Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4580

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
08-05-2007
Zaaknummer
AWB 07/17076 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / geen uitzettingshandelingen zolang niet overgeplaatst naar een Huis van Bewaring

Eiseres bevindt zich nog steeds in een politiecel. De reden hiervan is vermeld in de telefoonnotitie van verweerder van 27 april 2007. Uit deze telefoonnotitie blijkt dat eiseres momenteel onder behandeling is van een medisch specialist en binnenkort aan haar enkel zal worden geopereerd. De specialist zou overplaatsing van eiseres uit het cellencomplex hebben afgeraden.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat vreemdelingenbewaring te allen tijde gericht dient te zijn op verwijdering van de vreemdeling uit Nederland. Verweerder heeft ter zitting echter verklaard dat er geen enkele uitzettingshandeling wordt verricht zolang eiseres niet is overgeplaatst naar een Huis van Bewaring. Gelet op het advies van de medisch specialist is verweerder vooralsnog niet voornemens om tot overplaatsing over te gaan. Wanneer eiseres geopereerd zal worden en wat de datum van overplaatsing zal kunnen zijn is uit de stukken noch ter zitting duidelijk geworden. Derhalve is niet uitgesloten dat eiseres nog geruime tijd in het cellencomplex zal verblijven zonder dat verweerder tot uitzettingshandelingen over zal gaan. Dit brengt met zich mee dat vanaf heden niet kan worden gezegd dat er zicht op uitzetting bestaat. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/17076 VRONTN

uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de enkelvoudige kamer d.d. 2 mei 2007

inzake

[eiseres], geboren op geboortedatum] 1963, van Surinaamse nationaliteit,

eiseres, verblijvende in het cellencompex Zuid-Oost te Amsterdam,

gemachtigde: mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. C. Georgescu, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Verweerder heeft op 19 april 2007 aan eiseres met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.

1.2 Eiseres heeft hiertegen op 20 april 2007 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 1 mei 2007. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.2 Eiseres heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen en voert daartoe ten eerste aan dat eiseres op onjuiste gronden in bewaring is gesteld. Eiseres is namelijk van menig dat er geen sprake is van een verdenking van een misdrijf, zodat dit ten onrechte aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Ook de grond “niet beschikken over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 Vb” zou niet van toepassing zijn op eiseres, aangezien de vreemdelingenpolitie de beschikking zou hebben over het paspoort van eiseres. Met betrekking tot de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd heeft eiseres bovendien nog aangevoerd dat zij weliswaar niet is ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie, maar wel beschikt over een vaste verblijfplaats.

Daarnaast heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat er geen zicht op uitzetting bestaat nu eiseres om medische redenen in een politiecel verblijft en niet kan worden overgeplaatst naar een Huis van Bewaring.

2.3 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Ten aanzien van de grief dat eiseres vanwege onjuiste gronden in bewaring is gesteld wordt het volgende overwogen. Aan de maatregel van bewaring is door verweerder het volgende ten grondslag gelegd; eiseres wordt verdacht van het plegen van een misdrijf, eiseres beschikt niet over een geldig identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 Vb, eiseres heeft zich niet gemeld bij de korpschef en eiseres heeft geen vaste woon- of verblijfplaats.

Met betrekking tot deze laatste grond geldt dat inschrijving in de GBA leidend is voor het al dan niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats. Nu eiseres erkent dat zij niet is ingeschreven in de GBA, kan niet worden gesteld dat eiseres een vaste woon- of verblijfplaats heeft.

Aangaande de stelling van eiseres dat er thans niet meer sprake is van verdenking van een misdrijf is het volgende van belang. Uit gedingstuk 1 (proces-verbaal van aanhouding) kan worden afgeleid dat eiseres is aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 2.1.B Opiumwet, hetgeen een misdrijf is. Uit het proces-verbaal van overname (gedingstuk 7) leidt de rechtbank af dat het strafvorderlijk belang van vrijheidsbeneming in het kader van het strafrechtelijk voortraject op 19 april 2007 om 16:15 uur is komen te vervallen. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat er niet langer sprake was van een strafrechtelijke verdenking. Ook de overige gedingstukken bieden voor deze conclusie geen aanknopingspunt. Verweerder heeft derhalve het feit dat eiseres verdacht wordt van het plegen van een misdrijf terecht als grond voor de maatregel van bewaring kunnen aanvoeren.

De rechtbank stelt tevens vast dat door eiseres niet weersproken is dat zij zich niet gemeld heeft bij de korpschef. Daargelaten de vraag of het niet beschikken over identiteitspapieren als bedoeld in artikel 4.21 Vb terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd, zijn de hiervoor besproken gronden reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen.

2.5 Bij de beoordeling van de grief dat er geen zicht zou zijn op uitzetting van eiseres is van belang dat eiseres zich nog steeds bevindt in een politiecel. De reden hiervan is vermeld in de telefoonnotitie van verweerder van 27 april 2007. Uit deze telefoonnotitie blijkt dat eiseres momenteel onder behandeling is van een medisch specialist en binnenkort aan haar enkel zal worden geopereerd. De specialist zou overplaatsing van eiseres uit het cellencomplex hebben afgeraden.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat vreemdelingenbewaring te allen tijde gericht dient te zijn op verwijdering van de vreemdeling uit Nederland. Verweerder heeft ter zitting echter verklaard dat er geen enkele uitzettingshandeling wordt verricht zolang eiseres niet is overgeplaatst naar een Huis van Bewaring. Gelet op het advies van de medisch specialist is verweerder vooralsnog niet voornemens om tot overplaatsing over te gaan. Wanneer eiseres geopereerd zal worden en wat de datum van overplaatsing zal kunnen zijn is uit de stukken noch ter zitting duidelijk geworden. Derhalve is niet uitgesloten dat eiseres nog geruime tijd in het cellencomplex zal verblijven zonder dat verweerder tot uitzettingshandelingen over zal gaan. Dit brengt met zich mee dat vanaf heden niet kan worden gezegd dat er zicht op uitzetting bestaat.

2.6 Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring ten aanzien van eiseres vanaf heden onrechtmatig is. Het beroep dient derhalve gegrond verklaard te worden. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden, waarbij de rechtbank geen aanleiding ziet om aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toe te kennen.

2.7 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste

lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322 en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 2 mei 2007;

wijst het verzoek om schadevergoeding af;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten dient te vergoeden aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.D. Aardema, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007, in tegenwoordigheid van mr. K. Dankers, als griffier.

de griffier de rechter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 95 Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.