van het LUMC voortdurend wordt nagegaan hoe de revalidatie van uw cliënt kan worden geoptimaliseerd en dat het voor hem geldende EBI-regime waar nodig aan zijn bijzondere omstandigheden wordt aangepast, ben ik van mening dat de toepassing van dit regime in deze omstandigheden niet inhumaan is en dat er geen reden is om de toepassing van dit regime op uw cliënt ongedaan te maken.

Indien u van mening bent dat het medisch handelen jegens uw cliënt niet voldoet aan de daarvoor geldende maatstaven, dan kunt u gebruik maken van de klachtenprocedure van hoofdstuk 7 Penitentiaire maatregel."

2.5. Bij brief van eveneens 26 april 2007 heeft eisers raadsman het LUMC, in verband met het onderhavig kort geding, gevraagd om -kort gezegd- een medische verklaring ten aanzien van eiser en een advies van de behandelend geneesheren van eiser inhoudende dat de huidige detentie situatie van eiser medisch gezien onverantwoord en inhumaan is.

2.6. Bij antwoordbrief van 26 april 2007 heeft het LUMC aan eisers raadsman twee brieven doen toekomen van 25 april dan wel 26 april 2007 van de behandelend geneesheren van eiser, gericht aan dr. [A] van het PZ te Scheveningen. Deze brieven bevatten medische informatie over eiser alsmede aanbevelingen over de behandeling van eiser.

3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

Eiser vordert -zakelijk weergegeven-

primair: (partiële) opheffing van het EBI regime voor zolang als de artsen dat medisch gezien noodzakelijk achten;

subsidiair: opheffing van het handboeien regime alsmede versoepeling van het regime in het kader van de frequentie van de bezoeken van familie en vrienden;

meer subsidiair: onverwijlde terugplaatsing van eiser naar de EBI in Vught.

Daartoe voert eiser onder meer het volgende aan.

Gedaagde handelt jegens eiser onrechtmatig door hem te onderwerpen aan het EBI regime terwijl eisers medische en mentale gesteldheid dat niet toestaat. Op deze wijze wordt eiser een adequaat uit te voeren revalidatie ten onrechte ontzegd. De gezondheidstoestand van eiser staat niet toe dat eerst de klachtenprocedure van hoofdstuk 7 Penitentiaire maatregel wordt gevolgd en ter zake een beslissing wordt afgewacht.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Gedaagde heeft allereerst als verweer aangevoerd dat eiser niet ontvankelijk is in zijn vorderingen omdat hij tegen de hiervoor onder 2.4 vermelde brief van de directeur van de EBI van 26 april 2007 ingevolge artikel 60 lid 1 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) beklag heeft kunnen doen bij de beklagcommissie. Daarnaast heeft gedaagde gesteld dat eiser ook de mogelijkheid heeft om, hangende de uitspraak op het klaagschrift, ingevolge artikel 66 Pbw een voorlopige voorziening te vragen aan de voorzitter van de beroepscommissie.

4.2. Geoordeeld wordt dat eiser in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat de rechtsgang die de Pbw biedt niet een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is. Ingevolge artikel 69 Pbw kan de klager tegen de uitspraak van de beklagcommissie beroep instellen bij een door de Raad voor Strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (RSJ) benoemde beroepscommissie van drie leden. De onafhankelijke positie van de RSJ draagt er mede toe bij dat de beroepscommissie beschouwd kan worden als een onafhankelijke rechterlijke instantie.

4.3. Vaststaat dat de vorderingen van eiser gericht zijn tegen -kort gezegd- een weigering van de directeur van de EBI om af te wijken van het geldende EBI regime. In dat verband heeft gedaagde er ter zitting op gewezen dat het een geïndividualiseerde en gemotiveerde beslissing van de directeur van de EBI betreft. Gedaagde heeft daarnaast gesteld dat de mogelijkheid die artikel 66 Pbw biedt aan een gedetineerde, even snel en effectief is als een civiel kort geding. Op dit punt heeft eisers raadsman ter zitting desgevraagd verklaard dat hij op 1 mei 2007 een klaagschrift heeft ingediend. De voorzieningenrechter heeft daarnaast begrepen dat eiser inmiddels ook gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die artikel 66 Pbw biedt. Gedaagde heeft betoogd dat de voorzitter van de beroepscommissie nog geen beslissing heeft genomen maar dat deze op korte termijn wordt verwacht. Nu het tegendeel onvoldoende aannemelijk is geworden, is er geen reden voor de veronderstelling dat de rechtsgang ingevolge de Pbw niet met gepaste voortvarendheid zou kunnen verlopen.

4.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiser niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen. Dit brengt met zich dat voor een inhoudelijke behandeling van de vorderingen van eiser in dit kort geding geen plaats meer is.

Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart eiser niet ontvankelijk in zijn vorderingen;

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.067,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 251,-- aan griffierecht;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 4 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

AB