Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4481

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/44132, AWB 06/44135, AWB 06/44137
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking bestreden besluit / niet tijdig beslissen

Verweerder heeft hangende beroep het bestreden besluit ingetrokken. In de zaak die ten grondslag lag aan de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2006, JV 2006, 214, waren in beroep, anders dan in dit geval, gronden aangevoerd betreffende het niet tijdig beslissen. De rechtbank is er niettemin vanuit gegaan dat de Afdeling, getuige de bewoordingen van haar uitspraak, een algemene regel heeft willen formuleren voor alle gevallen waarin bestreden besluiten hangende beroep worden ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 06/44132, AWB 06/44135 en AWB 06/44137

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2007

inzake

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1955,

[eiser 1]

geboren op [geboortedatum] 1983,

[eiser 2]

geboren op [geboortedatum],

nationaliteit Russische,

verblijvende te ’s-Gravenhage,

eisers,

gemachtigde mr. J.M. Langenberg,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. drs. M.F. van der Lubbe.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 29 juli 2003 heeft verweerder de aanvragen van eisers, tot verlening van een verblijfsvergunning in verband met "schrijnende omstandigheden" (op grond van de zogenoemde 14/1-brief van verweerder), afgewezen. Eisers hebben tegen die afwijzing bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij afzonderlijke besluiten van 14 augustus 2006 heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en zijn besluiten van 29 juli 2003 gehandhaafd.

Tegen deze besluiten hebben eisers beroep ingesteld.

Tevens heeft mevrouw [eiseres] de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt dat haar uitzetting achterwege wordt gelaten totdat uitspraak zal zijn gedaan op haar beroep. Het verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 06/44133.

Bij besluit van 15 januari 2007 heeft verweerder de bestreden besluiten ingetrokken. Daarbij heeft verweerder medegedeeld dat de behandelende unit opnieuw op de bezwaren van eisers zal beslissen en dat eisers de nieuw te nemen besluiten in Nederland mogen afwachten.

De zaken zijn behandeld op de zitting van 26 januari 2007, waar eisers niet zijn verschenen of zijn vertegenwoordigd. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. In verband met de intrekking van de bestreden besluiten zal de rechtbank allereerst hebben te beoordelen in hoeverre eisers nog belang hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van die besluiten.

2. Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat tussen de indiening van de bezwaarschriften en de beslissing daarop meer dan die jaar is verstreken. Derhalve was, ook zonder het intrekken van de bestreden besluiten, de ingevolge artikel 7:10 van de Awb geldende termijn voor het nemen van de beslissing op de bezwaren van eisers reeds lang overschreden.

3. Op 27 maart 2006 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in de zaak met nummer 200507386/1 (gepubliceerd in JV 2006, 214) beslist dat verweerder, door een besluit tot afwijzing van een aanvraag in te trekken maar niet opnieuw op de aanvraag te beslissen, niet binnen de ingevolge artikel 15e van de Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 117, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voor het nemen van een beslissing gestelde termijn op de aanvraag heeft beslist. Volgens de Afdeling is aldus sprake van het niet tijdig nemen van een besluit dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld.

4. De rechtbank heeft partijen in verband met deze uitspraak bericht dat de bij deze rechtbank op 11 september 2006 aanhangig gemaakte beroepen, met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede zullen worden aangemerkt als beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb.

5. In de zaak die ten grondslag lag aan de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2006 waren in beroep, anders dan in deze zaken, gronden aangevoerd betreffende het niet tijdig beslissen. De rechtbank is er niettemin vanuit gegaan dat de Afdeling, getuige de bewoordingen van haar uitspraak, een algemene regel heeft willen formuleren voor alle gevallen waarin bestreden besluiten hangende beroep worden ingetrokken.

6. Weliswaar is in casu verder, anders dan in de aangehaalde uitspraak van de Afdeling, sprake van het intrekken van een beslissing op bezwaar hangende beroep, maar die situatie verschilt naar het oordeel van de rechtbank niet wezenlijk van die waarin een primair besluit hangende het daartegen ingestelde - en op grond van de wettelijke regeling mogelijke - beroep wordt ingetrokken.

7. Vast staat, gelet hierop, dat eisers, voor zover het het niet tijdig nemen van een beslissing op hun bezwaar betreft, nog belang hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de door hen bestreden besluiten. Voor het overige acht de rechtbank dit belang niet meer aanwezig.

8. Nu verweerder niet binnen de in artikel 7:10 van de Awb bedoelde termijn op de bezwaren van eisers heeft beslist, heeft verweerder gehandeld in strijd met de wet. De beroepen zijn in zoverre dan ook gegrond. Voor het overige zijn de beroepen niet-ontvankelijk.

9. Het, op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten op de bezwaren van eisers dient, gelet hierop, te worden vernietigd.

10. Verweerder zal, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb worden opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen binnen zes weken na de datum waarop deze uitspraak is verzonden.

11. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, in het bijzonder artikel 3 inzake samenhangende zaken, wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten begroot op in totaal € 80,50 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• waarde per punt € 322,--;

• wegingsfactor 0,25

12. Aangezien ten behoeve van eisers toevoegingen zijn verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

13. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder eisers het door hen gestorte griffierecht dient te vergoeden.

14. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond, voor zover verweerder niet tijdig op de bezwaren van eisers heeft beslist;

- vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen door verweerder van beslissingen op de bezwaren van eisers;

- verklaart de beroepen voor het overige niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten dient te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 80,50;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier;

- gelast dat het betaalde griffierecht, ten bedrage van € 141,--, door de Staat der Nederlanden namens verweerder aan eisers wordt vergoed.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van P.L.M.M. Mulders als griffier op 12 maart 2007.