Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4485

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-02-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/46642 (verzoeker) AWB 06/46575 (verzoekster)
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Azerbeidzjan / buitenschuldcriterium / WBV 2005/4 / laissez-passer / terugkeer

Verzoekers hebben een vbt-regulier aangevraagd voor het doel ‘tijdsverloop in de asielprocedure’ of ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. In het kader van het beroep op het buitenschuldcriterium hebben verzoekers ter zitting verwezen naar de uitspraak van rechtbank Dordrecht van 29 september 2006 (AWB 05/43746) en naar een terugkeerbericht van de IND, waaruit zou blijken dat de ambassade van Azerbeidzjan geen laissez-passers aan etnische Armeniërs verstrekt. Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. Immers, verzoekers hebben reeds gedurende de procedure een beroep gedaan op WBV 2005/4. Dit WBV gaat uitdrukkelijk in op de problemen van etnische Armeniërs om in Azerbeidzjan hun rechten op staatsburgerschap aan te tonen. Gelet hierop en op het feit dat verzoekers binnenkort gepresenteerd worden bij de Azerbeidzjaanse ambassade, oordeelt de voorzieningenrechter dat wat verzoekers in beroep en ter zitting hebben aangevoerd aanleiding geeft om te veronderstellen dat de bestreden besluiten geen stand zullen houden. Toewijzing voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06/46642 (verzoeker) AWB 06/46575 (verzoekster)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 februari 2007

in de zaak van:

[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1974, verzoeker, en

[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1979, verzoekster,

beiden van Azerbeidzjaanse nationaliteit, hierna ook: verzoekers,

gemachtigde: mr. J. Broersen, medewerker van de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Haarlem,

tegen:

de minister van Justitie, voorheen de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.M.K. Frijters, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoekers hebben op 15 juli 2004 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “tijdsverloop in de asielprocedure” dan wel voor het doel “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 10 augustus 2004 afgewezen. Verzoekers hebben tegen het besluit op 16 augustus 2004 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij afzonderlijke besluiten van 23 augustus 2006 ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen deze besluiten op 25 september 2006 beroep ingesteld.

1.2 Verzoekers hebben op 25 september 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoeken verweerder te verbieden hen uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdend met het doel waarvoor hij wil verblijven.

2.3 Regels over de toepassing van deze afwijzingsgrond zijn neergelegd in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder w, Vb kan een verblijfsvergunning regulier worden verleend onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”. Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder x, Vb, zoals die bepaling luidde tot 1 januari 2003, kan een verblijfsvergunning regulier worden verleend onder de beperking “het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag”.

2.4 In C2/8 en C2/9 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder beleidsregels over de toepassing van deze bepalingen vastgesteld.

2.5 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Op 14 maart 1999 hebben verzoekers aanvragen om toelating als vluchteling ingediend. Bij afzonderlijke besluiten van 15 maart 2000 heeft verweerder deze aanvragen niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan en heeft verweerder ambtshalve overwogen geen aanleiding te zien vergunningen tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij afzonderlijke besluiten van 17 januari 2002 zijn de door verzoekers ingediende bezwaarschriften van 3 mei 2000 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 april 2004 (AWB 02/11551 en AWB 02/11561) heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, de door verzoekers ingediende beroepen van 13 februari 2002 ongegrond verklaard. De door verzoekers ingediende verzoeken om een voorlopige voorziening van 13 februari 2002 zijn bij afzonderlijke uitspraak van 21 april 2004 (AWB 02/11549 en AWB 02/11559) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, afgewezen.

2.6 In de bestreden besluiten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoekers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure”. Verzoekers voldoen niet aan de voorwaarden genoemd in C2/9.2 Vc, nu zij tijdens hun asielprocedure onvoldoende relevant tijdsverloop hebben opgebouwd. Gelet op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 21 april 2004, waarin het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers is afgewezen, heeft de Minister terecht schorsende werking onthouden aan het beroep tegen het besluit van 17 januari 2002. Verzoekers hebben dan ook schorsende werking verkregen op het ingediende bezwaarschrift van 3 mei 2000, waardoor zij van datum aanvraag tot aan één dag na ondertekening van het besluit op bezwaar, te weten 18 januari 2002, relevant tijdsverloop hebben opgebouwd. Dit is onvoldoende om de drie jaar relevant tijdsverloop op te bouwen. Evenmin komen verzoekers in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”. Verzoekers voldoen niet aan de cumulatief opgesomde voorwaarden genoemd in C2/8.3 Vc, nu zij in onvoldoende mate hebben aangetoond dat zij buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten. Er is geen aanleiding gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid. Hetgeen verzoekers daartoe hebben aangevoerd, noopt niet tot afwijking van het beleid. Verzoekers voldoen immers niet aan het beleid. Indien verzoekers in aanmerking willen komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb, of voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2005/4, dan dienen zij daarvoor op de geëigende wijze een aanvraag in te dienen. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb is afgezien van het horen van verzoekers.

2.7 In de gronden van beroep hebben verzoekers hun standpunt dat zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure” dan wel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken” nader onderbouwd.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 Ten aanzien van het beroep van verzoekers op het driejarenbeleid en hun stelling dat verweerder de schorsende werking van de voorlopige voorziening tijdens de asielprocedure alsnog moet onderzoeken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze stelling geen doel treft. Daartoe acht de voorzieningenrechter van belang dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, reeds bij uitspraak van 21 april 2004 een oordeel heeft geveld over dit verzoek om een voorlopige voorziening. Dit oordeel staat onherroepelijk vast en is bindend voor deze rechtbank en nevenzittingsplaats en ook voor verweerder.

2.9 Ten aanzien van het beroep van verzoekers op het buitenschuldcriterium overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers eerst ter zitting hebben verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 29 september 2006 (AWB 05/43746) en tevens hebben gewezen op een terugkeerbericht van de IND, waaruit zou blijken dat de ambassade van Azerbeidzjan geen laissez passers aan etnisch Armeniërs verstrekt. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de bovengenoemde uitspraak niet eerder is overgelegd, terwijl dit wel eerder had gekund en verzoekers evenmin hun gestelde problemen rond hun etniciteit eerder hebben aangevoerd. Verweerder acht dit in strijd met de goede procesorde en de voorzieningenrechter zou deze gronden, gelet op de ex-tunc toets in reguliere zaken, niet mee mogen nemen in de beoordeling. Echter, anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. Immers, verzoekers hebben reeds gedurende de procedure een beroep gedaan op WBV 2005/4, waarin uitdrukkelijk ingegaan wordt op de problemen van etnisch Armeniërs om in Azerbeidzjan hun rechten op staatsburgerschap aan te tonen.

2.10 Gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat verzoekers binnenkort gepresenteerd zullen worden bij de Azerbeidzjaanse ambassade is de voorzieningenrechter van oordeel dat hetgeen verzoekers in beroep en ter zitting hebben aangevoerd naar voorlopig oordeel aanleiding geeft om te veronderstellen dat de bestreden besluiten geen stand zullen houden. Hetgeen ook overigens is aangevoerd behoeft thans geen bespreking.

2.11De voorzieningenrechter zal een voorlopige voorziening treffen.

2.12 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding artikel 8:86, eerste lid, Awb toe te passen.

2.13 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekers hebben gemaakt en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor de verzoekschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.14 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb zal de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe;

3.2 veroordeelt verweerder in de kosten ad € 644,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan verzoekers te voldoen;

3.3 draagt de Staat der Nederlanden op het betaalde griffierecht ad € 141,- aan verzoekers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, voorzieningenrechter, en op 12 februari 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.