Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4389

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
AWB 05-36082
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / Irak / gewijzigde omstandigheden / 3 EVRM

Eiseres is een alleenstaande Irakese vrouw. De rechtbank stelt vast, onder meer gezien de overgelegde stukken en de informatie waarnaar eiseres heeft verwezen, dat de algehele (veiligheids) situatie in Irak na de afwijzing van de eerdere asielaanvraag van eiseres substantieel is gewijzigd. Hiermee is sprake van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet op voorhand is uitgesloten dat wat door eiseres is aangevoerd en aan stukken door haar is overgelegd kan afdoen aan het eerdere afwijzende besluit en de overwegingen waar het op rust. Uit de door eiseres overgelegde stukken komt naar voren dat in Irak, naast de algemene ernstige gewelddadigheden in het gehele land, vrouwen in toenemende mate slachtoffer zijn van tegen hen gericht geweld. Deze informatie sluit aan bij de informatie in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Irak van december 2004. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn standpunt dat eiseres in het kader van artikel 3 EVRM een beroep doet op de algemene situatie van alleenstaande vrouwen in (Noord-)Irak. Eiseres heeft niet alleen onderbouwd aangegeven dat zij een alleenstaande vrouw is, maar ook dat zij geen beroep kan doen op een mannelijk familielid ter begeleiding of bescherming. Overigens vermag de rechtbank niet in te zien waarom de algehele onveilige situatie voor vrouwen en meisjes in Irak als zodanig op voorhand geen risico op schending van artikel 3 EVRM voor een individuele vreemdelinge met zich mee kan brengen, gelet op het beleid dat verweerder voert ten aanzien van vrouwen en meisjes afkomstig uit Afghanistan. Verweerders gemachtigde heeft hierover ter zitting geen helderheid kunnen verschaffen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag niet kunnen afwijzen met verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit en dat vooralsnog niet kan worden geoordeeld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Noord Irak een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 05 / 36082

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van [jw.sys.1.dat_uitspraak]

in de zaak van:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.E. Muller, advocaat te Gouda,

tegen:

de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.R. Verdoner, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 13 mei 2003 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 18 juli 2005 afgewezen. Eiseres heeft tegen het besluit op 4 augustus 2005 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2006. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseres heeft eerder, op 14 augustus 1997, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 24 maart 1998 afgewezen. Eiseres heeft tegen de afwijzing bezwaar ingediend, welk bezwaar verweerder bij besluit van 3 augustus 1999 ongegrond heeft verklaard. Eiseres heeft op 27 augustus 1999 beroep ingesteld. Het beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van deze rechtbank van 10 oktober 2000 (Awb 99/7798).

2.3 Eiseres heeft bij haar herhaalde aanvraag verklaard dat zij na haar vertrek uit

(Noord-)Irak vaak geprobeerd heeft contact te krijgen met haar familie, maar dat dit geen resultaat heeft opgeleverd. Zij heeft gesteld dat zij, gezien de verslechterde veiligheidssituatie aldaar, als alleenstaande vrouw niet kan terugkeren naar

(Noord-)Irak. Bij terugkeer naar haar land van herkomst loopt zij een verhoogd risico op schending van artikel 3 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.4 Verweerder heeft de aanvraag, onder verwijzing naar het eerdere afwijzende asielbesluit, afgewezen op grond van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is geen sprake van schending van artikel 3 EVRM.

2.5 Eiseres heeft hier in beroep - samengevat - het volgende tegen ingebracht. Hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht dient te worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb. Verweerder heeft eiseres ten onrechte geen verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Eiseres heeft verwezen naar - onder meer - het algemene ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken inzake Irak van december 2004 alsmede verschillende rapporten van Amnesty International (AI) en United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR). Er is daarnaast sprake van onduidelijk beleid ten aanzien van de uitzetting naar Irak en bovendien zet verweerder al meer dan twee jaar niet uit naar dit land. Verweerder dient hieraan gevolgen te verbinden door het instellen van categoriaal beschermingsbeleid. In beroep heeft eiseres nog overgelegd een brief van AI van 16 augustus 2005 en brieven van 1 november 2005 en 20 juni 2006 van UNHCR.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 De rechtbank zal de in beroep overgelegde brief van AI van 16 augustus 2005 en de brief van UNHCR van 1 november 2005 op de voet van artikel 83 Vw bij de beoordeling betrekken. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift schriftelijk uitgelaten over deze ingebrachte stukken.

2.7 De onderhavige aanvraag is een zelfde aanvraag als de aanvraag die heeft geleid tot het afwijzende besluit van 24 maart 1998, gehandhaafd bij besluit van 3 augustus 1999. De onderhavige aanvraag dient derhalve te worden beschouwd als een nieuwe aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb.

2.8 Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager ingevolge artikel 4:6, eerste lid, Awb gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan ingevolge artikel 4:6, tweede lid, Awb zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.9 De rechtbank beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden rechtvaardigen echter geen nieuwe rechterlijke beoordeling, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd, kan afdoen aan het eerdere besluit.

2.10 De rechtbank stelt vast, onder meer gezien de overgelegde stukken en de informatie waarnaar eiseres heeft verwezen, dat de algehele (veiligheids) situatie in Irak na de afwijzing van de eerdere asielaanvraag van eiseres substantieel is gewijzigd. Hiermee is sprake van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb.

2.11 Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of op voorhand is uitgesloten dat wat door eiseres is aangevoerd en aan stukken door haar is overgelegd kan afdoen aan het eerdere afwijzende besluit en de overwegingen waar het op rust.

2.12 Uit de door eiseres overgelegde stukken komt naar voren dat in Irak, naast de algemene ernstige gewelddadigheden in het gehele land, vrouwen in toenemende mate slachtoffer zijn van tegen hen gericht geweld. Er is sprake van een groeiende invloed van conservatieve, streng religieuze groeperingen, waardoor steeds meer vrouwen onder druk komen te staan van strenge kledingvoorschriften. Radicale gewapende groeperingen uiten bedreigingen tegen vrouwen die zich niet aan die voorschriften houden. Daarnaast wordt er melding van gemaakt dat meisjes en vrouwen gebukt gaan onder een voortdurende angst te worden lastig gevallen, geslagen, ontvoerd, verkracht of vermoord. Ook wordt gemeld dat het voor vrouwen steeds moeilijker wordt om zonder begeleiding van een mannelijk familielid te reizen vanwege het gevaar van geweld en ontvoering. Deze informatie sluit aan bij de informatie in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Irak van december 2004. Uit dit ambtsbericht (bladzijde 20) komt naar voren dat enkele islamitische gewapende groeperingen, die verantwoordelijk zijn voor onder meer ontvoeringen en moorden, ook in het noorden van Irak actief zijn.

2.13 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, toegelicht in het verweerschrift, op het standpunt gesteld dat eiseres weliswaar nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, maar dat deze rechtens niet relevant zijn. Immers eiseres doet daarmee een beroep op de algemene situatie van alleenstaande vrouwen in (Noord-)Irak. Zij heeft niet aangegeven waarom deze gewijzigde omstandigheden voor haar persoonlijk een dreiging van schending van artikel 3 EVRM met zich mee zouden brengen.

2.14 De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Uit de verklaringen in de eerste asielprocedure blijkt dat eiseres samenwoonde met haar moeder en broer. In de huidige procedure heeft zij verklaard dat zij ondanks pogingen daartoe, geen contact met haar familie heeft kunnen krijgen. Bovendien, zo blijkt uit het nader gehoor in de eerste procedure, was de verblijfplaats van de broer bij haar vertrek uit Irak al onbekend. Eiseres heeft aldus niet alleen aangegeven dat zij een alleenstaande vrouw is, maar ook dat zij geen beroep kan doen op een mannelijk familielid ter begeleiding of bescherming.

2.15 Overigens vermag de rechtbank niet in te zien waarom de algehele onveilige situatie voor vrouwen en meisjes in Irak als zodanig op voorhand geen risico op schending van artikel 3 EVRM voor een individuele vreemdelinge met zich mee kan brengen, gelet op het beleid dat verweerder voert ten aanzien van vrouwen en meisjes afkomstig uit Afghanistan. Verweerders gemachtigde heeft hierover ter zitting geen helderheid kunnen verschaffen.

2.16 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de hierboven onder 2.11 opgeworpen vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Verweerder heeft de aanvraag dan ook niet kunnen afwijzen met verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit.

2.17 Uit het voorgaande volgt voorts dat vooralsnog niet kan worden geoordeeld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Noord Irak een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

2.18 Het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 4:6, tweede lid, Awb en artikel 7:12, eerste lid, Awb voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

2.19 Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

2.20 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.21 Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van veertien weken opnieuw te beslissen op de aanvraag van 13 mei 2003 met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, rechter, en op 18 januari 2007 openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. P.C. Ypma, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.