Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4425

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/54347
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BJ1750, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn: De rechtbank is van oordeel dat het nationale recht volledig in overeenstemming is met het neergelegde in artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn. Het samenwerkingsvereiste is reeds opgenomen in het nationale recht. Daaraan is invulling gegeven in onder meer het eerste gehoor, het nader gehoor, met daarbij de mogelijkheid tot het aanreiken van correcties en aanvullingen, en de voornemenprocedure, waarin de vreemdeling de mogelijkheid heeft om een zienswijze in te dienen, neergelegd in de artikelen 3.115 tot en met 3.119 van het Vb 2000. Artikel 4, tweede lid, van de Definitierichtlijn: Uit deze bepaling, bezien in samenhang met het eerste lid, vloeit voort dat de vreemdeling alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk dient over te leggen, welke elementen bestaan in de verklaringen van de vreemdeling en alle documentatie in het bezit van de vreemdeling over – onder meer en voor zover hier van belang - de reisroutes en reisdocumenten. De rechtbank stelt allereerst vast dat deze bepaling vooralsnog niet op de juiste wijze is geïmplementeerd in het nationale recht. Immers, deze bepaling is niet in een algemeen verbindend voorschrift vastgelegd. Derhalve kan op deze bepaling rechtstreeks een beroep worden gedaan, nu die bepaling voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is geformuleerd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat er geen sprake is van een significante wijziging van het relevante materiële recht, nu deze elementen reeds bij de beoordeling worden betrokken en zijn opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), onder C1/3 paragraaf 1 en 2 en onder C1/5.8. Steun voor deze opvatting vindt de rechtbank verder in de MvT bij het wetsvoorstel tot implementatie van de Definitierichtlijn. Artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn: Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het neergelegde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 inhoudelijk slechts voor een deel overeenkomt met het bepaalde in artikel 15 van de Definitierichtlijn. Dat met artikel 15 voornoemd beoogd zou zijn geweest om interpretatieverschillen te voorkomen, zoals door verweerder aangegeven, laat onverlet dat de omschrijving van de risico's van onderdelen a, b en c van dit artikel niet gelijk is aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De rechtbank – zich beperkend tot de grief van eiseres - is van oordeel dat onderdeel c van artikel 15 van de Definitierichtlijn niet is geïmplementeerd, nu het in dit onderdeel omschreven risico niet is terug te vinden in een algemeen verbindend voorschrift. Gelet op het vorenstaande alsmede op het feit dat voornoemde bepaling voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is geformuleerd, kan eiseres een beroep doen op voornoemde bepaling. Op zich is het juist dat ingevolge artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn voor een geslaagd beroep op subsidiaire bescherming sprake moet zijn van ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar overweging 26 in de preambule, waarin is neergelegd dat gevaren waaraan (een deel van) de bevolking van een land in het algemeen is blootgesteld normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt. Met deze overweging wordt echter slechts aangegeven dat de Definitierichtlijn geen categoriale bescherming beoogt te bieden zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Dit laatste is tussen partijen ook niet meer in geschil. Daarmee is evenwel nog niet gezegd hoe het criterium “individuele bedreiging” dient te worden opgevat. Verweerder heeft aangegeven dat er in het individuele geval van eiseres sprake moet zijn van een reëel risico op het lijden van ernstige individuele schade. Overeenkomstig verweerders eerder aangegeven standpunt, inhoudende dat het in artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn geschetste ernstige schade geacht moet worden te zijn begrepen in het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, begrijpt de rechtbank verweerders opvatting aldus dat ten aanzien van artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn sprake dient te zijn van hetzelfde ‘real risk’-criterium dat gehanteerd wordt bij de toepassing van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat verweerders opvatting miskent dat de in artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn aangegeven schade het gevolg is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands conflict. Voor de aanwezigheid van genoemde ‘individuele bedreiging’ is niet noodzakelijk dat die bedreiging slechts de betrokken vreemdeling zelf betreft of, indien de vreemdeling tot een risicogroep behoort, dat de bedreiging in het bijzonder ten aanzien van de betrokken vreemdeling geldt. Voldoende is dat in een situatie van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict de betrokken vreemdeling tot een groep burgers behoort die op grond van (een combinatie van) specifieke kenmerken een zodanig bijzonder risicoprofiel heeft dat reëel te verwachten valt dat leden van die groep burgers het slachtoffer worden van willekeurig geweld. Het criterium ‘willekeurig’ duidt er daarbij op dat het behoren tot een dergelijke groep burgers met een bijzonder risicoprofiel voldoende is en dat niet vereist is dat de betrokken vreemdeling binnen die groep nog eens een extra of aanvullend individueel risico aannemelijk maakt. Het gaat er om dat het geweld leden van de groep burgers zal treffen zonder aanzien des persoons binnen de groep. Het vorenstaande laat onverlet dat het genoemde bijzondere risicoprofiel aan de hand van concrete en verifieerbare feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt zal moeten worden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/272
JNVR 2007/102

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/54347

Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2007

inzake

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1980,

nationaliteit Burundische,

verblijvende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. E.L. Garnett,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. A. van Blankenstein.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de Minister van Justitie.

Bij besluit van 4 november 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er (thans) toe strekt dat uitzetting van eiseres achterwege wordt gelaten totdat uitspraak zal zijn gedaan op het beroep. Het verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 06/54348.

De zaak is behandeld op de zitting van 16 februari 2007, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Als tolk was aanwezig A.C. de Costa.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 4 november 2006 in rechte stand kan houden.

2. Ter onderbouwing van haar aanvraag en beroep heeft eiseres - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Eiseres heeft in september 2006 via een kioskhouder een huwelijksaanzoek gekregen van een man die zij de vorige dag bij de kiosk had gezien. Eiseres had bij de kiosk gehoord dat deze man zich [naam] noemde en dat hij commandant was. Eiseres heeft het aanzoek geweigerd. De volgende dag is [naam] bij eiseres gekomen en heeft zijn aanzoek herhaald. Hij heeft bij die gelegenheid te kennen gegeven dat hij commandant was van de Forces Nationales pour la Libération (FNL). Eiseres heeft het aanzoek wederom geweigerd, waarop [naam] haar heeft bedreigd. Op 21 september 2006 heeft de huishouder van de familie van eiseres tegen iedereen gezegd dat men moest vluchten omdat [naam] eraan kwam, met soldaten. Vervolgens is iedereen, onder wie eiseres, gevlucht. Eiseres heeft op 24 september 2006 haar land van herkomst verlaten. Eiseres vreest bij terugkeer door [naam] te zullen worden vermoord.

3. Naar de mening van eiseres is haar beroep op vluchtelingenschap op grond van ondeugdelijke argumenten verworpen. Het besluit is derhalve in strijd met het motiveringsbeginsel. Nu eiseres consistente en gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd omtrent haar vrees voor vervolging, welke verklaringen bovendien passen in het beeld dat omtrent Burundi bekend is, dient zij hier het voordeel van de twijfel te krijgen en in het bezit te worden gesteld van een vergunning op een van de gronden genoemd in artikel 29 van de Vw 2000.

4. In de aanvullende gronden van beroep van 5 februari 2007 heeft eiseres nog het volgende aangevoerd. Eiseres heeft ten aanzien van verweerders standpunt dat eiseres summiere verklaringen heeft afgelegd omtrent de functie van commandant [naam] aangevoerd dat [naam] zelf heeft verklaard dat hij commandant was en dat hij eiseres een kaart heeft laten zien. Daarnaast is hij met andere rebellen naar de woning van eiseres gekomen om deze aan te vallen. Een commandant heeft het bevel over andere rebellen, aldus eiseres. Ook heeft de kioskhouder eiseres verteld over [naam]. Er was geen reden voor de kioskhouder om haar niet de waarheid te vertellen. Ook de handelwijze van de kioskhouder toen hij aan [naam] snel een telefoonkaart moest verkopen, toont aan dat [naam] een commandant was en macht had. Er was niemand in haar omgeving die hieraan twijfelde. Verweerder heeft niet gesteld dat zij een compleet en actueel overzicht van commandanten van de FNL bezit. Volgens eiseres betekent de omstandigheid dat verweerder deze man niet kent, niet dat [naam] geen commandant zou zijn.

5. Voorts heeft eiseres zich in de gronden van het beroep, de aanvullende gronden en ter zitting beroepen op Richtlijn 2004/83/EG van de Europese Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn). Eiseres stelt zich op het standpunt dat de Definitierichtlijn niet of gebrekkig is geïmplementeerd in het Nederlandse recht en dat haar dientengevolge na 10 oktober 2006 een rechtstreeks beroep op de Definitierichtlijn toekomt. Eiseres volgt de stelling van verweerder niet dat de omzetting ervan in nationaal recht slechts omzetting van bestaande beleidsregels in algemeen verbindende voorschriften behelst. Eiseres is van mening dat op diverse punten het Nederlandse beleid niet voldoet aan de minimum normen van de Definitierichtlijn.

Voorts heeft eiseres aangevoerd dat, anders dan in het bestreden besluit is vermeld, artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn naar haar mening inhoudelijk niet overeenstemt met artikel 29, eerst lid, aanhef en onder b van de Vw 2000 waar het gaat om het "singled out-vereiste". Artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn gaat over de bedreiging van willekeurig - 'indiscriminate' volgens de Engelse tekst - geweld. Eiseres is van mening dat verweerder de Definitierichtlijn onjuist heeft toegepast.

6. Partijen worden verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag of de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op juiste gronden is afgewezen. dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van het beroep op artikel 29 van de Vw 2000

7. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000.

8. Het is vaste jurisprudentie dat de vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van de asielaanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder behoort en dat die vaststelling door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die vaststelling kan verweerder zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de oprechtheid van een vreemdeling en de geloofwaardigheid van het asielrelaas op voorhand zijn aangetast indien een vreemdeling niet aannemelijk kan maken dat het ontbreken van reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, niet aan hem is toe te rekenen. Het toerekenbaar ontbreken van deze documenten zal echter steeds door verweerder in de context van het totale feitencomplex moeten worden bezien.

9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen enkel formeel dan wel indicatief bewijs heeft overgelegd om haar reisroute te kunnen onderbouwen. Evenmin is het reisverhaal aannemelijk gemaakt door het afleggen van gedetailleerde en verifieerbare verklaringen. In dit verband heeft verweerder er op gewezen dat eiseres niet heeft kunnen aangeven met welke luchtvaartmaatschappij zij naar Nederland is gevolgen en wat het vluchtnummer was of op welk stoelnummer zij tijdens de vlucht heeft gezeten. Eiseres heeft evenmin kunnen aangeven welke kleur het vliegtuig had dan wel wat de kleur van de kleding van het vliegtuigpersoneel was. Voorts heeft eiseres, aldus verweerder, aanvankelijk op de luchthaven bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat zij vanuit Nairobi, Kenia, in Nederland is aangekomen maar heeft zij tijdens het eerste gehoor verklaard dat zij vanuit "Addis" rechtstreeks naar Nederland is gevlogen. Dat eiseres in de zienswijze heeft gesteld dat zij nimmer heeft verklaard dat zij vanuit Nairobi in Kenia naar Nederland is gereisd, leidt naar de mening van verweerder niet tot een ander oordeel. De verklaring van eiseres in de zienswijze voor haar gestelde gebrek aan kennis omtrent haar reis, te weten dat gezien haar situatie in alle redelijkheid niet van haar verwacht kan worden dat zij meer heeft onthouden dan wat zij reeds heeft verklaard, wordt door verweerder niet gevolgd. Naar de mening van verweerder mag van een persoon die verklaard heeft dat zij per vliegtuig vanuit Bujumbura naar Nederland is gereisd, in alle redelijkheid worden verwacht dat zij informatie kan verschaffen over eenvoudige zaken tijdens de reis, zoals hierboven genoemd. Naar de mening van verweerder is de reden die eiseres heeft gegeven voor het niet kunnen overleggen van documenten ten aanzien van haar reis alsmede het niet kunnen geven van informatie omtrent haar reisroute, te weten dat de reisagent alles regelde, onvoldoende om haar te ontslaan van haar verplichting optimale medewerking te verlenen aan de vaststelling van de reisroute.

Op grond van het vorenstaande is verweerder van mening dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten die haar reisverhaal onderbouwen niet aan haar is toe te rekenen.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van reisdocumenten haar niet kan worden toegerekend. Evenzeer heeft verweerder eiseres in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat zij geen gedetailleerde en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd over de gestelde reisroute.

11. Ten aanzien van de stelling van eiseres in beroep dat zij gedurende haar reis afhankelijk was van haar reisagent, heeft verweerder zich - mede gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ter zake (onder meer uitspraak van 31 augustus 2006, JV 2006, 402) - op het standpunt kunnen stellen dat dit niet kan afdoen aan haar eigen verantwoordelijkheid voor de onderbouwing van haar reisverhaal.

12. Derhalve is op voorhand twijfel ontstaan aan de oprechtheid van eiseres en is afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

13. Indien, zoals in casu het geval is, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, geldt volgens vaste jurisprudentie dat in het asielrelaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden mogen voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan om geloofwaardig geacht te kunnen worden.

14. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het relaas van eiseres een positieve overtuigingskracht ontbeert nu eiseres ook overigens ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd. Aan dit standpunt heeft verweerder het hierna volgende ten grondslag gelegd.

Naar de mening van verweerder heeft eiseres niet geloofwaardig gemaakt dat zij ten huwelijk is gevraagd door een man genaamd [naam], commandant bij de rebellenbeweging FNL, en dat zij door haar weigering op dit verzoek in te gaan door deze man met de dood is bedreigd.

Eiseres heeft naar de mening van verweerder enkel summiere verklaringen kunnen afleggen over de gestelde commandant en heeft voorts uiterst bevreemdingwekkende en vage verklaringen afgelegd over zijn gestelde toenaderingspogingen tot haar. Hiertoe wijst verweerder er op dat eiseres verklaringen heeft afgelegd die zijn gebaseerd op verklaringen van derden. Voorts heeft eiseres geen beschrijving kunnen geven van het uiterlijk van de gestelde commandant. Dat zij niet heeft gekeken naar het uiterlijk van deze man, toen hij haar persoonlijk ten huwelijk vroeg, omdat zij bang was, kan naar de mening van verweerder geenszins als verklaring voor het ontbreken van kennis op dit punt worden aangemerkt. In dit verband wijst verweerder er op dat eiseres tevens heeft verklaard dat zij hem de eerste keer al bij de kiosk had gezien. Bovendien heeft eiseres verklaard dat bij het gestelde bezoek de gestelde commandant direct op haar af is gelopen en zij hem zelf te woord heeft gestaan. Gelet hierop mag, aldus verweerder, ondanks haar gestelde angst, van eiseres worden verwacht dat zij enige informatie omtrent zijn uiterlijk kan geven. Verder heeft verweerder er op gewezen dat eiseres enkel op de hoogte is van de naam '[naam]' en niet van de volledige naam van deze persoon. Omdat eiseres zelf heeft gesteld dat deze persoon machtig is, mag ervan worden uitgegaan dat hij bekend is in Bujumbura of in Burundi en dat eiseres zijn volledige naam weet te noemen. Daarnaast weet eiseres geen volledige naam te geven van de FNL. Ook heeft eiseres het antwoord schuldig moeten blijven op de vragen hoe machtig deze commandant is, wat zijn precieze functie binnen de FNL is en over hoeveel man hij het commando voert. Nu eiseres heeft gesteld te vrezen voor deze persoon die commandant zou zijn bij de FNL, mag van haar worden verwacht dat zij enige informatie over zijn gestelde functie kan verschaffen. Bovendien heeft eiseres naar de mening van verweerder vage verklaringen afgelegd over hoe zij [naam] heeft herkend als een commandant van de FNL. Hiertoe heeft verweerder er op gewezen dat eiseres heeft verklaard dat zij niet meer weet welke kleding hij droeg toen zij hem voor het eerst zag bij de kiosk. Dat zij niet heeft gezien of hij een uniform droeg, specifiek behorend bij een commandant of een soldaat met een hoge rang, klemt in het licht van het asielrelaas des te meer, aldus verweerder. Daarnaast heeft eiseres niet kunnen aangeven of deze persoon een uniform droeg tijdens het gestelde bezoek aan eiseres. Verder heeft eiseres haar stelling dat [naam] een commandant betreft, evenmin kunnen onderbouwen met haar verklaring dat deze persoon haar een kaart heeft getoond met zijn gestelde functie. Immers, alhoewel eiseres stelt dat hij zich hiermee heeft gelegitimeerd, heeft zij verklaard dat zij niet op de kaart heeft gekeken en niet heeft gezien welke informatie er op de kaart was vermeld. Eiseres heeft haar stelling dat [naam] commandant van de FNL is verder gebaseerd op de omstandigheid dat hij met zijn soldaten naar haar huis zou zijn gekomen. Eiseres heeft zich hierin echter enkel op informatie van de huishouder gebaseerd en heeft vorenstaande niet op andere wijze onderbouwd dan wel aannemelijk kunnen maken. Eiseres heeft haar verklaring dat [naam] een commandant betreft enkel gebaseerd op de, eigen verklaringen van deze man en op de verklaringen van een kioskhouder in de straat, te weten een zekere persoon met de bijnaam '[alias]'.

Naar de mening van verweerder wekt de verklaring van eiseres dat zij naar de tuin van de buren heeft kunnen vluchten, zonder dat de soldaten haar hebben kunnen zien, bevreemding. Dat eiseres desgevraagd geen duidelijk onderbouwde verklaring voor deze gang van zaken heeft kunnen geven, doet verder afbreuk aan het gestelde, aldus verweerder.

15. Marginaal toetsend is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het voorgaande - in onderlinge samenhang bezien - voldoende steekhoudende argumenten heeft aangedragen om het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig te achten.

16. Hetgeen in beroep is aangevoerd omtrent de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres leidt niet tot een andere conclusie. In dit verband merkt de rechtbank op dat het in beroep aangevoerde veelal een herhaling is van hetgeen eiseres eerder heeft verklaard.

17. Gezien het voorgaande komt eiseres niet in aanmerking voor toelating op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde grond.

18. Evenmin komt eiseres in aanmerking voor toelating op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 genoemde grond. Hiertoe verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar haar overwegingen in het kader van de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde grond. Overigens heeft eiseres geen daadwerkelijk concrete redenen aangevoerd, gelegen in haar persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden, die de conclusie rechtvaardigen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan foltering, aan onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 3 van het Anti-Folterverdrag en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

19. Ten aanzien van de aanspraak van eiseres op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 overweegt de rechtbank het volgende.

20. Eiseres handhaaft in beroep haar in de zienswijze ingenomen standpunt, waarbij zij heeft aangegeven dat de beleidswijziging c.q. beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid inzake Burundi onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en op onzorgvuldige wijze tot is gekomen.

21. De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder bij het instellen c.q beëindigen van een beleid van categoriaal bescherming een ruime beoordelingruimte toekomt, waarbij de indicatoren voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid zijn neergelegd in artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Het beleid van categoriale bescherming wordt verder toegelicht in paragraaf C1/4.5.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

22. Verweerder heeft aangegeven dat hij op grond van de informatie in het algemeen ambtsbericht van 31 maart 2006 van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Burundi terugkeer van afgewezen asielzoekers naar Burundi niet langer van bijzondere hardheid acht in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Voorts heeft verweerder er op gewezen dat uit het voornoemde ambtsbericht blijkt dat de veiligheidssituatie in grote delen van Burundi relatief rustig is, mede door aanwezigheid van de VN-vredesmacht ONUB. De aard van het geweld is in deze gebieden niet meer zodanig dat aldaar een categoriaal beschermingsbeleid is geïndiceerd. Alleen in de provincies Bujumbura Rurale, Bubanza en Cibitoke én in enkele wijken van de hoofdstad, waar de rebellengroepering FNL nog actief is, vinden nog regelmatig gevechten plaats tussen het regeringsleger en de FNL. De situatie in deze provincies wordt nog wel categoriaal beschermingswaardig geacht. De relatief rustige delen van Burundi zijn over het algemeen bereikbaar vanuit deze laatstgenoemde provincies. Verder blijkt uit het ambtsbericht dat verschillende VN-organisaties actief zijn in Burundi en dat de UNHCR oordeelt dat de veiligheidssituatie aldaar verbeterd is. Vrijwillige terugkeer wordt door de UNHCR gefaciliteerd. Daarnaast heeft verweerder er op gewezen dat gebleken is dat België, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland geen bijzonder toelatings- en terugkeerbeleid voor asielzoekers met betrekking tot Burundi kennen en de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers naar Burundi veilig genoeg achten. Gezien het vorenstaande is op 19 juni 2006 besloten het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van personen afkomstig uit Burundi, dat sedert 26 maart 1996 werd gevoerd, te beëindigen. De Tweede Kamer heeft op 28 juni 2006 met deze beleidswijziging ingestemd.

23. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het vorenstaande in redelijkheid het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van personen afkomstig uit Burundi heeft kunnen beëindigen.

24. Gelet op het voorgaande komt eiser derhalve niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

Ten aanzien van het beroep op de Definitierichtlijn

25. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit dateert van na 10 oktober 2006. Op die datum is de implementatietermijn voor de Definitierichtlijn verstreken, zodat, voor zover bepalingen van die richtlijn niet of gebrekkig zijn geïmplementeerd in het Nederlandse recht, eiseres een beroep toekomt op rechtstreeks werkende bepalingen.

26. In het onderhavige geval heeft eiseres een beroep gedaan op artikel 4, eerste lid, tweede volzin, het tweede lid, en artikel 15, onderdeel c, van voornoemde richtlijn. De rechtbank zal hierna deze grieven afzonderlijk bespreken.

27. Artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn luidt:

“De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.”

28. Ten aanzien van het beroep op artikel 4 van de Definitierichtlijn heeft eiseres benadrukt dat de tweede volzin van het eerste lid van deze bepaling een samenwerkingsplicht voorschrijft. Naar de mening van eiseres blijft, gelet op de wijze waarop verweerder dit hanteert, van een samenwerking echter niets over. Eiseres moet immers alles bewijzen, onderbouwen en alle relevante documenten overleggen. Wat betreft het samenwerkingsvereiste merkt de rechtbank op dat zij het door eiseres in dit verband aangevoerde aldus opvat dat eiseres zich op het standpunt stelt dat de bewijslast te veel bij eiseres wordt gelegd.

29. Anders dan eiseres meent, blijft het uitgangspunt dat het aan eiseres is haar relaas aannemelijk te maken. Dit uitgangspunt wordt niet aangetast door de aan de lidstaten opgedragen taak de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen. De rechtbank is voorts van oordeel dat het genoemde samenwerkingsvereiste reeds is opgenomen in het nationale recht en daarom in overeenstemming is met dit onderdeel van de Definitierichtlijn. Aan het samenwerkingsvereiste is invulling gegeven in onder meer het eerste gehoor, het nader gehoor, met daarbij de mogelijkheid tot het aanreiken van correcties en aanvullingen, en de voornemenprocedure, waarin de vreemdeling de mogelijkheid heeft om een zienswijze in te dienen, neergelegd in de artikelen 3.115 tot en met 3.119 van het Vb 2000.

30. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat het nationale recht volledig in overeenstemming is met het neergelegde in artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn. Daarom kan het beroep van eiseres op deze bepaling niet slagen.

31. In het kader van het tweede lid van artikel 4 van de Definitierichtlijn heeft eiseres aangevoerd dat niet valt in te zien waarom informatie over haar reisroute als relevant informatie beschouwd zou moeten worden met betrekking tot vluchtelingschap. In dit verband heeft eiseres er op gewezen dat informatie over de reisroute wellicht relevant is voor de beoordeling welk lidstaat verantwoordelijk is voor de beoordeling van een asielverzoek. Dit is echter iets anders dan de relevantie van de bedoelde informatie voor de beoordeling van vluchtelingschap en bij het verlenen van het voordeel van de twijfel, aldus eiseres. Naar de mening van eiseres heeft verweerder ten onrechte haar reisroute als relevante informatie beschouwd, hetgeen strijdig is met de Definitierichtlijn.

32. Artikel 4, tweede lid, van de Definitierichtlijn luidt:

“De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere asielverzoeken, reisroutes, identiteits- en reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.”

33. Uit genoemd tweede lid van artikel 4 van de Definitierichtlijn, bezien in samenhang met het eerste lid van dat artikel, vloeit voort dat de vreemdeling alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk dient over te leggen, welke elementen bestaan in de verklaringen van de vreemdeling en alle documentatie in het bezit van de vreemdeling over – onder meer en voor zover hier van belang - de reisroutes en reisdocumenten.

34. De rechtbank stelt allereerst vast dat deze bepaling vooralsnog niet op de juiste wijze is geïmplementeerd in het nationale recht. Immers, deze bepaling is niet in een algemeen verbindend voorschrift vastgelegd. Derhalve kan op deze bepaling rechtstreeks een beroep worden gedaan, nu die bepaling voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is geformuleerd.

35. De rechtbank is evenwel van oordeel dat er geen sprake is van een significante wijziging van het relevante materiële recht, nu deze elementen reeds bij de beoordeling worden betrokken en zijn opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), onder C1/3 paragraaf 1 en 2 en onder C1/5.8. Steun voor deze opvatting vindt de rechtbank verder in de volgende passage van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot implementatie van de Definitierichtlijn (Tweede Kamer, 2006-2007, 30 925, nr. 3):

"Ten eerste maakt de richtlijn het noodzakelijk om een aantal onderwerpen, die nu nog geregeld zijn in beleidsregels (Vc 2000) en/of vaste jurisprudentie over te hevelen naar een algemeen verbindend voorschrift. Het betreft de volgende richtlijnbepalingen: artikel 4, tweede tot en met vijfde lid, de artikelen 5 tot en met 10 en artikel 12, derde lid. Deze bepalingen geven veelal invulling aan gronden en definities. Het is niet te verwachten dat overheveling naar een algemeen verbindend voorschrift een groot verschil zal uitmaken voor de bestaande praktijk, met dien verstande dat de omzetting als zodanig wel gevolgen heeft voor het karakter van de regel, omdat bijvoorbeeld de inherente afwijkingsbevoegdheid (artikel 4:84 van de Awb) bij algemeen verbindende voorschriften ontbreekt."

36. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres heeft miskend dat uit het tweede lid van artikel 4 van de Definitierichtlijn blijkt dat ook informatie en documentatie omtrent de reisroute tot de relevante elementen worden gerekend voor de inhoudelijke beoordeling van het verzoek om internationale bescherming. Het beroep van eiseres op voornoemde bepaling van de Definitierichtlijn faalt derhalve.

37. Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn overweegt de rechtbank het volgende.

38. Artikel 15 van de Definitierichtlijn luidt:

“Ernstige schade bestaat uit: a) doodstraf of executie; of b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.”

39. De rechtbank stelt vast dat eiseres ter zitting - anders dan tot dan toe - zich op het standpunt heeft gesteld dat artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn niet ziet op het nationale categoriale beschermingsbeleid. De rechtbank vat het standpunt van eiseres aldus op dat voornoemde bepaling een aparte verblijfstitel genereert, te weten in die gevallen dat sprake is van ernstige schade die bestaat uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, waarbij geen sprake hoeft te zijn van "special distinguishing features" als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

40. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 15 van de Definitierichtlijn een codificatie bevat van alle refoulementverboden. Met voornoemde bepaling is, aldus verweerder, bedoeld interpretatieverschillen te voorkomen. Voor dit standpunt zou volgens verweerder steun te vinden zijn in het commentaar van verschillende landen op concepten voor de Definitierichtlijn. Bij een van die concepten verzochten diverse lidstaten bij de formulering van een definitie van de persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt de terminologie van het Europese Hof voor de rechten van de mens te gebruiken. Naar de mening van verweerder behoeft artikel 15 van de Definitierichtlijn niet te worden geïmplementeerd, omdat de bescherming die deze bepaling beoogt te bieden reeds door artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 wordt geboden. Naar de mening van verweerder is er dan ook geen sprake van wijziging van recht.

41. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het neergelegde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 inhoudelijk slechts voor een deel overeenkomt met het bepaalde in artikel 15 van de Definitierichtlijn. Dat met artikel 15 voornoemd beoogd zou zijn geweest om interpretatieverschillen te voorkomen, zoals door verweerder aangegeven, laat onverlet dat de omschrijving van de risico's van onderdelen a, b en c van dit artikel niet gelijk is aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

42. De rechtbank – zich beperkend tot de grief van eiseres - is van oordeel dat onderdeel c van artikel 15 van de Definitierichtlijn niet is geïmplementeerd, nu het in dit onderdeel omschreven risico niet is terug te vinden in een algemeen verbindend voorschrift. Bij het vorenstaande heeft de rechtbank voorts in aanmerking genomen dat de Raad van State in zijn advies op het meer genoemde wetsvoorstel de regering heeft geadviseerd onder meer onderdeel c van artikel 15 van de Definitierichtlijn in de Vreemdelingenwet op te nemen.

43. De rechtbank is voorts van oordeel dat, gelet op het vorenstaande alsmede op het feit dat voornoemde bepaling voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is geformuleerd, eiseres een beroep kan doen op voornoemde bepaling.

44. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij voldoet aan de criteria genoemd in artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn omdat sprake is van een gewapend conflict waarbij er voor haar ernstige bedreiging bestaat als gevolg van willekeurig geweld. Verweerder gaat naar de mening van eiseres voorbij aan de omstandigheid, dat eiseres een vrouw is, dat zij Tutsi is, een minderheidsgroep, dat de FNL gedomineerd is door Hutu's, dat in het conflict etniciteit een belangrijke rol speelt, dat vrouwen het risico lopen verkracht te worden alsmede dat eiseres afkomstig is uit een gebied waar ernstige mensenrechtenschendingen plaatsvinden en waar geen bescherming aanwezig is. Naar de mening van eiseres heeft zij haar vrees voldoende geïndividualiseerd.

Voorts wijst eiseres er op dat het bij voornoemde bepaling gaat over geweld en dan ook over een specifieke soort geweld: het gewapende conflict. Ook gaat het over willekeurig geweld waardoor het woord "individueel" in voornoemde bepaling anders geïnterpreteerd dient te worden dan het "special distinguishing features" vereiste van artikel 3 van het EVRM in het kader van onderdeel b van artikel 15 voornoemd. Gelet op het soort geweld waartegen artikel 15, onderdeel c, bescherming biedt, dienen individuele aspecten slechts zeer summier aangegeven te worden. De nadruk ligt op willekeurig geweld, aldus eiseres.

45. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangenomen dat eiseres een rechtstreeks beroep kan doen op artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit voornoemde bepaling volgt dat er sprake moet zijn van een ernstige en individuele bedreiging. Verweerder heeft vervolgens ook gewezen op overweging 26 in de preambule van de Definitierichtlijn waarin is neergelegd dat gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt. Hieruit volgt, aldus verweerder, dat eiseres aannemelijk moet maken dat er in haar individuele geval sprake is van een ernstige bedreiging van het leven of de persoon. Eiseres is er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat in haar individuele geval sprake is van een reëel risico op het lijden van ernstige individuele schade.

46. De rechtbank kan de zienswijze van verweerder niet onderschrijven. Op zich is het juist dat ingevolge artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn voor een geslaagd beroep op subsidiaire bescherming sprake moet zijn van ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar overweging 26 in de preambule, waarin is neergelegd dat gevaren waaraan (een deel van) de bevolking van een land in het algemeen is blootgesteld normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt. Met deze overweging wordt echter slechts aangegeven dat de Definitierichtlijn geen categoriale bescherming beoogt te bieden zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Dit laatste is tussen partijen ook niet meer in geschil.

47. Daarmee is evenwel nog niet gezegd hoe het criterium “individuele bedreiging” dient te worden opgevat. Verweerder heeft aangegeven dat er in het individuele geval van eiseres sprake moet zijn van een reëel risico op het lijden van ernstige individuele schade. Overeenkomstig verweerders eerder aangegeven standpunt, inhoudende dat het in artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn geschetste ernstige schade geacht moet worden te zijn begrepen in het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, begrijpt de rechtbank verweerders opvatting aldus dat ten aanzien van artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn sprake dient te zijn van hetzelfde ‘real risk’-criterium dat gehanteerd wordt bij de toepassing van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

48. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat verweerders opvatting miskent dat de in artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn aangegeven schade het gevolg is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands conflict. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat de verwijzing naar het criterium ‘willekeurig geweld’ gevolgen heeft voor de wijze waarop het criterium ‘individuele bedreiging’ moet worden opgevat. Voor de aanwezigheid van genoemde ‘individuele bedreiging’ is niet noodzakelijk dat die bedreiging slechts de betrokken vreemdeling zelf betreft of, indien de vreemdeling tot een risicogroep behoort, dat de bedreiging in het bijzonder ten aanzien van de betrokken vreemdeling geldt. Voldoende is dat in een situatie van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict de betrokken vreemdeling tot een groep burgers behoort die op grond van (een combinatie van) specifieke kenmerken een zodanig bijzonder risicoprofiel heeft dat reëel te verwachten valt dat leden van die groep burgers het slachtoffer worden van willekeurig geweld. Het criterium ‘willekeurig’ duidt er daarbij op dat het behoren tot een dergelijke groep burgers met een bijzonder risicoprofiel voldoende is en dat niet vereist is dat de betrokken vreemdeling binnen die groep nog eens een extra of aanvullend individueel risico aannemelijk maakt. Het gaat er om dat het geweld leden van de groep burgers zal treffen zonder aanzien des persoons binnen de groep.

49. Het vorenstaande laat onverlet dat het genoemde bijzondere risicoprofiel aan de hand van concrete en verifieerbare feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt zal moeten worden. Eiseres heeft daartoe in de aanvullende gronden van beroep en ter zitting een aantal elementen naar voren gebracht. Verweerder heeft nagelaten te beoordelen of deze elementen, voor zover ze niet door de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres worden geraakt, voldoende aanknopingpunten bieden voor de conclusie dat in haar geval sprake is van ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Bijgevolg ontbeert het bestreden besluit op dit punt een voldoende draagkrachtige motivering en komt het bestreden besluit om die reden voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal de genoemde beoordeling alsnog dienen te verrichten en op basis daarvan een nieuw besluit hebben te nemen.

50. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

51. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als voorzitter en mrs. J.R. van Es-de Vries en

E.H.M. Druijf als leden van de meervoudige kamer in tegenwoordigheid van

mr. D.S. Arjun Sharma als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 april 2007.